In de loge van het Dierentuingebouw

Er is geen Hagenaar voor de jaren zestig geboren die zich niet het grandioze concertgebouw van de Haagse Dierentuin zal herinneren (het Dierentuingebouw van 1893 of wel het ‘Moors Paleis’). Na meer dan een decennia van geharrewar kwam de gevreesde sluiting en een aantal jaren later de sindsdien berouwde afbraak in 1968 (gedogen door een kortzichtig Haags gemeentebestuur). De voortijdige zwanezang of in ieder geval één van de laatste voorstellingen werd echter mede door mijn toedoen een uitzonderlijk evenement.

Het was halverwege de jaren zestig dat de werknemers van de HTM (Haagsche Tramweg-Maatschappij), waar mijn broer werkzaam was, een uitnodiging ontvingen voor een bedrijfsviering in de grote zaal van het Dierentuingebouw. Het feest beloofde gevierde artiesten, een ‘big band’-orkest en dans tot slot, waarvoor hij tot mijn verrassing meerdere entreebiljetten had weten te bemachtigen, zodat behalve ik, ook een vriend en onze neef naar de avond konden gaan. Zodra wij de zaal binnenkwamen, besloten we in ons kwajongens lef te proberen of de loges geopend konden worden, om zo betere plaatsen dan in de hoofdzaal te bemachtigen. Buiten verwachting bleek de ‘koninklijke’ loge niet op slot te zijn – het was een zijloge boven het toneel, dus achter het doek – maar helaas met slechts drie zitplaatsen. Buiten de loge vonden we echter een aantal reservestoelen met houten zetels, waarvan we er twee achter de drie zittingen schikten met daarop een derde waarop mijn broer plaats nam, om zo over ons heen te kunnen kijken.

Al spoedig trad Conny Vandenbos op die eerder enig succes had geboekt met een repertoire van Nederlandse liedjes, maar op dat moment reeds maanden uit het publieke oog was – een benauwende onzekerheid voor een ‘pop song’-zangeres, wiens latere ‘comeback’ nog bestendigd moest worden. Na haar eerste nummer volgde een beleefd applausje dat echter al gauw dreigde uit te sterven – de teleurstelling op Conny’s gezicht kon ons van zo dichtbij niet ontkomen. Nu hadden mijn neef en ik kort hiervoor in het ADO-stadion op goed geluk de ‘wave’ van ovatie die de tribunes rond gaat ‘ontdekt’ en aldaar het aanzetten daarvan uitbundig uitgeprobeerd. Met dit succes nog vers in ons geheugen begonnen wij beiden spontaan enthousiast bravo te roepen en nog harder te klappen, hetgeen bij de voorste rijen de indruk wekte dat ze hun applaus te vroeg gestaakt hadden. Door hun hernieuwde bijval begonnen de rijen daarachter ook weer te klappen wat zich als een golf verder tot achter in de zaal voortzette – tot drie keer toe slaagden we er in om het onvermijdelijk afnemende geklap nogmaals op te vijzelen. Na het laatste applaus en meerdere buigingen naar haar waarderend publiek viel het doek dicht, waarop Conny zich naar ons toe keerde en ons dankbaar met een stralende glimlach een kus toe blies.

Het zou zo een hele opgave voor de hoofdattractie worden om dit welslagen – dat ver boven alle verwachtingen was gekomen – op te volgen. Willy Alberti was degene die deze uitdaging aan zou kunnen. Hij begon met één van zijn bekende Italiaanse liedjes, welke door meerdere gevolgd werd. Het verdiende applaus bleef niet uit. Om met een hoogtepunt te eindigen had Alberti een ‘tour-de-force’ van een lied gekozen dat zijn vocale virtuositeit zou markeren. Willy was kort van stuk; dat zijn volle borst accentueerde terwijl hij met de armen uitgestrekt de hoogste noot met kracht zijn keel uitstootte.

Plotseling brak er een hels kabaal los, versterkt door mijn broers verschikte kreten, terwijl de stellage waarop hij zat ineenstortte. Alberti’s stem stokte in zijn keel, terwijl hij in nu verdovende stilte nog steeds met de armen wijd zich een kwart slag omdraaide en in consternatie omhoog naar de loge en onze wederom onschuldige gezichten keek. De gepolijste artiest in hem kwam snel weer boven met een wending terug naar zijn publiek om zonder blikken of blozen zijn hoge noot en het verdere lied uit te zingen. En zo vielen de stoelen en Willy Alberti, gevolgd door het Dierentuingebouw, … stil.

Onno Kruller
krullero@netscape.net

In het najaar van 1963 trad ik er zelf op met de ‘West Coast Skiffle Society’, een ‘boy band’ (ik ben de eerste van rechts in de bijgevoegde foto van dit optreden) welke echter door studieprioriteiten weer spoedig uit elkaar viel.

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann