Adrianus Boelens: dichter van het paradijs

De winter van 1922 is streng, zeer streng. Vanaf eind november 1921 vriest het en op Sinterklaasavond is het al 15 graden onder nul. Tot eind maart zal de vorst aanhouden, met dagen waarop het kwik niet boven nul komt.

Sneeuw en ijs geven Den Haag een winterse aanblik. Sneeuw bedekt de daken van de oude gebouwen rond het Binnenhof. De bomen op de Lange Vijverberg zijn in wintertooi en boven de bevroren Hofvijver cirkelen krijsend hongerige meeuwen. Niet ver van de Hofvijver, in een armoedig zolderkamertje in de Passage, wordt op 9 februari 1922 het levenloze lichaam van een bejaarde man gevonden; omgekomen door gasverstikking.

Wanneer bekend wordt wie de overledene is, gaat een schok door Den Haag. Een van zijn bekendste inwoners Adriaan Boelens, de paradijsdichter, is niet meer. Zijn begrafenis staat in schril contrast met de armoedige omstandigheden waaronder hij heeft geleefd en is gestorven.

Zwolse jaren
Op 26 april 1840 wordt in het gezin van Roelof Boelens, boekverkoper te Zwolle, een jongetje geboren. De baby krijgt de naam van zijn grootvader, Adrianus. Hij groeit op tussen boeken. Dit heeft ongetwijfeld invloed gehad op zijn ontwikkeling. Op latere leeftijd neemt hij actief deel aan het culturele leven van Zwolle. Hij is waarnemend secretaris van een rederijkerskamer die toneelvoorstellingen verzorgt. Daarnaast is hij boekhouder bij het Zwolse agentschap van de Nederlandsche Bank. Maar, in 1887, komen wij Boelens onverwachts tegen als getuige in een spraak­makend proces. Hij woont dan in Amsterdam. Over de reden van zijn vertrek uit Zwolle is niets bekend.

Majesteitsschennis
Op 24 april 1886 verschijnt in het tijdschrift ‘Recht voor Allen’ een artikel getiteld ‘De koning komt’. Aanleiding is het jaarlijks bezoek aan Amsterdam van koning Willem III. De anonieme schrijver vraagt zich af waarom iemand die “…zo weinig werk van zijn baantje maakt” zoveel waardering krijgt. Deze tekst is reden om het blad aan te klagen voor majesteitsschennis! De redacteur Ferdinand Domela Nieuwenhuis neemt de verantwoording voor dit artikel op zich. Hij wordt veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf en gaat in hoger beroep. Tijdens dit hoger beroep meldt Adrianus Boelens zich als auteur van het artikel. Ondanks zijn getuigenis blijft de straf gehandhaafd. In de processtukken wordt over Boelens vermeld dat hij 46 jaar is, in Amsterdam woont en zonder beroep is.

Volksschrijver
Eind 1887 verhuist Boelens van Amsterdam naar Den Haag. Waar hij tot zijn overlijden, in 1922, zal blijven wonen. Hij vestigt zich hier als ‘schrijver’; beter gezegd als volksschrijver. Rond 1900 komt laaggeletterdheid en analfabetisme nog veel voor. Boelens is de steun voor de mensen, die moeite hebben hun gedachten aan het papier toe te vertrouwen. Hij schrijft voor hen, tegen een redelijk vergoeding, brieven en verzoekschriften aan instanties. Voor verliefden schrijft hij liefdesbrieven. Op verzoek maakt hij gedichten voor bruiloften en partijen. Enkele van zijn feestgedichten wordt gebundeld en uitgegeven door Magazijn ‘De Voordracht’. Ook voor sinterklaasgedichten weet men hem te vinden; hij schudt ze uit zijn mouw. Een brief aan de gemeente sluit hij af met de woorden: “Ach Heer, wees mij indachtig. Want ik ben in de tachtig. Met vriendelijke gevoelens. Uw dienaar Boelens.”

Ook stuurt hij gedichten naar staatshoofden. Bijvoorbeeld begin 1913 aan koningin Wilhelmina en de president van de Franse Republiek Poincaré. Het is een gedicht in het Frans; gewijd aan de vrede (poême de la paix). Van zowel Wilhelmina als van Poincaré ontvangt hij een dankbetuiging. Reden voor Boelens, die eens kritiek had op de vader van de koningin, zich ‘hofdichter van hare majesteit’ te noemen.

De onderwerpen van de brieven zijn soms van vertrouwelijke of intieme aard. Vaak geeft Boelens zijn oordeel over deze kwesties. Zo groeit hij uit tot een vertrouwenspersoon die wijs, berustend en met grote tolerantie advies geeft. Zijn motto: “De kleinen sta ‘k ter zij, de groten helpen mij.”

Voor nog iets anders is Boelens bekend. Hij is de vriend van de meeuwen. Als het een barre winter is en honderden hongerige meeuwen boven de Hofvijver vliegen, dan schiet Boelens ze te hulp. Hij prikt papiertjes aan de bomen. Hierop wordt, in dichtvorm, het publiek opgewekt de meeuwen te voeren. Zoals: ‘Meeuwen in hun bittere nood, vragen menschen geef ons brood’. Zelf geeft hij het goede voorbeeld door in koude maanden dagelijks de meeuwen met brood te spijzigen. De meeuwen kennen hem en omringen hem als duiven.

Naast het schrijven heeft hij een passie voor toneel. Bijna dertig jaar is hij een trouwe bezoeker van de Koninklijke Schouwburg. Om Boelens daar te leren kennen, volgen wij hem naar het paradijs.

Het paradijs
De goedkoopste rang in het theater, hoog in de nok van de zaal, wordt over het algemeen aangeduid als schellinkje. Zo niet in Den Haag daar spreekt men – naar Frans voorbeeld – van het paradijs. Het paradijs is de woning der engelen, maar of de Haagse engelen ook echt engelen zijn? Tot ver in twintigste eeuw doet op de galerij (de officiële benaming van het paradijs) een mannelijke suppoost dienst in plaats van een ouvreuse.

Daar hoog boven in de Koninklijke Schouwburg heeft Boelens zijn eigen plekje. In een vrij hoekje staat voor hem apart een stoeltje. Een opvoering zonder hem is haast niet denkbaar. Boelens is niet alleen een engel, maar ook een dichter. Zo groeit hij uit tot de paradijsdichter. Een benaming die in de toneelwereld uniek is. Vanuit zijn hoge positie daalt Boelens af naar het podium om in dichtvorm jubilerende artiesten namens het paradijs te huldigen. Ook neemt hij het bij de gemeente en directie op voor de belangen van zijn mede engelen. Er komt een afdakje bij het loket voor de 3e en 4e rang, zodat de bezoekers beschut in de rij kunnen staan voor hun kaartje. Ze krijgen een eigen foyer en de houten planken maken plaats voor comfortabele klapstoeltjes. De wanden van deze foyer zullen door de inzet van Boelens versierd worden met foto’s van bekende en minder bekende artiesten. Foto’s die vaak zijn voorzien van een opdracht aan de paradijsdichter.

Omgekeerd nemen de engelen het op voor Boelens. Wanneer zijn toespraak voor een jubilaris – door de ceremoniemeester – wordt onderbroken omdat het te lang duurt, klinkt vanuit de hoogte gejoel, gefluit en boegeroep, totdat Boelens zijn toespraak mag voortzetten. Ook geeft Boelens in de pauze, omringd door het publiek van de 4e rang, uitleg over het stuk. Bezoekers van de duurdere rangen gaan vaak naar boven om naar hem te luisteren.

En zo is Boelens woordvoerder, pleitbezorger en voorlichter van het paradijspubliek. Maar zijn leeftijd gaat tellen en zijn gezondheid wordt minder. Eind 1920 moet hij afscheid nemen van het paradijs.

Zijn laatste jaren
Boelens is nu zeer bejaard. Men ziet hem schuifelen, voetje voor voetje, met een zwart kalotje op het hoofd, stok in de rechterhand. Bundeltje kranten en paperassen in de linkerhand. Zo sloft de paradijsdichter rond in het hartje van de stad. De mensen stoten elkaar aan en zeggen; “daar gaat de paradijsdichter.”

De zorgen van het leven drukken zwaar op hem. Een bezoek aan de schouwburg is niet meer mogelijk. Door een val heeft hij, begin 1922, zijn rechterpols verstuikt en kan niet schrijven. Twee zaken die zin geven aan zijn leven, zijn niet meer mogelijk.

En dan zijn er geldzorgen. Het schrijven van brieven en gelegenheidsgedichten is geen vetpot. Door armoede gedreven verkast Boelens van de ene bekrompen kamer naar een andere nog goedkoper kamertje en woont ten slotte in een zolderkamertje hoog in de Passage boven nummer 11. Weldoeners steunen hem met giften. Als dank ontvangen zij een gedicht. En de man die bijna niets te eten heeft, deelt ’s winters zijn brood met de meeuwen.

Het is een kommervol bestaan. Hij ziet geen andere uitweg dan de wanhoopsdaad.

Begrafenis
Even ziet het er naar uit dat hij van gemeentewege – dus heel eenvoudig – zal worden begraven. Dan beseft men pas onder welke omstandigheden Boelens leefde. Acteurs en de directies van de Haagse theaters besluiten dat Boelens een ‘keurige begrafenis’ verdient en nemen de kosten op zich.

Op zaterdag 11 februari 1922 hangen aan de theaters de vlaggen halfstok. Voor het sterfhuis in de Passage en tot ver in de Gravenstraat en op het Buitenhof is een grote menigte aanwezig.

Om 12 uur precies wordt de met bloemen bedekte kist naar buiten gedragen. Er is zelfs een krans met lint van “De dankbare meeuwen”.

Door de binnenstad trekt de rouwstoet naar de Koninklijke Schouwburg. Wanneer de stoet over de Lange Vijverberg gaat, merken toeschouwers op dat een zwerm meeuwen boven de stoet cirkelt. Alsof zij voelen dat hun oude vriend en weldoener naar zijn laatste rustplaats wordt gebracht.

De begrafenis vindt plaats op “Oud Eik en Duinen”. Bij het graf worden lovende toespraken gehouden, onder andere door de inspecteur van de dierenbescherming en Cor Ruys namens de Haghe-spelers. Cor Ruys sluit zijn toespraak af met de woorden “rust zacht brave ziel”.

Bij het schrijven van dit artikel heb ik gebruik kunnen maken van informatie van het Historisch Centrum Overijssel en het Haags Gemeentearchief. Dit archief beschikt ook over enkele foto’s. Een van deze foto’s heeft in de foyer van de Koninklijke Schouwburg gehangen. Een eer die, voor hem en na hem, nooit een theaterbezoeker in Den Haag of elders ten deel is gevallen.

Internet heeft zijn schaduwzijde, maar ook zijn positieve kanten. Tot mijn grote verrassing ontdekte ik dat op ‘YouTube’ de uitvaart van de paradijsdichter is te zien!

Het slotwoord geef ik aan Adrianus Boelens.

Gij die mij ziet, vergeet mij niet
Houdt in uw hart, den ouden bard
En wordt ook grijs, in het Paradijs

Kees de Raadt
raadtvanleeuwen@ziggo.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann