Het café op de Kalvermarkt

De situatie op de Kalvermarkt verschilt enorm met die in de periode van de jaren voor de oorlog tot zo ongeveer 1956. Mijn vader runde daar een café dat hij in 1936 had overgenomen van zijn vader (mijn opa dus).

Ikzelf werd geboren in 1939 en heb geprobeerd te beschrijven wat ik mij van die periode kan herinneren.

Het pand met de huisnummers 38 en 40 bestond op de begane grond uiteraard uit het café en daaraan grenzend een deur als toegang tot de erboven gelegen woning van twee etages, met daarboven een zolder. Aan de ene zijde grensde het aan het – zoals dat toen nog heette – Ministerie van Oorlog en aan de andere kant aan een betonnen schutting die doorliep tot om de hoek van de Korte Houtstraat.

Achter die schutting hadden soortgelijke huizen gestaan die reeds in de beginjaren dertig zijn afgebroken i.v.m. stadsvernieuwingsplannen. Om een duistere reden is alleen het pand 38-40 blijven staan.

Mijn vader – bekend als “kastelein Dirk” met de achternaam Van der Beek – kon zo in elk geval zijn professie daar uitvoeren.

De “Kastelein Dirk” van der Beek
De “Kastelein Dirk” van der Beek

Mevrouw Haring
Voor hoe lang was een constante vraag. Enerzijds bleven afbraakplannen van de gemeente een dreiging vormen, anderzijds was de vergunning voor het daar uitvoeren van een cafébedrijf een onzekere aangelegenheid. Die vergunning was in bezit van ene mevrouw Haring die – hoe toepasselijk – woonde op Scheveningen. Deze mevrouw was op hoge leeftijd. Omdat het café niet voldeed aan de voorgeschreven afmetingen en sanitaire voorzieningen, zou er bij overlijden van die mevrouw een einde komen aan de vergunning.

45 cent voor tapbier
Door de geringe afmetingen maakte het café een hele knusse indruk. Direct links en rechts van de toegangsdeur waren er hoekjes met een tafel en vier stoelen.

Aan de tegenoverliggende zijde in een hoekopstelling de toonbank waarop twee glanzende bierpompen, de spoelbak voor de glazen, een bak voor de flessen drank en – niet onbelangrijk – de kassalade met daarnaast een notitieblok waarop voor iedere klant werd geturfd wat en hoeveel hij had genuttigd. Aan de hand van de turfjes maal de prijs – als ik me goed herinner kostte jonge en oude jenever 40 cent en tapbier 45 cent – kon de afrekening worden opgemaakt of voor trouwe klanten worden bijgeschreven op de “poflijst”. De rekening werd dan – hopelijk – voldaan bij uitbetaling van het loon.

De ruimte achter de toonbank was heilige grond voor de kastelein en niet toegankelijk voor klanten. In de hoek rechtsachter was de toegang tot een smal gangetje naar het enige toilet.

Tegen de rechtermuur stond een grote kachel die in de wintermaanden werd gestookt met antraciet of eierkolen.

Foto’s
Aan de muur hingen ingelijste foto’s van “Oud Den Haag”. Het waren foto’s van o.a. het Spui, de Turf- en Houtmarkt, de Wijnhaven en de Nieuwe Haven uit een tijd dat daar nog water was en er schepen lagen. En foto’s van het Plein, de Lange Poten en het Binnenhof toen daar een (paarden-) tram reed. Helaas heeft mijn vader die foto’s ooit verkocht; jammer…

De naam café Van der Beek werd nogal eens verward met een café Van Beek op de toenmalige hoek van het Spui en de Turfmarkt en Houtmarkt.

De hoekjes met tafel en stoelen werden vooral ’s middags gebruikt door klanten om er te klaverjassen of met dobbelstenen “kassie” te gooien. De winnaars moesten uiteraard een rondje te geven. De niet kaarters en dobbelaars brachten er hun tijd staande en drinkend door; ruimte voor nog meer stoelen of krukken was er niet.

In de ochtenduren was er aanloop van koffieklantjes, in de middag en avond ging het vooral om de sterkere drank. De dranken werden koel gehouden met ijs.

Regelmatig kwam er voor de deur een paard en wagen die een lange paal ijs bracht. Die moest vervolgens met een priem tot brokken worden bewerkt die werden opgeslagen in een geïsoleerde kist (de voorloper van een ijskast). Van daaruit werden brokken ijs toegevoegd aan de bak met flessen waaruit de drankjes werden ingeschonken.

Hoe het tapbier koel werd gehouden weet ik niet meer. Wel weet ik dat die pompinstallatie regelmatig met water en zand werd schoongespoeld door een speciaal bedrijf. De overheid controleerde daar ook op.

Paard en wagens
“Paard en wagens” voor de deur waren in die tijd talrijk. De kolen werden met paard en wagen aangevoerd in zakken van een mud (ongeveer 70 kg). De kolenboer moet een sterk persoon zijn geweest, want die zakken moesten twee trappen op worden gesjouwd en op de vloer van de zolder worden uitgestort. Mijn taak werd het later om de kolenkitten vol te scheppen en bij de kachels neer te zetten.

Ik probeerde een biervat te versjouwen in 1941
Ik probeerde een biervat te versjouwen in 1941

Ook brouwerij “De Drie Hoefijzers” kwam de biervaten (fusten) met paard en wagen brengen. Ik herinner mij dat het een hele klus was om die vaten van de wagen af het café in te rollen.

In de zomermaanden was er vaak een paardendiligence. Daarmee kon je voor een luttel bedrag vanaf station Staatsspoor naar het Dierenpark Wassenaar worden gebracht.

De koetsiers van die paardentram waren na terugkeer van de rit wel dorstig en parkeerden hun paard en voertuig op het trottoir voor de deur. Het paard had ook dorst maar moest zich beperken tot alcoholvrije drank. Een bak met water dus…

Meer paardenvolk bezocht regelmatig het café, namelijk ook wel koetsiers van melkbedrijf De Sierkan. Die paarden hadden geen zin voor de deur te wachten, maar namen met kar en al de benen naar hun stallen in de Nieuwe Havenstraat. Hoewel het op de Kalvermarkt al best druk was met o.a. trams en bussen van de HTM, ging dat toch altijd goed.

De drukste tijd in de zaak was vanaf vier uur tot een uur of zeven, het zogenoemde bitteruurtje, maar kon ook uitlopen tot in de late avonduren.

Klantenkring
De klantenkring bestond voornamelijk uit vaste klanten zoals straathandelaren, personeel van de diverse ministeries en de staatsdrukkerij, winkelpersoneel, taxichauffeurs, etc.

Een aantal specifieke klanten waren bijvoorbeeld: iemand die “bloemenheer” werd genoemd en met zijn bloemenkar een vaste plek had op Het Plein, een bloemenventer die bij bloemisten afgedankte bloemen opkocht en die vooral bij de stations alsnog probeerde te verkopen, een herenkapper met een kapperszaak op de Nieuwe Haven, een bediende van Sociëteit De Witte die weer op weg naar huis steevast twee borreltjes kwam halen, diverse ijscomannen die met hun karren met “dubbeldik” ijs van C. Jamin terug kwamen bij het verdeelpunt in de Korte Houtstraat, iemand van de Dierenbescherming die al boos werd toen ik als kind een wesp dood maakte en een directeur van een kistenfabriek die woonde aan de Vaillantlaan. Deze man had jaarlijks een nieuwe auto – een Opel Kaptein – die hij voornamelijk gebruikte om er op zondag mee naar de Gouden Leeuw in Voorschoten te rijden voor het diner. Dat zou goedkoper gekund hebben met de Blauwe Tram. Het was een bont gezelschap, maar men had alles voor elkaar over en de saamhorigheid was erg groot.

Muziek
De muziek in het café kwam via de radiodistributie door middel van een grote luidspreker en twee knoppen aan de muur, die dienden om harder en zachter te kunnen zetten of een keuze te maken in Hilversum 1 en 2 en een Belgische zender.

Vaak was muziek niet nodig. Het gezelschap zorgde – en zeker als er al een paar borreltjes waren genuttigd – daar zelf voor door met elkaar luidkeels te zingen, soms begeleid door een klant die gitaar speelde. Het gezang kon vaak tot in de wijde omgeving worden gehoord. Niemand die er zich aan stoorde.

Om wat meer muziekkeuze te krijgen, werd later een bandrecorder aangeschaft. Wel duur en het was een van de eerste modellen voor thuisgebruik. Het had de vorm van een koffertje met daarop twee spoelen, metertjes en de nodige schuif- en draaiknoppen. Het zag er indrukwekkend uit, maar zo’n apparaat stond nog in de kinderschoenen.

Het werd geen succes; die banden liepen vast of het geheel draaide te vlug of te langzaam. De muziek was daardoor niet om aan te horen. Na veel geharrewar heeft de leverancier het ding weer teruggenomen. Uiteindelijk kwam er een gewone radio met zo’n groot groen oog.

Vrije dag
De zaak was zeven dagen per week geopend, maar vanaf 1952 vond mijn vader dat hij recht had op wekelijks een vrije dag. Op woensdag.

Die dag werd vaak benut om een dagje te vissen.

De avond ervoor werden aasvisjes gekocht bij een hengelsportzaak op de Zuid-Oost Buitensingel. Die brachten de nacht door in de spoelbak waarin normaal de bierglazen werden gespoeld.

De volgende ochtend vroeg gingen die visjes in een zinken teiltje met een gaatjesdeksel en vertrok mijn vader naar de visstek ergens bij Woerden of bij Oud Ade.

Vaak was de vangst matig en dat lag dan altijd aan het weer. Soms kwam hij terug met een aantal snoek (-baarzen).

Mijn moeder maakte er viskoekjes van die in het café werden uitgedeeld. Men zei altijd dat het erg lekker was… Ik heb ze nooit gegeten.

Die vistochten werden veelal ondernomen met een aantal collega-caféhouders van cafés op Scheveningen, op het Scheveningseveer en in de Hoogstraat.

Moeder
Behalve het maken van die viskoekjes en vaak andere lekkere hapjes, was mijn moeder niet zo betrokken bij het cafégebeuren.

Zij liet het reilen en zeilen daarvan aan mijn vader over.

Dat blijkt ook uit een stukje dat een klant schreef in een boek dat hij hen cadeau deed bij zijn afscheid in 1955 i.v.m. emigratie naar Amerika.

Dat stukje luidde als volgt.

Met excuses voor de vrouw van de kastelein, die geen kasteleinsvrouw is.

Ter herinnering aan vele gezellige ogenblikken.

Bij mijn vertrek naar de V.S.

Den Haag. Febr. 1955

In 1956 kwam er door het overlijden van die eerder genoemde mevrouw een einde aan het cafébestaan op de Kalvermarkt.

Mijn vader vond het te vroeg om niets meer te doen en ging op zoek naar een elders in de stad te koop staand café.

Café Sumatra
Die vond hij uiteindelijk en begin 1957 werden de werkzaamheden voortgezet in de Sumatrastraat 320 met café Sumatra.

Dat was een aanmerkelijk grotere zaak met een wat ander soort publiek, hoewel veel klanten van voorheen daar weer regelmatig kwamen.

Er stond een groot biljart en een biljartclub hield er wekelijks zijn biljartavonden. Dat gaf het geheel een wat andere sfeer.

Na een aantal jaren begon het vak voor mijn vader te vermoeiend te worden, vooral door het langdurige staan.

Graag zou hij gewild hebben dat ik de zaak voortzette. Het speet hem dat ik dat niet wilde, maar hij zag – geloof ik – ook wel dat ik voor dit vak totaal niet geschikt was.

Dat café werd in 1962 verkocht en zo kwam er een einde aan het kasteleinsbestaan van ‘kastelein Dirk’.

Jaap van der Beek
jaap.beek.1@kpnmail.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann