Den Haag in bange dagen in 1918 (deel 2)

In de schaduw van de revolutiedreiging gebeurde er meer in de residentie. Een aantal Haagse jongeren, van christelijke huize, was bang dat de Duitse revolutie zou overslaan naar Nederland. Ook vreesden ze dat de regering niet tijdig maatregelen zou nemen om dit gevaar af te wenden. Het was een los groepje van politiek geïnteresseerde studenten, officieren en kantoorbeambten die elkaar kenden. De leiding berustte bij de heren Gerretson en Van Gybland Oosterhoff. Zij waren beiden secretaris van Hendrik Colijn. Die was in die tijd directeur van de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM). In de week dat er revolutie dreigde, was Colijn in Londen om namens de regering met de Britten en Amerikanen te onderhandelen over de voedselaanvoer naar Nederland. Het kantoor van de BPM, aan de Lange Vijverberg, diende als hoofdkwartier van deze groep.

Over het doen en laten van deze actiegroep heeft Oosterhoff een verslag geschreven. Onder de titel ‘Dagverhaal’ is dit in 1937 in gestencilde vorm verschenen. In 1947 volgde een gedrukte versie. Maar met een belangrijke afwijking. In de oorspronkelijk tekst stond, dat de koningin overwoog af te treden. Deze passage is in 1947 geschrapt.

Uit dit ‘Dagverhaal’ blijkt dat er veel vergaderd werd en men op allerlei wijzen de regering onder druk probeerde te zetten om maatregelen te treffen. Bijvoorbeeld toen bleek dat Paleis Noordeinde en de stallen niet bewaakt werden. Communisten en revolutionairen konden gemakkelijk het paleis binnendringen. Besloten werd daarom – in overleg met de stalmeester – 25 vertrouwde reserve officieren in burger (maar wel gewapend) in de stallen onder te brengen.

Om te bewijzen, dat de regering veel te slap optrad besloot de groep een overval op Radio-Scheveningen in scène te zetten. Een student in de rechten, die graag iets voor het vaderland wilde doen, drong donderdagavond het zendgebouw binnen met een ongeladen revolver. Na eerst de hond van de conciërge te hebben opgesloten. De dienstdoende ambtenaren bleven kalm en belden de politie die hem even later arresteerde. Op het eind van de avond kon zijn vader hem op het politiebureau ophalen. Aan dit incident werd weinig ruchtbaarheid gegeven. Maar het toonde wel aan dat de beveiliging onvoldoende was.

Het was een pressiegroep die de regering onder druk probeerde te zetten door zwakke punten in de beveiliging van de overheidsgebouwen aan te tonen. Maar het eigenlijke doel was Colijn naar voren te schuiven als krachtige leider van de contrarevolutie.

Het liep anders… toen Colijn na de onderhandelingen in Londen weer terugkwam in Den Haag, was de revolutiedreiging al verleden tijd.

Militaire inlichtingendienst
Het Nederlandse leger beschikte in 1918 over een goed functionerende inlichtingendienst. Deze dienst, onderdeel van de Generale Staf, hield zich vooral bezig met contraspionage, censuur en het afluisteren van telefoongesprekken. Aanvankelijk waren de spionageactiviteiten gericht op buitenlandse partijen. In die jaren wemelde het in het neutrale Nederland van buitenlandse spionnen.

Naar aanleiding van de revolutionaire ontwikkelingen ging men zich ook richten op het binnenland. Zo werd bijvoorbeeld gepeild hoe de stemming was binnen het leger. En nog belangrijker: de inlichtingenofficieren van der generale staf werden ingeschakeld bij de controle van het doen en laten van de socialistische kopstukken. Hun telefoongesprekken, niet alleen van de huistelefoons, maar ook die van de Tweede Kamer, werden afgeluisterd en stenografisch vastgelegd. Daarnaast werden ook journalisten, die vaak goed waren geïnformeerd, afgeluisterd.

Door deze informatie was de regering goed op hoogte van wat zich in socialistische kringen afspeelde en kon zij maatregelen treffen. De regering had niet alleen belangstelling voor de sociaal-democraten. De groep Oosterhoff en Gerretson was bijvoorbeeld geïnfiltreerd door een inlichtingenofficier.

Afspannen van de paarden
De revolutieweek werd afgesloten met twee grote manifestaties. Op zondagmiddag 17 november organiseerden Haagse katholieke organisaties een massa bijeenkomst op Houtrust met veel katholieke sprekers. Twee muziekkorpsen gaven uitvoeringen en er waren ruim 40.000 mensen toegestroomd. Wilhelmina had graag op Houtrust aanwezig willen zijn, maar de regering raadde haar dat af. Het was een katholieke bijeenkomst en bovendien op zondag; dit zou ergernis kunnen opwekken bij de protestanten.

Die zondag werd door heel Den Haag, op de aanplakzuilen, een oranje biljet aangeplakt. Het was een proclamatie van burgemeester Patijn. Hij riep alle Hagenaars op om maandagmiddag naar het Malieveld te komen om H.M. hulde te bewijzen.

Ambtenaren kregen die dag vrij, scholen warendicht en bedrijven sloten eerder. Tegen twaalf uur stroomden de mensen toe naar het Malieveld.

Precies om één uur arriveerde het koninklijk rijtuig getrokken door twee paarden. In het rijtuig zaten ook prins Hendrik en prinses Juliana. Bij de Bosbrug stopte het rijtuig, daar stonden militairen gereed die de paarden afspanden en het rijtuig naar het Malieveld trokken. Bijna anderhalf uur duurde de rondrit. Van alle kanten drong de menigte op, maar de militairen vormden een levende beschutting.

In de dagen en weken na deze manifestatie werd in kranten en door de regering gesuggereerd dat het een spontaan gebeuren was geweest.

Erg spontaan was deze actie niet. Ze was terdege voorbereid. Immers het afspannen van paarden vereist enige koetsiersvaardigheid; soldaten hebben die meestal niet. Bovendien zou het op eigen houtje optreden van die soldaten als een insubordinaire handeling zijn beschouwd.

De achtergrond van deze geënsceneerde actie was waarschijnlijk alleen binnen hofkringen bekend. Leden van de hofhouding zullen met schrik hebben gedacht aan een regenachtige meidag in 1874. Koning Willem III, met koningin Sophie, maakte een rijtocht door Den Haag ter gelegenheid van zijn zilveren kroningsjubileum. De route was niet afgezet, met alle gevolgen van dien. In de Venestraat duwden volksvrouwen hun kinderen bijna in het rijtuig om ze door de koningin te laten kussen. Iets verderop in de Wagenstraat trachtten dronken turfdragers de paarden af te spannen en het rijtuig door Den Haag te trekken. Dit mislukte, maar de rijtocht werd voortgezet met een joelende menigte die achter de koets aanliep.

Een herhaling van deze gebeurtenis moest worden voorkomen. Men wist immers niet hoe de massa zou reageren. Dus werd in overleg met de koningin besloten dat soldaten de koets over het Malieveld zouden trekken. Dit bleek een succes te zijn. In de weken na de betoging op het Malieveld volgden huldigingen in de belangrijkste steden: Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Den Bosch, Arnhem en Haarlem. En overal werden ‘spontaan’ de paarden afgespannen en afgelost door soldaten. Men kreeg hier een zekere handigheid in en het gebeurde zo snel dat het bijna niet opviel. De paarden raakten er ook aan gewend en keken rond of er geen enthousiaste militairen kwamen om hun taak over te nemen. Dit beweerde althans het personeel van de Koninklijke Stallen.

O ja; de venters van oranje lintjes en strikjes beleefden in die dagen gouden tijden.

Terugblik
Nu, honderd jaar later, is er weinig dat aan deze woelige dagen herinnert. November 1918 was niet meer dan een incident geweest. Maar tijdgenoten beleefden dit anders. De burgerij had gebeefd en zag zich – na het mislukken van Troelstra’s revolutiepoging – genoodzaakt een aantal sociale maatregelen snel door te voeren. Zo werden de ouderdoms- en invaliditeitswet gerealiseerd en veel fabrieken voerden de achturige werkdag in. Ook de invoering van het algemeen vrouwenkiesrecht werd versneld. Troelstra’s mislukte revolutiepoging had overigens grote gevolgen voor de SDAP (de huidige PvdA). Nog jarenlang werd de SDAP als onbetrouwbaar en revolutionair aangemerkt.

Opmerkelijk is dat in die week voor het eerst telefoongesprekken van politici en journalisten werden afgeluisterd. Het aftappen van telefoons kent in ons land dus een lange voorgeschiedenis.

Blijft voor mij de vraag hoe prinses Juliana zich voelde, temidden van die bijna hysterische mensenmassa? Het is haar kennelijk nooit gevraagd, want een antwoord op die vraag heb ik niet kunnen vinden.

Over deze revolutiedagen is veel geschreven. Om de tien jaar verschenen herdenkingsartikelen in kranten en tijdschriften. In 1968 publiceerde de Rotterdamse historicus dr. H.J. Scheffer een boek, getiteld November 1918, Journaal van eenrevolutie die niet doorging. In dit boek beschrijft hij, aan de hand van soms geheime documenten, van dag tot dag de gebeurtenissen. Dit boek is een belangrijke bron voor dit artikel geweest. Belangstellenden kunnen deze publicatie waarschijnlijk nog antiquarisch of via Marktplaats kopen.

Kees de Raadt
raadtvanleeuwen@ziggo.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann