Mijn jaren op de Haagse padvinderij

In het verleden is er al eens een verhaal over de padvinderij (van Julius Pasgeld) in De Oud-Hagenaar verschenen en daarna misschien ook nog wel. Maar omdat het in 2018 zestig jaar geleden was dat ik overging van de welpen naar de verkenners, nog even een terugblik op mijn tijd bij de padvinderij – zoals de scouting toen heette.

Het was begin 1956 dat een schoolgenoot (Johnny van Drongelen uit de Paulus Potterstraat) mij mee nam naar De 7e Haagse Padvindersgroep, die het groepshuis had in een voormalig schoolgebouw in de Van Dijckstraat. Hij werd die middag geïnstalleerd als welp. Het maakte op mij grote indruk en de activiteiten spraken mij wel aan. Thuis vertelde ik enthousiast en ik mocht mij aanmelden. Welpenkleding werd aangeschaft in de toenmalige Scoutshop in de Zeestraat 76 en zo was ik enkele maanden ‘teerpoot’ in het witte nest van de welkpenhorde. De leiding van de horde berustte bij Akela Blokpoel, bijgestaan door haar zuster Sjaan die de titel Hathi droeg. Hun broer Leen was voortrekker. Een echte padvindersfamilie.

In april werd ik geïnstalleerd en was mijn vriend Bob Peters uit de Brueghelstraat (wij zijn bevriend vanaf de kleuterschool in 1952 tot op de huidige dag) daarbij aanwezig. Ook hij was enthousiast en werd lid.

Op woensdagavond kwamen wij bij elkaar om diverse vaardigheden te leren. Onder andere knopen, zoals de platte knoop en de paalsteek. Was de lijst vaardigheden naar tevredenheid afgewerkt, dan kreeg je een ster op je welpenpet. Daarna kon je verder voor de tweede ster maar het onderdeel seinen was vaak een onoverbrugbare hindernis. Je kon ook insignes behalen. Bijvoorbeeld: verzamelaar, tuinman en zwemmer. Zo ben ik begonnen aan een verzameling lucifermerken. Van het insigne is het niet gekomen.

Zaterdagmiddag was het de spelmiddag. Na eerst beschimpt te zijn door de jongens uit de straat (‘vuile padluize!’), betraden wij het gebouw en gingen eerst voetballen. ADO (welp Aatje Hopman voetbalde bij die club en had een aantal horde-genootjes om zich verzameld) tegen Ajax. Ik was de keeper, Eddy Pieters Graafland (die toen bij Ajax speelde voordat hij naar Feyenoord ging) en de rest van de horde, inclusief Hathi, die er flink op los ging. Na de voetbalwedstrijd, die Ajax meestal won, gingen wij met bus 22 naar de Nieuwe Scheveningse Bosjes om allerlei spellen, zoals Vlaggenroof, te spelen. Tijdens zo’n spel kwam ik terecht bij de strafgevangenis aan de Pompstationsweg. Aan de overkant waren toen nog geen huizen, wel een stratenplan. Abbenbroekweg, Gerrit Kasteinweg en Bertus Rimaweg. Allemaal vernoemd naar mensen die gevallen waren in het verzet. Zij waren op de Waalsdorpervlakte, aan de overkant van de Van Alkemadelaan, gefusilleerd. Het maakte erg veel indruk op mij op die toen grauwe en sombere zaterdagmiddag. Na zo’n middag kwamen wij dan moe en vuil terug in de Van Dijckstraat en gingen vandaar naar huis. Tot de volgende week!

Hoogtepunt van het jaar was natuurlijk het zomerkamp in de grote vakantie. Per touringcar (Pasteur) naar de locatie (een grote houten blokhut) om daar een week lang in de omgeving te ravotten. In 1956 zaten wij in Park Sonsbeek in Arnhem, in 1957 in het Mastbos in Breda en in 1958 in Bilthoven (daar las akela voor uit een boek van de Bob Eversserie en zo kwam ik in aanraking met deze leuke jongensboeken).

Jaarlijks in april, meestal in de Paasvakantie, was de actie ‘Heitje voor een Karweitje’. Ik ging dan met vriend Bob de straten in de Schilderswijk door om onze diensten aan te bieden. Stoep vegen, een boodschap doen, schoenen poetsen, een keer een auto (een oude Amerikaan) uitstoffen en zelfs een keer een auto wassen. Daar waren wij lang mee bezig en een passant zei: “Als hij jullie maar een ‘kwagtje’ geeft, gooi dan die emmer water maar over hem heen.” Gelukkig kregen wij iets meer.

Op 21 april was het Sint Jorisdag. ’s Morgens vroeg was er een bijeenkomst van alle padvindersgroepen op het Binnenhof en ’s avonds werd in het groepslokaal bij het kampvuur het verhaal van Sint Joris en de Draak verteld. Daarna ging je doodmoe naar bed.

In september 1958 gingen Bob en ik als éénster-welp/gids-titulair (wij hadden nog geen tweede gele band) over naar de verkenners van de zelfde groep. Deze stond onder leiding van hopman Koperberg. Ook daar weer de op woensdagavond- en zaterdagmiddagactiviteiten. Daar herinner ik mij niet zo veel meer van, maar hier ook weer het zomerkamp (1959 in Ugchelen en in 1960 in Vaassen). Ook leuk waren de kampeerweekenden in 1961 op het landgoed De Raaphorst in Wassenaar, waar wij werden klaargestoomd voor de functie van kampwacht. Daar is het helaas niet meer van gekomen want het ging bergafwaarts met de padvindersgroep, onder andere door onvoldoende aanwas.

Medio 1962 heb ik afscheid genomen van de groep, ook al omdat ik druk was met de voorbereiding op het eindexamen Mulo.

Toch denk ik nog altijd met plezier aan de tijd bij De 7e Haagse.

Ed Vernooij
ed-vernooij@hotmail.com

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann