Een jeugd in de Bloemenbuurt halverwege de vorige eeuw

Voetballen op straat mocht niet. Maar met een paar sleetjes achter een auto door de besneeuwde straten was, hoewel levensgevaarlijk, wèl toegestaan. Gelukkig werd er toen nog erg veel aan de kinderen zelf overgelaten.

Ik woonde van 1943 tot 1959 in de Haagse Klimopstraat. Op de hoek van de Magnoliastraat. Driehoog met uitzicht op het prachtige Papaverhof.

Wat me vooral bijstaat is het buitenspelen met mijn leeftijdgenootjes, allen zo rond de tien, twaalf jaar. En ook het volstrekte gebrek aan toezicht bij dat buitenspelen.

Zo stonden er doorgaans maar twee auto’s geparkeerd in ons deel van de Klimopstraat. De Morris-Minor met houten achterkant van Van Veen. En de Zwarte Citroën-Traction (met van die brede treeplanken) van de oudere zoon van Rijpstra.

Wanneer we het plan hadden opgevat te gaan voetballen op straat belden we bij beide autobezitters aan met de mededeling, dat we gingen voetballen. Dat was voor de heren voldoende om onmiddellijk hun auto een eind verderop in de straat te parkeren. Want ze vreesden, dat hun auto’s tijdens dat voetballen wel eens beschadigd zouden kunnen worden. Voetballen op straat was toen trouwens door de politie verboden. Sommige ‘binken’ zagen het echter door de vingers. Maar de meesten namen de bal in beslag als we ze niet tijdig aan zagen komen. En er was er zelfs één, die een speciaal plankje op z’n bagagedrager had geschroefd om de bal na inbelagname gemakkelijker kapot te kunnen steken met een mes.

Sleeën achter de auto
In dit verband dient trouwens opgemerkt te worden, dat de heer Rijpstra jr. er een genoegen in schepte om ons kinderen na fikse sneeuwval te tracteren op spanning en sensatie. Hij verzochten ons, onze sleetjes in de lengterichting aan elkaar te binden. Het voorste sleetje kwam met een touw aan de achterbumper van zijn Citroën en als iedereen gezeten was, kwamen we langzaam maar zeker in beweging.

Zo reden we dan hele enden door de buurt. Soms kwamen we zelfs tot de Thomsonlaan en de Goudsbloemlaan die toen nog doodliep in het ‘Sperrgebiet’, een overblijfsel van de Atlantik-wall.

Gevaarlijk werd het vooral, als we met onze sleetjes over die vierkante, geribbelde putdeksels in de straat gleden. Want daar was de sneeuw doorgaans gesmolten. Soms vielen we daar van ons sleetje of brak het touwtje waarmee we aan het sleetje vóór ons waren vastgemaakt vanwege de ineens optredende weerstand van zo’n putdeksel.

PVC-buis voor een blaaspijp
Dat Sperrgebiet, in de volksmond ‘de afbraak’ genoemd, was trouwens ideaal speelterrein voor kinderen. Een strook met verwilderd groen zonder heg of steg dwars door Den Haag. Met een circa acht meter brede ‘Tankgracht’ in het midden. Alweer zonder enig toezicht. Afgezien misschien van een ‘wakertje’ in een keet, die toezicht hield op bouwprojecten die langzaam maar zeker het Sperrgebiet weer moesten vullen met flats en kantoren. Af en toe moest je daar heel hard weglopen omdat een wakertje je had betrapt bij het jatten van een stuk geel pvc-buis voor een blaaspijp.

En ach, hoe vaak kwam ik niet met een ‘zijkpoot’ thuis omdat ik weer eens van een van die smalle dammetjes die we dwars door de Tankgracht hadden aangelegd, was gegleden. Het scheen ouders trouwens absoluut niet te interesseren wat hun kinderen in het Sperrgebiet deden. Mijn moeder voorzag me in dat soort gevallen altijd van droge sokken en schoenen zonder vragen.

Vooral tussen Kerstmis en de jaarwisseling was het knokken geblazen in het Sperrgebiet. Want dan beroofden de diverse ‘bendes’ elkaar van de kerstbomen die ze van de stoepen in de woonwijken hadden gejenst. En wij, de kleinere kinderen boden daarbij onze diensten aan. Die kerstbomen werden, als het zover was, in het Sperrgebiet in brand gestoken. Hoe hoger de stapel, hoe mooier de fik. Ik herinner me nog het overweldigende gevoel, dat je daar (mede-) verantwoordelijk voor was.

Dat duurde trouwens totdat de gemeente Den Haag zélf kerstbomenverbrandingen ging organiseren. Bij ons in de buurt was dat op het toen nog niet bebouwde gedeelte tussen de Stokroosstraat en de Klaverstraat. Ineens werden wij door onze ouders gedwongen de afgetuigde kerstboom daarheen te brengen. Maar dat deden we natuurlijk niet. Het heeft nog jaren geduurd voordat de fik van de gemeente bij de Stokroosstraat hoger was dan die van ons in het Sperrgebiet.

Hoeveel horens op mijn kop?
De spelletjes die we deden in de Bloemenbuurt verschilden waarschijnlijk niet veel met die welke in andere Haagse buurten werden gespeeld.

– Pinkelen.

– Iets met een bal in de lucht gooien gevolgd door het krijten van een een vierkant op de straat waar je dan in moest gaan staan. Hoe heette dat ook al weer?

– Bordje tik. Dat deden we tegenover het poortje van het Klimophof. Omdat zich daar nou eenmaal het meest geschikte huisnummerbordje bevond om met een tennisbal tegenaan te gooien.

– Bok, bok, bok, hoeveel horens heb ik op mijn kop, vond daar ook plaats.

– Beeldenverkopertje, waarbij je door iemand steeds in een andere stand werd gezet. Dat deden we altijd nabij de hoek van de Magnoliastraat.

– Stoepen. Met een tennisbal zodanig tegen de trottoirband aan de overkant gooien, dat-ie weer terugkwam. En als je hem dan ook nog op kon vangen was het helemaal mooi.

Wie het initiatief nam voor dergelijke spelletjes is me nooit duidelijk geworden. Ik in ieder geval niet.

Soms werd de naam van een spelletje geopperd. Iemand anders deed een tegenvoorstel.

Vervolgens werd er gestemd. Niet zelden gebeurde er dan toch wat de minderheid wilde.

Net als later, in het echt.

‘Wie niet weg is, is gezien!’
De Papaverhof leende zich vooral voor een zeldzame variant van verstoppertje. Het middelste perk was namelijk toen geheel omgeven door een ligusterhaag van een meter hoog. Degene die hem ‘was’ zat op een bankje aan de ene kant van het hof en telde met zijn ogen dicht zeer luid tot twintig. De deelnemers spoeden zich dan achter de haag voort met de bedoeling uiteindelijk het hele hof ongezien te ronden. Bij ‘twintig!’ deed degeen die hem was zijn ogen weer open en bukten de deelnemers snel achter de heg. Wie dan toch ‘gezien’ was, was ‘af’. Zijn of haar naam werd luidkeels geroepen. Dan ging het weer verder van één tot twintig. Net zolang totdat iemand ongezien het uitgangspunt weer had bereikt.

De Wingerdstraat
De Wingerdstraat tenslotte. Die eindigde rondom een perkje. In dat perkje stond een beeld van de beeldhouwster Jos van Riemsdijk. Dat was onze buurvrouw onder ons! Wat waren we trots op haar toen haar beeld werd onthuld.

Ook herinneringen aan de Bloemenbuurt in het midden van de vorige eeuw? Mail het naar julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann