Erik Hansen, de gevierde scheidsrechter

Eerder schreef ik dat het vrijwel zeker was dat de basis van de voetbalcarrière van vele buurtbewoners zou zijn gelegd op het Heitje, een zanderig veldje aan de Laan van Meerdervoort. Het zou mij ook niet verwonderen als de carrière van Erik eveneens zou zijn begonnen op een dergelijk obscuur trapveldje.

Erik Hansen. Het lijkt alsof we hier te maken hebben met een legendarische Vikingheld. Gelet op het postuur van Erik, lijkt me die afkomst niet waarschijnlijk. Ik weet echter niets af van de komaf van Erik, noch van zijn verdere levenswandel. Die zullen dan ook hier onbesproken blijven.

Erik werd in die tijd al met zijn voornaam aangesproken, door iedereen. Dat was bijzonder. Voor ons kinderen was het zeer ongebruikelijk om volwassenen bij de voornaam te noemen, maar bij Erik was dat doodgewoon. De meesten wisten zelfs zijn achternaam niet.

Erik was een legendarische Haagse jeugdvoetbalscheidsrechter, een gedreven man die het grootste deel van zijn vrije tijd wijdde aan het fluiten bij jeugdvoetbal. Je kon hem ontmoeten zowel bij de reguliere jeugdvoetbalwedstrijden als bij partijtjes tussen jongeren onderling. Hij had er neus voor om te weten waar de onderlinge voetbalpartijtjes tussen jongens plaatsvonden. Hij liet zich niet weerhouden door hekken of sloten. Op de meest onwaarschijnlijke momenten dook hij op bij de meest onwaarschijnlijke veldjes waar op de meest onwaarschijnlijke manier werd gevoetbald. Zonder veel omhaal begaf hij zich dan tussen de krioelende, schreeuwende partijen, nam de leiding stevig in handen en binnen de kortste keren was er sprake van ordelijk voetbal.

De jeugdcompetitiewedstrijden vonden in die tijd nog alleen op zaterdagmiddag plaats. ’s Morgens werd er nog naar school gegaan en gewerkt. ’s Middags werd er dan een massaal jeugdcompetitieprogramma afgewerkt. Erik was dan met zekerheid op één van de vele Haagse voetbalvelden te vinden met zijn onafscheidelijke fluit ferm in de hand. Hij floot dan vaak meerdere wedstrijden achter elkaar, dikwijls zonder de hulp van een grensrechter (assistent).

Hij was bekend bij alle voetbalbestuurders en bij ieder mogelijk door een club georganiseerd jeugdtoernooi kon Erik in scheidsrechterstenue en compleet met fluit worden aangetroffen, onberispelijk in zijn zwarte scheidsrechterspak met aan zijn voeten de zwarte gympen. Er bestonden in die tijd twee soorten gymschoenen: de gymp met de geribbelde stootrand van voren en de wat elegantere vlakke gymp zonder geribbelde stootrand. Het model met de geribbelde stootrand was goedkoper maar (misschien daardoor) minder geliefd. Het model zonder stootrand was populair, maar duurder. Erik had de gympen zonder stootrand. Hij had kennelijk wat grote voeten, want wanneer hij ermee – de bal volgend – over de drassige velden klepperde, dan leek het net of hij zwemvliezen aanhad.

Bij het scheidsrechteren had Erik een volledig technische perfectie bereikt. Zijn fluitsignalen waren snerpend en onweerstaanbaar. Zijn bij het arbitreren behorende lichaamstaal liet niets te raden over. Zijn arm- en handgebaren waren onweerlegbaar. Hij volgde het spel op de voet en was altijd dicht bij de bal. Hij pleegde zich als een hinde over het veld te bewegen. Persoonlijk heb ik nooit kunnen constateren dat om zijn beslissingen enige discussie ontstond.

Ik sluit niet uit dat hij ’s nachts met het spelregelboek onder zijn hoofdkussen sliep zodat, mocht hij ooit de afgrijselijke droom hebben waarin zijn beslissing werd betwist, hij dit ogenblikkelijk ter eigen geruststelling zou kunnen weerleggen.

Veldkeuring
Het keuren van een veld na zware regen, sneeuw of anderszins deed bij nauwkeurig. Hij was zich zeer van zijn verantwoordelijkheid bewust. Daar was aan de ene kant de veiligheid van de spelers, die hem ter harte ging en anderzijds was het de conditie van het veld die hem zorgen baarde. Hij hield rekening met beide. Ik heb hem menigmaal zeer geconcentreerd met gefronst voorhoofd deze taak zien verrichten.

Als een veld werd afgekeurd, dan dropen de meeste jongens gedesillusioneerd af. Ikzelf bleef dan vaak achter om samen met wat anderen op een stukje gras tussen twee velden toch nog een balletje te trappen. We vroegen dan de ‘terreinknecht’ om een bal.

Ik ben me ervan bewust dat ik nu met het woord ‘terreinknecht’ aanstootgevend zal kunnen zijn, gezien ons aller slavernijverleden (het Industrieel tijdperk met de kinderarbeid, de Duitse Arbeitseinsatz). Mocht dat woord niet gewenst zijn, dan zou ik willen pleiten die functionaris ‘hofdignitaris’ te noemen, omdat we hier in feite te maken hebben met ‘Koning Voetbal’. Het zou goed zijn als dat in zo’n titel tot uiting kwam. Voorlopig houd ik het nu nog even op het woord terreinknecht – met alle risico’s van dien.

De taak van die functionaris was het onderhoud van het speelveld en tevens het onderhoud van het materiaal. Het beheer en de reparatie van de ballen maakten toen daarvan een belangrijk deel uit.

Zo’n bal raakte nogal eens lek en moest dan worden gerepareerd (op dezelfde manier als het plakken van een fietsband). De vetersluiting van de leren buitenbal werd losgemaakt en de veter geheel verwijderd. Dan werd de binnenbal uit de buitenbal gehaald en het lek geplakt. Daarna werd de binnenbal weer teruggeplaatst en de veter opnieuw ingeregen met een zg. veterhaak.

Het nadeel van die vetersluiting was dat hij een behoorlijke pijnlijke plek achterliet als je dat gedeelte van de bal bij het koppen tegen je hoofd kreeg. Het gevolg was dat de meesten van ons het koppen liever achterwege lieten als het niet dringend noodzakelijk was. Echte koppers trof je maar weinig in het voetbal van toen.

Het beheer over de ballen was dus een belangrijke taak. Ballen waren schaars in oorlogstijd. Het was dus begrijpelijk dat de terreinknecht er wat terughoudend mee was. Maar het was een aardige man die graag zijn hand over zijn hart streek en ons die bal aanreikte.

Beschikten we daar eenmaal over, dan bleef Erik ook wel eens om met ons een balletje te trappen. Dat werd uiteraard door ons zeer op prijs gesteld.

De ‘baltechniek’ van Erik was wat bijzonder. Zijn traptechniek bestond voornamelijk uit het zogenaamde ‘punteren’, wat wij jongens toen meestal ‘prikken’ noemde. Hij speelde de bal dus uitsluitend met de punt van zijn gympen. Zijn gympen boden daarbij onvoldoende bescherming aan zijn voeten, zodat hij nog wel eens klaagde over pijnlijke tenen.

Volgens ons kon hij beter scheidsrechteren.

Wie denkt dat Erik door het op die manier verlaten van zijn scheidsrechtelijke ivoren toren de neiging zou hebben gehad om zijn onpartijdigheid te verliezen, vergist zich. In de daaropvolgende wedstrijden had hij zijn autoriteit jegens eenieder weer knap hervonden en was zijn arbitrage weer even strak en consequent als voorheen.

Zelf heb ik mijn voetballoopbaan voortijdig moeten beëindigen. Ik heb Erik dus niet tot het einde van zijn scheidsrechterscarrière kunnen volgen. Ik weet dus niet hoe het hem verder is vergaan. Ik ben daar uiteraard wel nieuwsgierig naar. Ik houd mij aanbevolen voor aanvullende informatie.

Gé C. Witmaar
gcwitmaar@gmail.com

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann