Spruitjes met pindakaas

Spruitjes met pindakaas… en honger maakt rauwe spruitjes zoet. Deze spreuk is een vrije aanpassing, want het zijn toch de rauwe bonen die dan zoet smaken.

Maar zo heb ik toch mijn bijzondere belevenis van ongeveer ca 64 jaar geleden, ik was toen 11 jaar, wel onthouden. Het precieze tijdstip weet ik niet meer maar het was in de herfstvakantie van onze openbare school, de Catharina van Renes aan de Mient, later De Vlierboom, in de gelijknamige straat. Ik woonde in de Huisduinenstraat. Die naam kon je zo mooi op z’n Haags uitspreken.

Met een van mijn vriendjes, hij woonde achter ons in de Nieuwendiepstraat, waren wij altijd bezig iets te ondernemen en te ontdekken. Zo hadden wij op een mooie, heldere en zonnige herfstdag het plan opgevat op fiets naar Hoek van Holland te gaan. Het was een spontane opwelling zodat er totaal geen voorbereiding aan te pas was gekomen, en dat pakte echter niet goed uit… Dat het later op die dag erg koud kon worden, en wij iets te eten mee hadden moeten nemen, was helaas niet bij ons opgekomen. Dat was wel opmerkelijk want normaal gingen wij met de gebruikelijke stapel boterhammen met pindakaas op stap.

De tocht ging door het Westland, via Loosduinen, en op gevoel kozen we de juiste richting en weg naar de Hoek. De twee 11-jarigen in korte broek en fiets met terugtraprem hebben die dag de Hoek niet bereikt, daar waren wij te laat voor vertrokken. Toen het tegen het einde van de middag al wat donker werd, bekroop ons het bange gevoel dat het raadzaam was om met de terugtocht te beginnen. Wij wisten ook niet goed hoever het naar de Hoek nog was.

Wateringseweg
Het werd snel donkerder en kouder, en er stak een ijzige oostenwind op. Onze kleding was veel te licht om ons tegen de kou en de wind te beschermen zodat de terugreis al snel een kwelling werd, het huilen stond ons nader dan het lachen. Daar kwam nog bij dat wij al halverwege het begin van de onderneming het gebrek aan “brandstof” voelden en de gedachte aan een paar dikke boterhammen de zaak niet beter maakte. De “honger” (tussen haakjes, want dat mocht ik thuis niet zeggen…) maakte alles erg moeilijk, zodat wij veel medelijden met onszelf kregen. Over de Wateringseweg fietsend kwamen wij in de buurt van huisnummer 85 langs een fraai gemetselde tuinmuur, met van die steunberen, zoals dat heet. Ik weet nog dat ik dacht dat daar een geheimzinnig, verlaten spookkasteel of klooster achter zou staan, maar later wist ik dat er een tuinderij was, met kassen.

Toen wij voorbij het aangrenzende huis reden, zagen wij daarnaast een veldje met spruitjesstronken. Spruitjes was een gerecht dat bij ons vaak op tafel kwam. Om een of andere reden smaakten die toen nogal bitter en was het dus niet mijn favoriete kost, maar het idee dat ze te eten zijn, maakte toen onze “honger” nog erger.

Steenkoude spruitjes
De fietsen werden in de berm gelaten en wij sprongen over de greppel en begonnen de steenkoude spruitjes van de besneeuwde stronken te plukken en zo rauw op te eten. Ze smaakten zoetig, althans, zo herinner ik het nog. Na een korte tijd zagen wij een vrouw in de deuropening van de aangrenzende woning verschijnen, die ons toeriep met de vraag wat wij daar aan het uitspoken waren. Dat was schrikken, maar bibberend vertelden wij het verhaal. Zij vroeg waar wij naar toe moesten en zij begreep wel dat het nog een lange barre tocht zou worden. “Kom maar binnen”, zei die lieve begrijpende dame en zij wees ons de trap af naar de stookkelder, waar het heerlijk warm was. En kort daarna kwam zij terug met een paar dikke boterhammen met, jawel, pindakaas en met een stapeltje kranten. Opgewarmd en met wat lagen Het Vaderland, een puur Haagse krant die tot begin tachtiger jaren in Den Haag en omstreken werd gelezen, onder onze kleding, gingen wij verder met onze thuisreis. De kou op onze blote knieën speelde geen rol meer en vol goede moed en goed verzorgd met spruiten en pindakaas konden we verder richting huis.

Die gemetselde muur zag ik een paar jaar geleden nog staan en dat vond ik heel bijzonder als je ziet dat er nog weinig originele bebouwing is en de weg zo mooi gemoderniseerd is. Dat was een heel fijn moment, zonder gedachten aan de kou van toen, maar aan die lieve mevrouw die zich over die twee knulletjes ontfermde.

Van onze pooltocht thuisgekomen werd ik door mijn moeder blij, maar ook heel streng en zogenaamd heel boos begroet, met woorden als “toch heel dom” en “ongerust”. Maar ik was heel erg blij dat ik mijn lieve moeder weer zag, en werd al snel weer heerlijk warm door haar geknuffeld.

In de tijd hadden wij heel veel stoofperen in de tuin, alles van de boom van onze achterburen, en wij hadden heel veel afgevallen peren en ook die door mij geholpen werden om er te af vallen. Mijn moeder kon daar heerlijke stoofpeertjes van maken, die zagen er ook zo verleidelijk mooi rozig uit, dat was smullen. Ook bij spruitjes – en soms in plaats van zelfgemaakte appelmoes.

De volgende dag werden wij, nu goed ingepakt, met een tas vol stoofpeertjes, en een dik pak boterhammen met… ja, daarmee, door mijn moeder op pad gestuurd om die lieve dame te bedanken.

Spruitjes at ik nog heel vaak, tot de dag van vandaag, met heel veel genoegen en met mooie herin­neringen aan die dag.

Lieve mensen, schrijf toch ook wat over je jeugdjaren, want het brengt velen zoveel mooie herinneringen op aan een heerlijk onbezorgde kindertijd, het zal iedereen zeker veel plezier doen!

Frank Schmits
schmits-3137@ziggo.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann