Herinneringen aan de Perenstraat

De Vruchtenbuurt was wel een nette buurt. Geen ‘arbeidersbuurt’. Dat vonden ze vroeger een belangrijk onderscheid. Ik heb me altijd verbaasd over het belang dat onze ouders daar nog aan hechtten. Dat werd later m.i. allemaal veel minder belangrijk. Mijn ouders waren in 1938 de eerste bewoners. De buurt was nog maar net klaar. Het was nog niet zo eenvoudig om al die huizen verhuurd te krijgen. Vele stonden lang leeg! Woningnood bestond toen nog niet. Dat begon pas na de oorlog. Mijn moeder heeft volgens de overlevering daar nog wat aan verdiend, door belangstellenden rond te leiden en omver te praten. Daar is ze altijd goed in geweest. Die handelsgeest kwam later steeds weer terug. In de Perenstraat woonden mensen met eenvoudige ‘witte boorden’-beroepen. Boekhouders en andere kantoormensen, musici, schoolmeesters en dat type van soort.

Tegenover ons huis woonde een vriendje: Hugo Limbach. Zijn vader was violist en verdiende de kost met spelen in restaurants. Later ging die voor de zekerheid ook maar op de trombone leren spelen.

Jazz
Ik stond wel eens geïmponeerd in hun voortuin te luisteren. Dat was nog eens een vader! Met een geheimzinnig beroep. Hij was niet thuis als mijn vader wel thuis was. Maar dat strijkje in een restaurant werd kennelijk zeldzamer. Te duur, denk ik. Misschien zat er toekomst in die trombone, bijv. een plekje in een orkest. Maar dat mocht absoluut geen jazz-orkest zijn.

De na de oorlog steeds populairder wordende jazzmuziek was hem een gruwel in het oor. Toen ik als wat oudere puber, toch nog overmand door heimwee naar Den Haag, jaren na mijn verhuizing naar Amsterdam, bij dit vriendje in Den Haag ging logeren, draaiden we jazzplaten. Van die grote, 78-toeren.

Als zijn vader thuiskwam moest ‘dat ding’ uit. ‘En zingen kunnen ze ook al niet! Daar hebben ze nota bene een microfoon bij nodig. Helemaal geen volume. Dat croonen is kreunen!’

In die tijd waren de meeste jongeren heel erg idolaat van jazzmuziek. Louis Armstrong, Lionel Hampton, Ella Fitzgerald, Benny Goodman, de Dutch Swing College, e.d. Dat waren ook mijn favorieten. Maar de meeste ouders moesten daar niets van weten. Nelly’s vader, hoorde ik later, noemde het jasses-muziek. Achteraf haast onbegrijpelijk. Het was allemaal zo beschaafd, vergeleken bij wat er later kwam.

Aan die latere naoorlogse logeerpartijtjes bij de familie Limbach heb ik goede herinneringen. Het was fijn om weer even in Den Haag te zijn. Bovendien hadden vader en moeder Limbach ook nog twee heel mooie, iets oudere dochters. Op één van de twee was ik als kind beslist heimelijk verliefd. Ik weet niet meer of het op Adelheid of Hildegard was. Die namen alleen al!

Pleintje
Aan het doodlopende eind van de Perenstraat was een pleintje. Dat was, meen ik, veel ruimer dan tegenwoordig. Ik denk dat die plantsoentjes er toen nog niet waren en het was een echt pleintje (auto’s waren er in die tijd vrijwel niet). Ik herinner me dat op zoele zomeravonden veel kinderen daarnaartoe gingen om spelletjes te spelen. En soort slagbal, of ‘Schipper mag ik overvaren, ja of nee? Moet ik dan een cent betalen, ja of nee? Wat moet ik doen?’ De ‘schipper’ zei dan hoe je een stukje verder mocht naar de overkant. Hinkelen. Of kruipen. Of we deden gewoon verstoppertje.

Ik vond het prachtig. Ik herinner me nu nog het geluksgevoel dat bezit van me nam. Misschien was het omdat ik dan later naar bed mocht, misschien was het een saamhorigheidsgevoel met al die kinderen op dat pleintje, en het was dan altijd mooi weer.

Heb één minder prettige herinnering aan dat pleintje. Aan het eind van de oorlog probeerden de Duitsers hun dreigende nederlaag af te wenden met het afschieten van raketten, uitgevonden door Werner von Braun. Op drie plaatsen werden die afgevuurd naar oorlogsgebieden. Naar België, naar Engeland. Niemand begreep waarom veel van die raketten hun levensloop begonnen over Den Haag heen. Er mislukten nogal wat lanceringen.

Ik herinner me nog dat ik voor het eerst die dingen als zilveren sigaren hoog door de lucht zag vliegen. ‘Pappa, wat is dat?’ ‘Dat is een V1, jongen. Als je hem boven je hoofd hoort is het veilig. Want ze zijn sneller dan het geluid. Als je hem hoort, is hij al veel verder. Dan kan er niets meer fout gaan.’ Er ging vaak wat fout, dan viel zo’n mislukkende raket op een wijk in Den Haag; geweldige ontploffing. Een heel blok huizen in puin en veel mensen dood.

Sinds die dingen in de lucht zaten, stond er een koffertje met noodzakelijkheden naast mijn bed, voor als het mis ging. Het veroorzaakte angst. Voor mij was de oorlog afgelopen toen er geen ‘vliegende bommen’ meer over ons heen vlogen. Dat was enige tijd vóór de vrede werd getekend.

Eens was ik alleen, op dat pleintje. Ik moet acht jaar geweest zijn. Ik hoorde een heel vreemd hard geluid. Het kwam op me af.

Ik wist: die gaat neerstorten. Hij kwam steeds dichterbij en steeds lager.

Het gaf een angstaanjagend lichteffect. Het ding tolde rond. De lange straat voor me werd hel verlicht als de uitlaatvlammen naar me toegericht waren, en in schijnbaar diepe duisternis gehuld als de kop van de raket naar me toe gericht was.

Ik werd doodsbang. In paniek rende ik aan het eind van het pleintje een trap op en drukte op alle bellen die ik daar zag. Misschien een verkeerde reactie. Als die bom ontplofte, had ik waarschijnlijk binnen nog minder kans dan buiten.

Maar niemand deed de deur open. Waarschijnlijk zat daar iedereen verstijfd te wachten op de grote klap! Ik ‘stierf duizend doden’. Maar die uitdrukking kende ik toen nog niet. Maar het monsterlijke ding ging over mij heen en 20 seconden later klonk een geweldige klap. Hij was neergekomen en ontploft. Ongeveer 400 meter verderop. Ik rende terug de straat in. Naar huis! Even later hoorde ik: ontploft, niet op een blok huizen, maar op een begraafplaats! Dat was een dubbeltje op zijn kant.

Maar maandenlang had ik iets om steeds over na te denken: wat gebeurt er met dode mensen als er een bom op de begraafplaats ontploft? Kunnen dode mensen nog een keer dood gaan? Toen ik mijn kinderprobleem aan mijn ouders voorlegde werd ik hartelijk uitgelachen. Had ik er nog een probleem bij: mijn ouders begrepen mij niet!

Vlierboomstraat
Vóór en in de oorlog (Tweede Wereldoorlog) stond in de nogal brede Vlierboomstraat geen enkele auto. Er was in het midden toen wel veel asfalt, en hier en daar een bloemenperk. In de ‘hongerwinter’ (1944-1945) was er een groot tekort aan voedsel en aan brandstof. Eerst was er zelden gas, vrijwel nooit licht. Later helemaal niet meer. En uitgerekend die winter was het ook heel lang heel koud. Mijn vader had, als veel vaders, een ‘noodkacheltje’ gemaakt. Van een kleiner conservenblik in een groot blik.

Je kon er ook iets in een pannetje op verwarmen. Dat ging dan later in de ‘hooikist’. Een doos die in bed onder de dekens werd gezet, en het eten kon daar verder in ‘garen’. Hoe het allemaal precies werkte, weet ik niet meer. Maar het was meestal de enige manier om een plekje met een beetje warmte in huis te creëren. Dat brandstofzuinige noodkacheltje moest natuurlijk wel ergens op branden.

Als kind werd ook ik aan het werk gezet. Als mijn vader in de schuur iets zaagde, ving hij het zaagsel op. Dat zaagsel werd in stukken stevig papier tot een bol verpakt. Als je dat aanstak, fikte het lekker. Het maken van zulke zaagselballen was mijn taak. Verder werd er in die kacheltjes van alles gestookt. Ongeveer in het midden van wat mijn foto van de Vlierboomstraat laat zien, zat ik als achtjarige bij een door mijn vader in het asfalt gehakt gat ‘kooltjes te zeven’. Onder de bovenste harde laag asfalt zat een mengsel van stenen en cokes.

Veel kinderen kregen van hun ouders de opdracht om van dat spul op een zeef te scheppen, goed schudden zodat al het stof en gruis weg was, en dan met je koude vingers de dan goed zichtbare cokes tussen de stenen uit te plukken. Met een heel klein emmertje cokes ging je dan na een paar uur verkleumd naar huis. Ik weet dat ik het vreselijk vond. Maar ja, het was nodig. Mijn vader moest zich maar zo weinig mogelijk buiten vertonen, want jonge mannen liepen de kans opgepakt en naar Duitsland gestuurd te worden om in de oorlogsindustrie te werken. En ik was niet de enige kooltjeszever. Om je heen zaten nog heel veel kinderen hetzelfde te doen.

Verderop in de straat woonden vrienden van mijn ouders. Die hadden alle deurtjes van kastjes, waar dan ook in huis, aan stukjes gezaagd en opgestookt. Die ‘oom’ was duidelijk niet zo handig en actief als mijn geweldige vader en zocht alleen naar snelle en gemakkelijke oplossingen. Na de oorlog was hij nog eens bij ons in Amsterdam op bezoek en verbijsterde mij – toen puber – met de trotse mededeling dat zijn lijfspreuk was ontleend aan de titel van een boek van Max Dendermonde: ‘De wereld gaat aan vlijt ten onder!’

Op bezoek
Mijn ouders gingen er wel eens op bezoek. Ik moest dan mee. Het was er heel ongezellig met al die open kasten. Mijn ouders vonden het dom van ze. Eens zou de oorlog toch wel afgelopen zijn, en wat moest je dan met zo’n rotzooi in huis. Kon je helemaal opnieuw beginnen. Het stonk er naar brand, weet ik nog. Het plafond was zwaar beroet. Slecht functionerende noodkachel denk ik. ’s Avonds laat weer terug naar huis. Dat was spannend. Want het was spertijd, hadden de Duitsers verordonneerd. Dan mocht niemand op straat zijn. Het was maar tweehonderd meter naar ons huis. Maar elk moment zou een Duitse patrouille kunnen langskomen en owee als we dan gesnapt werden. Het was heel koud op straat en aardedonker. De huizen moesten allemaal verduisterd zijn om de oriëntatie van de geallieerde vliegers te belemmeren, die op weg waren naar Duitsland om daar grote steden plat te gooien. Straatlantaarns brandden al heel lang niet meer. En oude zaklantaarns hadden we misschien wel ergens, maar geen batterijen. Ik was bang. Ik voelde ook de spanning bij mijn ouders. Heel opgelucht als we weer veilig in ons eigen, wat minder afgetakelde huis waren.

Eddy Saraber
eddysaraber@hotmail.com

Bovenstaand artikel is een fragment uit het boekje ‘Haagse Heugnis’ over kindertijd in oorlogstijd in de Perenstraat

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann