Het Haagse vliegveld Ypenburg in militaire handen

Aan het slot van mijn vorige artikel ‘Ypenburg en de sportvliegerij’ dat verscheen in De Oud-Hagenaar van 17 april jongstleden, beschreef ik slechts summier dat na de Tweede Wereldoorlog het grootste deel van de sportvliegerij op Ypenburg het veld moest ruimen omdat het vliegveld in militaire handen was overgegaan.

De interesse van het ministerie van Defensie in Ypenburg dateerde al vanaf de opening van het vliegveld in 1936. Toen het sportvliegterrein op 29 augustus van dat jaar feestelijk werd geopend, verklaarde de toenmalige minister van Waterstaat, jhr. ir. O.C.A. van Lidth de Jeude, in zijn openingsspeech dat Ypenburg weliswaar het domicilie van de sportvliegers was, maar dat niet moest worden uitgesloten dat het vliegveld wellicht ook voor militaire doeleinden gebruikt zou kunnen worden. Dat waren profetische woorden. Inmiddels waren de internationale spanningen als gevolg van het steeds agressievere beleid van Hitler-Duitsland alsmaar toegenomen. Hoewel de Nederlandse regering een strikte neutraliteitspolitiek volgde, was in 1935 besloten om, na jaren van bezuinigingen, de defensie-uitgaven te verhogen. Voor de Luchtvaartafdeeling (LVA; de voorloper van de huidige Koninklijke Luchtmacht) had dat onder meer tot gevolg dat nieuwe vliegtuigen konden worden besteld. Bovendien kwam er geld om het personeelsbestand uit te breiden. Dat leidde ertoe dat er op het vliegveld Soesterberg, in die tijd het centrum van de Nederlandse militaire luchtvaart, niet alleen ruimtegebrek op de grond maar ook in de lucht ontstond waardoor de kans op vliegongevallen drastisch toenam. Daar kwam nog eens bij dat de concentratie van de LVA op één locatie als zeer riskant werd geacht omdat bij een eventuele vijandelijke verrassingsaanval ons luchtwapen dan in één keer uitgeschakeld zou kunnen worden. Voor Defensie waren dat genoeg redenen om vanaf 1936 over te gaan tot verspreidng van de militaire luchtvloot. Dat betekende dat militaire vliegtuigen onder meer werden gestationeerd op vliegvelden zoals Schiphol, Waalhaven (bij Rotterdam) en Gilze-Rijen. Ook Ypenburg kwam in beeld juist vanwege haar strategische ligging. Om die reden besloot de rijksoverheid in 1938 om het vliegterrein aan te kopen. De Exploitatiemaatschappij Vliegveld Ypenburg weigerde echter om het vliegveld uit handen te geven maar besloot, toen zij later dat jaar in financiële moeilijkheden kwam, om een deel van het terrein aan het ministerie van Defensie te verhuren.

Oorlog
Deze situatie veranderde op 29 augustus 1939. Op die dag werd de algemene mobilisatie afgekondigd en Ypenburg kreeg met onmiddellijke ingang de status van militair vliegveld. Toen op 10 mei 1940 Duitsland ons land binnenviel werd ook Ypenburg aangevallen. Daarbij ging een groot aantal Nederlandse militaire vliegtuigen verloren. Toch zagen de Duitse troepen door de felle Nederlandse tegenstand geen kans om het vliegveld definitief te veroveren. Aan het einde van de eerste oorlogsdag was Ypenburg weer in Nederlandse handen wat tot aan de capitulatie op 14 mei zo zou blijven.

Na de capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten begon de Duitse bezetter onmiddellijk met het herstel en uitbreiding van het zo zwaar getroffen vliegterrein. Toch zou Ypenburg, dat van de Duitsers de naam ‘Flugplatz Den Haag’ kreeg, voor hen maar een bescheiden rol spelen. Dat was met name een gevolg van de slechte drainage, waardoor het vliegveld voor veel Duitse vracht- en gevechtsvliegtuigen onbruikbaar was. Slechts lichte vliegtuigen voor het vervoer van hooggeplaatste Duitse functionarissen, post en goederen konden van Ypenburg gebruik maken. Dat duurde tot 1943, omdat de bezetter toen zelf het vliegterrein door het graven van sloten en het plaatsen van palen en hekken totaal onbruikbaar maakte.

Tegen het einde van de oorlog kwam Ypenburg bij de geallieerden in beeld. Het door de Hongerwinter zo zwaar getroffen westen van ons land moest geholpen worden en om die reden fungeerde Ypenburg, in het kader van de geallieerde operatie ‘Manna’, als één van de afwerpterreinen voor de voedseldroppings. Voor de uitgehongerde bevolking van Den Haag en omstreken zouden de geallieerde luchtmachten tussen 29 april en 8 mei 1945 ruim 1.500 ton voedsel uitwerpen.

Luchttransport uit Voorburg
Omdat het grootste deel van de Nederlandse wegen, bruggen, spoorlijnen en havens door het oorlogsgeweld was verwoest, ontstond er een dringende behoefte aan luchttransport. Dat luchttransport werd behalve door de KLM ook verzorgd door het op 16 april 1945 opgerichte Nr. 6 (Dutch) Auster Squadron. Dit squadron bestaande uit 120 man en, uitgerust met lichte vliegtuigen van het type Taylorcraft Auster, kwam onder het bevel te staan van reserve-kapitein-vlieger H. Nienhuis. De vliegers waren voornamelijk reservisten en dat gold ook voor het technisch grondpersoneel, dat werd aangevuld met gemilitariseerd personeel van Philips. Het squadron opereerde niet vanaf Ypenburg, maar vanaf een sportterrein aan de Hoekwaterstraat in Voorburg, langs de spoorlijn Den Haag-Gouda. Daar maakte het personeel gebruik van de reeds aanwezige gebouwen. Zo werd een turnzaal omgetoverd tot een vliegtuigwerkplaats. Kleedlokalen werden ingericht als slaapplaats, terwijl de keuken en de eetzaal terecht kwamen in een nabijgelegen garage. Vanaf dit ‘vliegterrein’ zou het squadron – dat ter plekke zelfs werd bezocht door prins Bernhard – een fors aantal (militaire) personen vervoeren, evenals grote hoeveelheden post en kranten. Nadat het squadron medio december 1945 Voorburg had verlaten, werd het op 17 juni 1946 opgeheven.

Wederopbouw
Na de Duitse capitulatie in mei 1945 werd de wederopbouw van het vliegveld door de N.V. Grondmaatschappij Ypenburg, in samenwerking met de stichting Landelijke Bezettingsschade en de Heide Maatschappij, voortvarend ter hand genomen. Inmiddels was de exploitatie van het vliegveld in handen gekomen van de zakenman F. (Frits) Diepen. Op 1 december 1945 had hij het bedrijf Frits Diepen Vliegtuigen N.V. opgericht en al snel met de Grondmaatschappij Ypenburg een pachtcontract afgesloten. Vervolgens nam hij op 1 april 1947 alle aandelen van de Grondmaatschappij over. Het vliegveld werd onder gebracht in de N.V. Vliegveld Ypenburg, met als aandeelhouders de gemeenten Den Haag en Rijswijk. Maar voor het zover was, zat een deel van de Nederlandse luchtstrijdkrachten nog op Ypenburg. Op 1 juni 1945 was namelijk het Opkomstdepot Luchtstrijdkrachten vanuit Eindhoven op Ypenburg neergestreken. Dit depot selecteerde en keurde oorlogsvrijwilligers die zich hadden aangemeld voor de strijd tegen Japan en later voor uitzending naar Nederlands-Indië. Als commandant van het vliegveld trad kapitein-luitenant-ter zee W.J. Reijnierse op. Deze situatie zou tot eind 1946 voortduren, omdat de luchtstrijdkrachten Ypenburg toen verlieten. Vanaf dat moment kreeg het vliegveld opnieuw een geheel civiele bestemming. Dat betekende overigens niet dat de luchtstrijdkrachten alle banden met het vliegveld verbraken. Zo vond in de zomer van 1948 ter gelegenheid van het 35-jarig bestaan van het luchtwapen, op Ypenburg de grote jubileumtentoonstelling, de Lustrijka, plaats, waar het publiek ondermeer de eerste Nederlandse straaljagers kon bezichtigen. Bovendien namen militaire vliegtuigen deel aan tal van vliegfeesten.

In 1949 trad ons land toe tot de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO). Met dit militaire bondgenootschap werd een reeks van afspraken gemaakt, die onder meer behelsden dat Nederland medio jaren vijftig diende te beschikken over dertien vliegvelden. Deze vliegvelden moesten over het hele land verspreid liggen, om de gevolgen van een eventuele verrassingsaanval van het Oostblok zoveel mogelijk te kunnen beperken. Het ministerie van Oorlog richtte vervolgens de aandacht ook weer op Ypenburg. Dat was tegen het zere been van Frits Diepen die van Ypenburg, na Schiphol, de tweede luchthaven in het westen van ons land had willen maken. Wat volgde was een uitgebreide politieke discussie, die er uiteindelijk in januari 1952 toe leidde dat Ypenburg werd uitgebreid met een verharde start- en landingsbaan die niet alleen geschikt was voor de burgerluchtvaart, maar ook voor militaire toestellen. Vanaf dat moment zou Ypenburg toch langzaam transformeren van een civiel vliegveld tot een militaire vliegbasis. Echter, het bedrijf van Diepen – Avio-Diepen, dat later werd overgenomen door Fokker – bleef als een civiele enclave in deze militaire omgeving bestaan. Het maakte ondermeer militaire vliegtuigen vlieg-gereed en verzorgde eveneens het onderhoud en de reparatie van binnen- en buitenlandse luchtmacht- en marinevliegtuigen. Later zou deze onderneming zich gaan toeleggen op het vervaardigen en verwerken van composieten waarmee met vezels versterkte kunstharsen werden bedoeld. Daarvan werden dan allerlei kunststof interieur- en exterieurdelen voor ondermeer vliegtuigen gemaakt.

Een eerste aanzet tot de vorming van een militaire vliegbasis vond plaats op 1 september 1953, toen de Basisgroep Toekomstige Vliegbasis Ypenburg werd opgericht. Exact twee jaar later, op 1 september 1955, kwam de nieuwe Vliegbasis Ypenburg officieel in militaire handen met luitenant-kolonel-vlieger-waarnemer J. Roukens als eerste commandant. Vervolgens streek een aantal operationele eenheden op het vliegveld neer, zoals ondermeer het met helikopters en Piper Super Cubs uitgeruste 298 en het 299 Squadron van de Groep Lichte Vliegtuigen (GPLV). Ook de vliegopleiding van de GPLV, het 300 Squadron, en het 334 Transport Squadron (eerst uitgerust met Douglas Dakota’s en vanaf 1960 met Fokker Friendships) vonden op Ypenburg onderdak, evenals de tot het 298 Squadron behorende Search and Rescue-vlucht. Deze vlucht was onder meer belast met het redden van drenkelingen uit zee en het overbrengen van zieken van de Waddeneilanden naar het vaste land. Dat duurde echter niet zo lang. Eind jaren zestig leidden reorganisaties, bezuinigingen en toenemende klachten over geluidshinder (het vliegveld werd immers regelmatig bezocht door straaljagers) ertoe dat alle operationele eenheden Ypenburg verlieten en op vliegbases elders in het land onderdak vonden. Het gevolg was dat het vliegveld in 1968 weliswaar de operationele status verloor, maar niet werd gesloten.

Een opmerkelijke verschijning op Ypenburg was ‘Moeke’. Vanaf medio jaren zestig bracht ‘Moeke’ (haar echte naam is in de luchtmachtarchieven helaas niet bewaard gebleven) dagelijks een bezoek aan het vliegveld, om het aldaar werkzame personeel van verse vis te voorzien. Gekleed in Scheveningse klederdracht en voorzien van een juk met twee grote manden reisde zij iedere dag met tram en bus van Scheveningen, via station Hollands Spoor, naar Ypenburg. Met haar koopwaar maakte zij een rondgang over het gehele vliegveld, om uiteindelijk weer te eindigen bij de halte van de bus die haar weer naar huis zou brengen. Zij heeft dit tot ver in de jaren zeventig gedaan.

Andere taken
Hoewel Ypenburg haar operationele status had verloren, was van sluiting aanvankelijk nog geen sprake. Het vliegveld kreeg nu de status van ‘slapende’ of reservebasis en haar activiteiten kwamen vanaf dat moment te liggen op de administratieve en logistieke ondersteuning van het in de Residentie gevestigde Hoofdkwartier van de Koninklijke Luchtmacht (HKKLU). Ook de Luchtmacht Stafschool (LSS, tot 1992 het hoogste opleidingsinstituut van de luchtmacht) vond eind 1968, na diverse omzwervingen door de Hofstad) onderdak op Ypenburg. Aldaar vond het huisvesting in het hoofdgebouw en een deel van het stationsgebouw. Wat het vliegverkeer betreft, die bleven voortaan beperkt tot het uitvoeren van speciale vluchten ten behoeve van de luchtmacht en het vervoer van binnen- en buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders zoals leden van het Koninklijk Huis (de Royal Flights), ministers, Kamerleden en andere VIP’s. Ook tal van buitenlandse staatshoofden en regeringsleiders maakten voor hun bezoek aan ons land van het vliegveld gebruik. Tenslotte mag niet onvermeld blijven dat Ypenburg ook een aantal malen heeft gefungeerd als Lines of Communication (LOC)-veld voor de tijdens de Koude Oorlog jaarlijkse gehouden NAVO-oefening ‘Reforger’ (Return Forces to Germany). De daarmee opgedane ervaringen kwamen goed van pas toen eind 1990 op Ypenburg honderden Amerikaanse manschappen gehuisvest moesten worden voor de verplaatsing van troepen en materieel in het kader van de Golfoorlog.

Sluiting
Door het einde van de Koude Oorlog werd het lot van Ypenburg definitief bezegeld. In de in 1991 verschenen defensienota viel te lezen dat de vliegbasis niet alleen uit financiële overwegingen, maar ook door de sterk afgenomen behoefte aan reservebases gesloten zou worden. Later dat jaar, op 20 september, vond de ceremoniële sluiting plaats. Daarbij gaf de laatste commandant van de vliegbasis, kolonel R.J. Singels, het commando over Ypenburg terug aan de toenmalige Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, luitenant-generaal W.C. Louwerse. Na het neerhalen van de Nederlandse en de luchtmachtvlag bracht een laagvliegende formatie van vier F-16 straaljagers een laatste groet.

Op 1 maart 1992 ging de Vliegbasis Ypenburg daadwerkelijk dicht. Het terrein kwam in handen van de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (DGWT) van Defensie, die niet alleen het overgrote deel van de bebouwing liet slopen, maar ook verantwoordelijk was voor het verwijderen van alle vliegveldinstallaties. Daarmee werd een lang en belangrijk hoofdstuk uit de geschiedenis van de Koninklijke Luchtmacht voorgoed afgesloten.

Wim Lutgert
wlutgert@planet.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann