Energiekwartier avant la lettre

Vorige maand kwam ik er achter dat de buurt waar ik geboren en getogen ben, volgend jaar wordt gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Hoewel ik er zo’n 50 jaar weg ben; dat gegeven deed dat toch wel wat met me.

Maar laat ik me eerst even voorstellen: Jacques (Hendrik) Groeneveld, in november 1949 geboren in de Cort Heyligersstraat (dat wil zeggen, eigenlijk in het Zuidwal-ziekenhuis) en gewoond op no. 23 (één hoog) en later (na een jaar of zo) op no. 43 (beneden), aangezien mijn moeder een hartkwaal had en eigenlijk niet mocht trappen lopen. Dat was ook de reden dat zij – zodra de financiën dat toelieten – de fiets verruilde voor de Solex die ik, bij gebrek aan een echte bromfiets, ’s avonds stiekem uit de kelderbox ontvreemde om er toch een beetje bij te horen!

Als je Cort Heyligersstraat zegt (kortweg de Cort), bedoel je in een adem ook de Van Boecopkade, aangezien de uniforme bebouwing een twee-eenheid vormde met het fantastisch binnenterrein (deels bestraat) en omsloten door enerzijds een muur naar de Noord-West Buitensingel en aan de kant van de Bautersemstraat garageboxen, waardoor er een voor kinderen geweldige veilige en soort van privéspeeltuin voor alle leeftijden ontstond. De bebouwing aan de Cort (voorheen Teellustlaan geheten) kon pas ontstaan nadat de aanwezige hofjes tengevolge van krotvorming moesten worden afgebroken en werd in 1948 opgeleverd. Ook de – in beginsel nog niet afgesloten – portieken boden een soort van geborgenheid.

Drie families boven elkaar aan iedere kant van het portiek, dus in totaal 24 gezinnen per straat. Aangezien er door de woningnood grote vraag was naar nieuwbouw, werd er door de gemeente t.b.v. de ambtenarij bij Patrimonium (de verhuurder) een flinke claim gelegd op het aanbod, met als gevolg dat er meerdere collega’s van bijvoorbeeld politie (zoals wij), de BVD, leraren en overige ambtenaren (wo CBS) bij elkaar kwamen te wonen.

Als kind was de aanwezigheid van een kelderbox ook een geweldig iets, je kon er niet alleen je fiets stallen, maar ook spelen, knutselen, sleutelen, vergaderen, zoenen, etc. Alles buiten het zicht van nieuwsgierige ouders cq buurvrouwen. En dan nog de aanwezigheid van het luik onder de algemene ruimte; de perfecte verstopplek voor de kerstbomen na het rausen aan het eind van het jaar. Ook boven in het trapportiek zat weliswaar zo’n luik, maar dat was geen optie, aangezien de buren je dan konden horen lopen op de houten vloer. Dat was dus voordat er van de zolder een extra woonverdieping werd gemaakt.

Het beneden wonen had nog een voordeel: in de winter werd, als het langdurig vroor, het binnenplein onder water gezet, zodat we daar konden schaatsen. Je kon dan na het eten thuis je schaatsen aan doen en je voorzichtig over het balkon tussen de waslijnen door in de bosjes laten vallen, om daar direct het ijs op te gaan. Ook de weg terug werd zo afgelegd – wat overigens met de jaarwisseling ook goed uitkwam als de kerstbomenjacht op knokken dreigde uit te lopen met de Constant Rebecquestraat-gang of de politie achter ons aan kwam.

’s Zomers werd er door de buurtvereniging altijd een spelletjesdag voor de kinderen georganiseerd en mocht buurtband de Cave Bees optreden in het licht van de schijnwerpers die op één hoog werden opgehangen. Gerepeteerd werd er in de algemene, doch zeer bedompte kelder bij de tuiningang – sorry voor de overlast familie Otto!

Hoewel de woningen voor die tijd modern waren uitgevoerd met douche en bijkeuken, hadden we nog wel een gasfornuis dat later omgebouwd moest worden, radiodistributie met in totaal drie zenders (inclusief één kerkfrequentie) en een kolenhaard met het hok op het balkon. Ook de schuifdeuren in de kamer en suite zie je tegenwoordig niet (vaak) meer. Het ergste was echter dat mijn slaapkamer op het noorden lag, zodat met een beetje winter het ijs op het enkelglas in de stalen pui weliswaar hele mooie bloemen opleverde, maar ook op mijn deken lag.

Aan het begin van de straat stonden drie woonwagens waar ze nog wekelijks de zgn. kiebeltonnen (bakken voor fecaliën) kwamen ophalen, de enige auto’s in de straat waren in het begin een Trabant en een Wartburg, zodat we prima konden stoepen (de bal van trottoirband naar trottoirband gooien). Voetballen deden we ook gewoon op straat en wel specifiek n de Bautersemstraat (toen nog zonder woningen) met een doel van jassen of tegen de garagedeur.

J.H. Groeneveld
groenbeer@gmail.com

Cort Heyligersstraat, gezien van de Bautersemstraat (1949). Foto: Dienst voor de Stadsontwikkeling, collectie Haags Gemeentearchief

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann