‘Heel Den Haag had het erover’

Eind negentiende eeuw vindt in Den Haag een ongekend evenement plaats tijdens wat nu door historici de ‘eerste feministische golf’ wordt genoemd: de ‘Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid 1898’. De drie jaar eerder gehouden vrouwententoonstelling in ‘Woman’s Building’ op de ‘World’s Columbian Exposition’ te Chicago ligt hier als inspirerend voorbeeld aan ten grondslag.

Op 26 juni 1896 richten elf vrouwen in Amersfoort de ‘Vereeniging Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid’ op. Hoofddoel is ‘de uitbreiding van de werkkring der vrouw in Nederland’. De dames willen een tentoonstelling organiseren in het jaar waarin Wilhelminazal worden ingehuldigd als koningin. Voor het eerst een vrouw die de hoogste positie van het land bekleedt, dát feit is van grote betekenis voor vrouwenarbeid! Cato Pekelharing-Doyer, lid van de ‘Groningse Vrouwenbond’ en zeer begaan met de ‘vrouwenquestie’, hanteert de voorzittershamer. Al na twee maanden draagt ze die over aan Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk. Deze ambitieuze jonge vrouw gaat voortvarend te werk: ze stelt onmiddellijk een ‘jour’ in voor ruggenspraak met de achterban, elke dinsdagmiddag van 15.00 tot 18.00 uur bij haar thuis aan de Laan van Meerdervoort te Den Haag. Veel vrouwen weet zij ‘over te halen’ mee te doen, zoals de onderwijzeressen Marie Jungius en Suze Groshans. Zij zullen haar steunpilaren worden. Ook Hélène Mercier – zij bepleit al langer in artikelen betere wetten, vrouwenopleidingen en betaald werk – wordt binnengehaald. Niet veel later treedt Johanna Naber toe. Zij zet zich in voor de documentatie van de tentoonstelling en laat daarmee een uitstekend archief achter (dat online te raadplegen is bij Atria, ‘Kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis’, te Amsterdam).

Brede opzet 
Om vrouwenarbeid zo zichtbaar mogelijk te maken, denkt het bestuur aan een tentoonstelling met twintig afdelingen, ‘rubrieken’ gedoopt, gewijd aan industrie en nijverheid, landbouw, hygiëne, maatschappelijk werk, letteren en wetenschap, beeldende kunst enzovoort. De overzeese gebiedsdelen maken er vanzelfsprekend deel vanuit: er komt een afdeling Oost-Indië ín het tentoonstellingsgebouw en de zogenaamde Kampong Insulinde erbuíten. Voor elke rubriek wordt een commissie in het leven geroepen. Uit het hele land worden vrijwilligers aangetrokken. Vanaf 1897 draait het raderwerk op volle toeren met meer dan tweehonderd vaste commissieleden, alléén vrouwen.

Wegwerpgebouw in Den Haag 
Goekoops’ echtgenoot Adriaan, actief als projectontwikkelaar avant la lettre in de residentie, stelt niet alleen grond maar ook zijn ingenieur, architecten en ondernemers gratis beschikbaar. Wat de locatie betreft gaat het om een stuk afgegraven en nog braak liggend duin op de hoek van de Scheveningseweg en wat nú de Eisenhowerlaan is. Eerst worden twee grote houten bouwdelen opgetrokken, de latere congres- en industriezaal, die het bestuur goedkoop op de kop weet te tikken. Beide zalen worden verbonden met twee parallelle galerijen waarin de overige tentoonstellingszalen hun plek krijgen. Zo ontstaat een carré met binnentuin.

Voorterrein 
Op het voorterrein verschijnen een houten muziektent voor de dameskapel, het gebouwtje van Blooker’s Cacao, de fotografietent van de firma Lion en vier kiosken voor de verkoop van poppen, sigaren – ook mannelijke bezoekers moeten aan hun trekken komen! – Goudse spritsen en het propageren van geheelonthouding. Maar het voorgestelde bloembed in de vorm van een kroon, dit in verband met de ophanden zijnde inhuldiging van Wilhelmina, gaat niet door. Want in het bestuur gaan stemmen op de tentoonstelling neutraal te houden. Misschien speelt teleurstelling ook een rol in dit besluit: op herhaalde uitnodigingen van het bestuur aan Emma en Wilhelmina om de tentoonstelling te komen bezoeken wordt door H.W.J.E. baron Taets van Amerongen, spreekbuis van het Koninklijk Huis, ontwijkend geantwoord.

Onvermoeibare voorzitter 
Goekoop houdt overal in het land spreekbeurten om de betrokkenheid bij de tentoonstelling te vergroten. Zo spreekt ze op 23 november 1897 voor arbeidsters in Amsterdam. Henriëtte Roland Holst-van der Schalk, kort daarvoor lid geworden van de SDAP, bevindt zich onder haar gehoor. Na de lezing springt ze overeind en scheldt Goekoop uit voor een verraadster van de ‘vrouw van het volk’. In die tijd beoordelen veel socialisten feminisme als een ‘hobby’ van vrouwen uit de bourgeoisie die immers niet hoeven te sappelen. Roland Holst is er heilig van overtuigd, dat arbeidsters dichter bij de natuur en het echte leven staan dan andere vrouwen. Goekoop, een freule die vanuit de historische rol van de aristocratie als volksbeschermer denkt, meent juist díchter bij de gewone mens te staan dan de bourgeoisie. Daarbij legt ze een ander accent dan Roland Holst: de arbeiderswereld is géén plek van authenticiteit, want arbeiders moeten ontwikkeld worden. ‘Verheffing’ is een woord dat voor, tijdens en na de tentoonstelling veelvuldig wordt gebruikt.

Opening
De Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid wordt op 9 juli 1898 geopend. De congreszaal zit vol prominenten: Taets van Amerongen, de voltallige Nederlandse regering, Haagse gemeenteraadsleden, diplomatieke gezanten enzovoort. Goekoop opent met een speech. Vervolgens voert het ‘groot vrouwenkoor’ een openingscantate uit op een tekst van Marie van Wissenkerke. Daarna begeven de genodigden zich naar de industriezaal. Die is van meet af aan als grootste expositieruimte bedoeld en bevindt zich direct achter de entree. Men wil vooral de fabrieksarbeid van talloze vrouwen zichtbaar maken. Op een signaal van Jungius begint een onverwacht ‘concert’: alle Singer-naaimachines, spoel-, scheer-, weef- en nog veel meer machines beginnen luid te ratelen, bediend door zo’n zestig vrouwen in smetteloze kleding. De genodigden treffen er géén informatie aan over hongerlonen, te lange werkdagen en slechte huisvesting. De zaal lijkt niet in de verste verte op fabrieksruimtes in de échte wereld. De betrokken fabrikanten wilden alléén machines, grondstoffen, hulpmiddelen en vrouwen beschikbaar stellen als er een fraai beeld werd neergezet.

De belabberde kanten van fabrieksarbeid worden wél zichtbaar gemaakt in de zaal van het maatschappelijk werk verderop in de rechtervleugel. Op de zogenaamde ‘gruweltafel’ aldaar zijn teksten te lezen over de bloedlonen van de naaisters náást de producten die zij vervaardigen met de bijbehorende prijskaartjes. Maar de gemiddelde bezoeker die daar arriveert, heeft de tong al op de schoenen, verzadigd van alles wat hij tot op dat moment gezien en gehoord heeft.

Drie drukke maanden 
De kop is eraf. Drie maanden van drukte breken aan: juli, augustus en september.

Er is een doorlopend programma van voordrachten op het gebied van zang, dans en toneel, voedsel, koken, tuinieren enzovoort. Vrouwen demonstreren ambachten, stoelenmatten bijvoorbeeld. Veel voorwerpen worden geëxposeerd, bij voorkeur uit textielfabrieken, waar immers de meeste vrouwen werken.

Spontaan kleurt de tentoonstelling op 29 augustus oranje! Rond 13.00 uur komt het bericht binnen dat Emma en Wilhelmina naar de expositie komen. Dit doet een plotseling beroep op het improvisatievermogen van de organisatoren. Zij slagen erin het hoge bezoek ‘vorstelijk’ te ontvangen.

Rood wordt de tentoonstelling tijdens het congres ‘De vrouwenbeweging en het arbeidersvraagstuk’. Géén arbeidsters in de zaal, wél SDAP-leider Jelle Troelstra! Dat de dames hun interesse voor de arbeidersmassa legitimeren met het argument van ‘beschavende invloed’, vindt hij aanmatigende betutteling, nabloei van een kapitalistische periode.

Fel rood is de rede waarin Roland Holst de tentoonstelling hekelt: de ‘feministische bourgeois dames’ zijn onrealistisch. De vrouw hoéft zich niet af te zetten tegen de man, want ‘de tegenstrijdigheid tusschen de belangen van man en vrouw is in het moderne proletariaat overwonnen’.

Met het opschrift ‘Wie niet werkt, zal niet eten’ boven de industriezaal veegt ze de vloer aan: ‘Waarlijk, dit getuigt van een zoo grenzelooze verblindheid voor de feitelijke toestanden, dat het onbegonnen is hier eenig licht te willen ontsteken – een blindheid, een onnoozelheid, die regelrecht afstamt van de hypokriete eerbied, waarmee de bourgeoisie gewoon is over de heiligheid van den arbeid te spreken – nl. den arbeid anderer.’ Ze ziet die aanduiding het liefst veranderd in ‘Wij hier werken dubbel, opdat anderen die niet werken, eten’.

Van de belangrijkste gebeurtenissen op de expositie wordt verslag gedaan in het blad Vrouwenarbeid, Orgaan van de Vereeniging Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid waarvan de uitgave, drie keer per week en dat drie maanden lang, wordt verzorgd door de rubriekcommissie Letteren en Wetenschap.

Naber, die zich ná de expositie vooral zal inzetten voor het vrouwenkiesrecht, is eindredacteur.

Tot slot 
De Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid 1898 mag een succes worden genoemd: 90.000 bezoekers, zichtbaarmaking van vrouwenarbeid, aandacht voor de grote verschillen tussen arbeidsters en burgervrouwen en een batig saldo van ƒ 20.000. Dat laatste gaat naar het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid dat Jungius voornemens is op te richten.

Vrouwen en historici oordelen verschillend over het emancipatorisch gehalte van de tentoonstelling. Berteke Waaldijk, sociaal historica en hoogleraar taal- en cultuurstudies, noemt in de De IJzeren Eeuw, een documentaire televisieserie over de negentiende eeuw in Nederland, de expositie een ‘ongekend visueel spektakel’, waarin dames van goede komaf en eenvoudige arbeidsters sámen hun werk presenteren. ‘Heel Den Haag had het erover’, aldus Waaldijk, die de tentoonstelling als een doorbraak in de vrouwenbeweging beschouwt.

In het pas verschenen boek 1001 vrouwen in de 20ste eeuw van historica Els Kloek passeren opmerkelijk veel vrouwen de revue die bij de spraakmakende tentoonstelling in Den Haag betrokken zijn geweest en in de eeuw daarna veel zullen betekenen voor de vrouwenemancipatie.

Frans Holtkamp
fcmh@xs4all.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann