Tussen Eekhoorn en Marter

Het waren de jaren dat de Tweede Wereldoorlog nog na sidderde. Er ging geen verjaardag voorbij of de familie en de kennissen vertelden verhalen over de terreur van de Duitsers, de honger en de al dan niet aangedikt heldhaftige daden van verzet.

Mijn leven begon aan de Haagse Regentesselaan. We woonden in een enorm huis, samen met mijn grootmoeder en een bevriende familie. Ik was zes jaar toen de belofte van een eigen woning mijn ouders deed besluiten naar de nieuwe wijk Bouwlust te verhuizen.

We kregen een gloednieuwe flat aan de Eekhoornrade. Vier kamers op dezelfde vloer! Het kale betonnen portiek leidde naar de vier op elkaar gestapelde etages vol medebewoners en bij de ingang kon je een paar treden naar beneden om in een duistere keldergang te komen. De kelders waren in gebruik als opslag, knutselruimte, jeugdhonk en soms als extra woonkamer.

Bouwlust werd letterlijk in praktijk gebracht. In snel tempo verrees het ene na het andere flatgebouw, ruim uit elkaar met veel open veld ertussen. Zo klein als de woningen binnen waren, zo wijds was het buiten. De eerste tijd liepen de koeien nog in de weilanden tussen de flats. Overal werd land ontgonnen om nieuwbouw mogelijk te maken. In die beginjaren van grootschaligheid stond het oplossen van de woningnood bovenaan het politieke verlanglijstje. Behoorlijke toegangswegen of een aardige groenvoorziening waren ondergeschikt aan het belang van grote hoeveelheden nieuwe woningen. We verhuisden over een zandweg. De stoeptegels en straatstenen kwamen maanden later. Ook de publieke voorzieningen werden op de lange termijn geschoven. Winkels, postkantoor en bibliotheek waren ver te zoeken. Pas in de jaren tachtig kreeg het woord logistiek in de nieuwbouw enige betekenis.

Vanuit onze flat aan de Eekhoornrade keken wij uit over een ongerept veld, met aan de overzijde de Marterrade, de straat van mijn lagere school. In het midden liep een slootje voor de afwatering. Je kon er fikkie steken, zonder dat iemand klaagde. Er reden nauwelijks auto’s en je stak de Eekhoornrade over zonder links, rechts en nog eens links uit te kijken. Wij voetbalden. Wij speelden cowboytje, riddertje en heel braaf tikkertje. Een uitgestrekt kinderparadijs vol avontuurlijke uitdagingen.

Op het veld tussen Eekhoorn en Marter wortelen de herinneringen aan mijn prille jeugd. Mijn grootvader overleed in 1961 en Groenewold was mijn meester. Ik keek vanuit de klas naar buiten over het veld naar mijn Eekhoornrade. Vanaf ons tweede portiek kwam de begrafenisstoet in beweging. Opa’s kist reed weg in de voorste auto, de familie volgde in de stoet van auto’s en ik huilde in de klas dikke tranen. Groenewold vroeg waar al dat verdriet vandaan kwam en een bereidwillige klasgenoot legde hem zonder omhalen uit dat mijn opa was doodgegaan. Vanaf dat moment hield de meester mij en de overzijde van het veld goed in de gaten. Toen de zwarte auto’s terugkeerden, stuurde hij me vriendelijk naar huis, naar de andere kant van het veld. Hij overlegde niets. Hij vulde er geen formulier voor in. De juffen en meesters deden hun werk op intuïtie en persoonlijk inzicht. De stapels dikke voorschriften om de educatieve eenheidsworst grootschalig te organiseren moesten nog komen.

In de loop van de jaren zestig kwam de beeldbuis onze kamers binnen. Naast Coco en de Vliegende Knorrepot, Tex Tucker met als herkenningsmelodie ‘Vier Verenval, mooie waterval…’ en Pipo de Clown was er één programma dat in mijn leventje een belangrijke rol speelde: Ivanhoooeee! Daar droeg ook de serie Classics Illustrated toe bij. Klassieke literatuur vertaald in stripverhalen en Kees, de zoon van de politieagent een paar portieken verderop, had zowat de hele serie. Een van de titels was Ivanhoe, naar de roman van Sir Walter Scott. Vaak las ik ’s avonds in bed bij het stiekeme licht van een zaklamp, verborgen onder de steeds heter wordende deken. Arendsoog, Engelandvaarders deel 1, 2 en 3, Biggles. Ik las over scheepsjongens naar Indië en over een Fries bootje met een automotor. Voor een paar duppies leende je Fulco de Minstreel, Het Slot op den Hoef en Alleen op de Wereld bij de bieb van de boekhandel aan de Rade.

Als jochie met een modelspoorbaan wist je 220 Volt tot 12 Volt te transformeren en de wissels en seinen op afstand te bedienen. We wisten meer van elektrotechniek dan de jeugd van tegenwoordig. Overigens was dat met meer knutselwerk het geval. Je pa timmerde van alles zelf in elkaar en een lekke band bracht je niet naar de rijwielhersteller, maar nam je zelf even ter hand.

Mijn haardracht was nog niet beïnvloed door de Beatles. Tussen de middag werd ik door mijn moeder naar de kapper in Het Zicht gestuurd. Die was al gebeld met de opdracht: opscheren tot het weer een keurig jongetje wordt!

In de klas waren rebelse kuiven en protesterende haartjes tot over de oren wel van grote invloed. Mocht je van thuis met zo’n kapsel naar school, dan stond je in het middelpunt van de belangstelling. Dus probeerde ik de kapper over te halen minder haar weg te knippen. Of ik ging niet, besteedde het kwartje in de snackbar aan de Rade aan drop en jokte thuis dat de kapper er een nieuwe stijl op na hield: bijknippen. Bij de familie Donker zette ik met de Brylcreem van Reinhold mijn kuifje rechtop. Met die staande sprietjes vond ik me in de spiegel op Elvis lijken. Maar je haar over het voorhoofd, oren bedekt? Geen denken aan.

De Marterradeschool had leraren van het betere soort. Veel oud-Indiëgangers als strenge Carli, Van Driel en Van Riem. En Burgemeestre, jawel, met ‘stre’ aan het einde. Opperhoofd De Bruin was zowel vriendelijk als respectabel. Naailes was voor meisjes en de jongens kregen handenarbeid. Eindeloos figuurzagen. Je trok Donald Duck over op triplex, zaagde de figuur uit en kleurde die in. En dan begon je aan Kwik, Kwek en Kwak. Juf Freusberg las elke vrijdagmiddag een hoofdstuk voor uit een spannend boek, zoals De Gestolen Rembrandt. Als iemand luidruchtig z’n neus ophaalde, sneerde ze: ‘Haal op die wekker, snot smaakt lekker!’ Het was feest als je op je verjaardag de klassen langs mocht om te trakteren. Juffen en meesters een bonbon en vriendjes een salmiakmunt of Atlas-drop.

Het leven op het veld tussen de Eekhoornrade en de Marterrade was avontuurlijk, onbezonnen en toch dagelijks zo normaal. Ik had er geen erg in hoeveel plezier me in de schoot werd geworpen. Na een aantal jaren werd een hoek van het grote veld bouwrijp gemaakt voor een kleuterschooltje. Vijf vierkanten. Vier lokalen met een verbindende entreehal in het midden. Het schoolpleintje er omheen werd ons paaltjesvoetbalveld. Je kon er kunstig kaatsen tegen de muur en zo iemand verrassend omspelen. Achter onze flat was een gemeenschappelijke tuin, met dwars daarop eengezinswoningen voor grotere gezinnen, vooral van Indonesische afkomst. Er heerste altijd een licht vijandelijke sfeer. Met blaaspijpen, ruim voor handen uit de bouwerijen, schoten we papieren pijltjes op elkaar. Die Indonesische jongens durfden meer. Zij wilden nog wel eens spelden in de punt meedraaien. Of was dat meer een mythe, die wij graag aan elkaar vertelden om de spanning op te voeren? In de lente vingen die jongens hommels in jampotten. Die keerden ze om in het midden van een plas. De winnaar bereikte als eerste de droge kant, de verliezers werden platgetrapt. Wij gooiden uit protest emmertjes water van het balkon, om daarna met de blaaspijpen de strijd weer op te pakken.

De voorzieningen in Bouwlust waren de eerste jaren beperkt. Kansen voor meneer Van Rijn, de charmante kaasboer. Mijn moeder sprak altijd met een glans in haar ogen over zijn bezoekjes. De broodkar van Hus en de aardappelboer met paard en wagen reden de straat in om de koopwaar huis aan huis aan te prijzen. Later werd op de hoek van de Eekhoornrade en de Bouwlustlaan een winkelcentrum gebouwd. De supermarkten kwamen, het winkelaanbod steeg en de langstrekkende verkopers verdwenen. We zagen de Kreade verschijnen, het buurthuis waar gemeenschappelijke dingen werden georganiseerd. Wij waren niet zo gemeenschappelijk. Mijn keurig nette vader werd op zijn voorkomen aangekeken. Op beleefd bezoek bij buren had de vrolijke opmerking van de pa des huizes, dat zijn vrouw alleen ‘sigaren met een bontkraag’ rookte, mijn vader bevestigd dat hij ‘in zo’n buurt niet thuis hoorde’. Mijn moeder had ooit een aanvaring met de Indonesische buurvrouw. Met vuur in haar ogen had die geschreeuwd dat ze van de Madoerese messentrekkers afstamde en dat ze ‘tjoeplok, tjoeplok’ met mijn moeder ging doen. ‘Dag mevrouw’ had mijn moeder geantwoord. Ze sloot de deur, die nooit meer openging op de momenten dat die buren zich in het portiek begaven.

Zo vreselijk als mijn pa en ma het vonden, zo heerlijk heb ik het er gehad. Het enorme veld maakte mijn jeugd tot een groot feest. Ik rijd nog wel eens door Bouwlust, sta even stil voor het portiek aan de Eekhoornrade en kijk uit over het veld, nu aangeharkt tot een park. Dan stuitert de voetbal weer op, hakken de houten zwaarden er op in en suizen de papieren pijltjes langs mijn hoofd.

Frits Hendrik Emmerik
fhe@communicatiekunsten.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann