Herinneringen aan de Sportlaankerk

Je wist dat ’t zou gebeuren, maar nu je er voor staat, is het toch even schrikken. Het dak is er bijna af, de ramen zitten er nog in. In het middenschip liggen grote puinbrokken en aan de andere kant zijn zijmuren bijna weg. De tanden van de graafmachines vreten zich gestaag door de pilaren. De toren staat nog; het uurwerk is op twee minuten voor half twee blijven hangen. Een veel te banaal tijdstip voor het einde van deze kerk. Vijf voor twaalf, dat had veel beter gepast…

Het was geen uitzonderlijk mooie kerk, die daar in 1925-1926 aan de Sportlaan neergezet werd. Architect Nicolaas Molenaar had gekozen voor een traditionalistische stijl zonder barokke ornamenten aan de muur, maar strak in de steen en bijna protestants aandoend.

Deze kerk van het Allerheiligst Sacrament, zoals zij officieel heette, stond toen met haar fundamenten midden in het nog Rijke Roomse Leven, waarin onvoorwaardelijk geloofd werd in het gezag van paus, pastoors en kapelaans.

In 1951 ging ik naar de lagere Theresiaschool, achter de kerk op de Sijzenlaan.

Het hoofd, meneer Wellink, bestierde de school als een schipper naast God. De juffen heetten Wessels, Hemmes; de meesters Kohlsaat en Steggerda.

Om de een of andere reden verordonneerde het katholieke geloof dat je – naast de verplichte zondagsmis – ook iedere eerste vrijdag van de maand ’s morgens naar de kerk moest, dus vóórdat je naar school ging.

Zonder ontbijt, want je moest nuchter zijn voor de communie. Daar zat je dan als klein kind met een stervenshonger te wachten op het “Ite missa est”, terwijl het ene na het andere klasgenootje plat ging in de kerkbanken.

Als je het overleefd had, kreeg je later op school een kaartje met een “eerste vrijdag stempel”.

Had je een bepaald aantal kaartjes gespaard, dan kon je daarmee genieten van een ander privilege van het geloof, zoals een exemplaar van “Jeugdjuweel” of een gratis catechismus van de “Pelikaan” op het Mezenplein.

Kerk en school waren innig verstrengeld met je jonge leven. De kapelaan draaide filmpjes op de schoolzolder en richtte de gymnastiekvereniging “Tempo” op. Er kwam een parochie-bibliotheek in de school.

Juf Hemmes
In de vierde klas bij lieve juf Hemmes, die in de kerk altijd opvallend devoot zat te bidden, moesten wij eens een passiespel spelen. Zij wees mij aan voor de Jezusrol met een bruine deken om m’n schouders, maar eigenlijk had ik liever een Romeins soldaat willen zijn. Naar verluid kon juf Hemmes het niet meer houden en is later in het klooster gegaan.

De kelder van de school lag vol met de doppen van onze kwartliter schoolmelk flesjes, die we spaarden voor de missie.

In de klas voelde je de grond trillen door het heiwerk voor de bouw van het nieuwe Rode Kruis-ziekenhuis aan de overkant van de Sportlaan. Daar werd driftig gebouwd aan het plan-Dudok.

Communie
Ik deed m’n eerste communie in 1952, haalde keurig op de woensdag na Vastenavond een askruisje, dat je de hele dag moest laten zitten, kuste met de hele parochie samen hetzelfde heilig kruis en werd half gewurgd door de Sint Blasius-zegen tegen keelklachten. Prompt werd een groot aantal parochianen daarvan ziek of verkouden, waarna de heilige Blasius alsnog de schuld kreeg.

Ik figureerde een korte tijd in de Schola Cantorum, die werd gedirigeerd door meneer De Vries. We repeteerden onder in de crypte van de kerk, een kale ruimte met een grote vleugel. Meneer De Vries had een bril van minimaal plus tien, en als je zat te klieren of vals zong, sloeg ie met een paar snelbinders – natuurlijk altijd mis – omdat wij altijd verder weg stonden dan hij dacht. Hij was tevens organist en had de gewoonte om het zingen van de gelovigen te begeleiden met keihard orgelspel; met alle registers open blies hij de schaapjes gewoon de kerk uit.

Processie
Toen ik tijdens een processie het haar van mijn voorganger per ongeluk met een kaars in de fik stak, was het gauw afgelopen met mijn gregoriaanse koorzang. Het was niet aan mij besteed.

Gelukkig hadden we ook nog koster Schouten, die ook een goede organist was.

In de hoogtijdagen van het Rijke Roomse Leven kon de parochie beschikken over één herder en vier herdershonden: één pastoor en vier kapelaans. Zij woonden in het grote huis rechts naast de kerk en werden verzorgd door een huishoudster, een vaak struise Saartje van onbesproken gedrag.

Voor de feestdagen moest je biechten en er op tijd bij zijn, want de kerkbanken zaten vol met zondige, schuldbewuste gelovigen die graag een absolutie wilden. Maar ja, wat had je nou als kind op je kerfstok? Vaak verzon je iets ter plekke in dat donkere muffe hok.

Na de biecht deed je je penitentie, zo was je zieltje weer wit en kon je met een opgeruimd gevoel Kerstmis of Pasen gaan vieren. Soms zag je een parochiaan na zijn biecht voor zijn penitentie tien rondjes om de kerk lopen om een volle aflaat te verdienen.

Aan het aantal wachtenden bij een biechtstoel kon je zien welke biechtvader het meest populair was. Zat er niemand, dan wist je als kapelaan hoe de vlag erbij hing.

Brand
Op 22 maart 1958 brandde het dak van de kerk af, maar de toren, koor en het orgel ontsnapten aan de vlammen. Het verhaal gaat dat een van de kapelaans een monstrans met gevaar voor eigen leven uit de vuurzee wist te redden. Wie zou deze ambitieuze zeloot geweest kunnen zijn? Nee, niet kapelaan Simonis, want die werd pas in 1966 binnen de parochie aangesteld. De conservatieve Ad Simonis zou het – als favoriet van Rome – uiteindelijk tot aartsbisschop en kardinaal schoppen. De kerkdiensten werden daarna tijdelijk voortgezet in het West-End-theater in de Fahrenheitstraat, afgewisseld met de One Man Shows van Toon Hermans, die daar in april aan zijn succescarrière begonnen was. Op 30 november zat het nieuwe dak er al weer op en de kerk stroomde opnieuw vol met gelovigen, gezangen en wierook.

Toen een paar inventieve Vogelwijkers in 1990 hoorden dat de gereformeerde Westduinkerk op de hoek Fahrenheitstraat en de Hanenburglaan gesloopt zou worden, vroegen zij het kerkbestuur of zij het torenuurwerk mochten overnemen. Dat kon en zo kreeg de toren toch nog een heus uurwerk.

Het bleef heel oecumenisch de juiste tijd aanwijzen in de Vogelwijk – tot begin 2013.

Afscheidsdienst
Maar dwars door de roomse uitbundigheid waren de voortekens onmiskenbaar. Aanpassingen, zoals het naar de gelovigen toe gekeerde altaar en de introductie van de Nederlandse mis, konden de voortgaande secularisatie niet tegenhouden. De kudde werd kleiner; er waren minder herders nodig en de inkomsten liepen terug. Op 31 augustus 2008 werd het gebouw aan de eredienst onttrokken met een overdonderende afscheidsdienst in een stampvolle kerk. De laatste parochiaan mocht het licht uitdoen.

Na vijf jaar leegstand kraakten uitgeprocedeerde asielzoekers de kerk in januari 2013, maar in september 2014 moesten ze er weer uit.

Eind 2018 ging de sloopkogel definitief door de kerk.

Vul de plek met leuke huisjes en herinneringen.

Alles stroomt, niets blijft hetzelfde.

Dag torenspits, ik ga je missen in de Haagse skyline.

Harry van Hemert
lmhemert@scarlet.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann