Knippen en plakken

Artikelen in De Oud-Hagenaar over strips en striptekenaars hebben altijd mijn bijzondere belangstelling als verzamelaar. Pim Oosterheert is in dat opzicht vanwege zijn Bommelzolder een landelijk bekende verzamelaar. Dat ook Julius Pasgeld iets op te biechten had over zijn Dick Bos-verzameling is “onbekend” wereldnieuws; wat uiteraard ook voor mij geldt.

Als strippofiel ben ik waarschijnlijk alleen bij mijzelf bekend. Achteraf heb ik beseft dat die “fiel” in mij al in de oorlogsjaren moet zijn wakker geworden.

Als mijn ouders namelijk met vier kinderen van Loosduinen naar de Joubertstraat wandelden, omdat opa of opoe (zoals zij toen nog genoemd werd) jarig was, dan kwamen wij op een adres waar kinderspeelgoed allang het huis uit was. Terwijl de volwassenen hun gesprekken voerden zette opoe ons aan tafel om “Sambo de olifant” te “lezen”. Zij had namelijk de kranten strips van Mies Deinum uitgeknipt en in een schriftje geplakt.

In de stripbijbel van Hans Matla (dit jaar koninklijk onderscheiden vanwege zijn verdiensten in de stripwereld) wordt Mies’ Sambo in 1937 genoemd; de knipsels van opoe moeten dus nog een of twee jaar ouder zijn. Opmerkelijk is dat niet Toonder, Kresse en Kühn (o.a.) de eersten waren die onder twee of drie plaatjes een tekst produceerden… Mies deed dat ook al.

Dat Toonder dit deed is logisch, omdat de taal bij hem op den duur een literaire rol speelde die zich niet in ballonnetjes laat vangen. Noch in Bommel/Tom Poes, noch in Kappie en Koning Hollewijn zijn ballonnetjes terug te vinden.

Alleen Panda verandert in het 140e verhaal in een ballonnetjes-serie. Vrijwel zeker omdat Toonder een medewerker toestemming gaf om Panda zó te vervolgen.

Met intense spijt dat ik oma’s voorbeeld niet al veel eerder ben gaan volgen, ben ik Panda’s avonturen vanaf circa 1971 uit de krant gaan knippen. Tot de Haagsche Courant met het AD fuseerde en Panda ophield te bestaan… dacht ik.

Want een paar jaar later ontdekte ik dat een oom, die net als ik door zijn moeder erfelijk knip-besmet was, uit zijn krant in Maartensdijk nog steeds Panda-verhalen knipte… die hij mij heeft nagelaten.

Mijn strip-belangstelling kreeg pas echt vorm in mijn middelbare schooljaren. Mijn weg naar de (eerder beschreven) Hubertus de Wilde-school voerde langs het Abrikozenplein, waar ik in de etalage van een boekhandel niet alleen Dick Bos (Julius Pasgeld), maar ook Lex Brand, Spot Morton, Bob Crack, enzovoorts, zag liggen. Van mijn zelf verdiende zakgeld kocht ik regelmatig een nieuw exemplaar. Tot ook voetbal een hobby was geworden, en de detectives werden ingeruild voor Kick Wilstra. De eerste twee deeltjes vond ik in een sigarenzaak in de Perenstraat, (die toevallig in de vorige De Oud-Hagenaar als foto was opgenomen); zij het geen sigarenzaak meer. De latere vijftien boekjes in boekenkiosken aan de Laan van Meerdervoort.

Om later, als student, over zakgeld te beschikken kwam ik een paar jaar vroeg mijn bed uit om in Loosduinen het AD te bezorgen. Uit het reserve-exemplaar knipte ik de strips, en plakte zo circa twintig avonturen van Miranda Blaise in elkaar.

Toen het studeren ongeveer was afgelopen, verscheen het fenomeen rommelmarkt; waar mensen soms van hun verzameling strip-knipsels afstand deden. Zo liep ik eens tegen een doos vol Kappie-knipsels aan, die zo zwaar was dat ik het aandurfde er 25 gulden in te investeren. De opbrengst bleek ruim veertig nagenoeg complete avonturen op te leveren.

Vandaar dat ik dit verhaal de aanhef “knippen en plakken” mee gaf; zoals Pim Oosterheert zijn Bommelzolder creëerde.

Er zijn namelijk twee redenen om deze hobby knippen en plakken te maken. Van veel knipsel-verhalen is nooit een boek in drukvorm verschenen; met name van Panda en Kappie. Hoewel uitgeverij Stripstift tegenwoordig bezig is in die Kappie-lacune te voorzien.

Een andere reden is, dat het formaat van een knipsel vaak groter is dan in bijvoorbeeld een literaire Bommel-pocket.

Uitgeverijen Panda en Mondria hebben intussen alle verhalen van Bommel/Tom Poes en koning Hollewijn in drukvorm op de markt gebracht. Eén van de figuren rond koning Hollewijn is natuurlijk zijn minister-president, genaamd Dreutel. Ik vermeld deze bijzonderheid omdat ik, dit voorjaar in Leeuwarden zijnde, tijdens een stadswandeling het standbeeld van Pieter Jelles Troelstra passeerde.

De man zelf is impopulair in Oranje-kringen, maar misschien moet ik zeggen dat door hem nu het Wilhelmus als volkslied gezongen wordt.

Hij wilde na de Eerste Wereldoorlog de monarchie afschaffen; denk aan de Russische Tsaar en de Duitse keizer.

Het volk bleek achter koningin Wilhelmina te staan; een ruggesteun voor haar om bij haar zilveren ambtsjubileum het volkslied “Wien Neerlands bloed” af te schaffen en door het Wilhelmus te vervangen.

Pieter Jelles moet Toonder tot Dreutel geïnspireerd hebben…

Jan v.d. Heijden
heijden5@caiway.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann