Herinneringen van een straatjoch

Dit verhaal geeft een kijkje in hoe het in een zekere straat verging en nog steeds vergaat. Het is géén fictie, maar pure realiteit en omdat de Drebbelstraat in Laakkwartier nog steeds bestaat, is het verhaal over deze straat nog altijd niet uit.

Het is in de jaren 1934-1936 als er een rij huizen staat met aan de overkant een onbebouwd stuk grond, maar daar komt verandering in. Er wordt gebouwd en gebouwd en in 1938 staan er ook huizen aan de andere zijde. Er is een nieuwe straat geboren en een echtpaar met drie kinderen, waaronder ikzelf, steekt de sleutel van hun nieuwe woning in het slot. Afkomstig uit een ander gedeelte van de stad is deze woning in ieder geval wel wat ruimer en heeft een voor- en achtertuin.

Ikzelf ben maar net drie jaren oud en in het bezit van pap, mam, een zus en een broer. Ongeveer anderhalf jaar later verschijnen er vanuit het oosten vliegtuigen in de lucht en komen er nieuwe bewoners in de buurt wonen. Zij zijn heel anders gekleed, zien er vreemd uit en dragen geweren en zo. De honger slaat toe, kleding en dergelijke is niet meer te koop, dus op blote voeten lopen is een normaal verschijnsel in mijn straat. Bijna halverwege de oorlog (maar dat weet ik dan nog niet) zijn er steeds meer mensen die een ster dragen. Paps is afgevoerd naar Duitsland, want daar is meer werk, zegt mijn moeder en de beide families aan de overkant die een ster dragen zijn volgens mam verhuisd. Niet lang daarna zijn alle mensen die een ster dragen uit het straatbeeld verdwenen, zeker allemaal verhuisd! Het moet wel heel erg zijn als al die mensen verhuizen en als ik er naar vraag bij mijn moeder kijkt ze zó verdrietig. Zó intens verdrietig. Bloembollen en ook suikerbieten staan op het menu, aangevuld met een luizige boterham per dag. Ik ben inmiddels vel over been, of been zonder vel, dat kan ook wel, mijn maatje schoenen is te klein en mams kan geen grotere kopen, dus ik loop de ganse tijd op blote voeten. Na een periode van vijf jaren verdwijnen de mannen met de geweren uit het straatbeeld, de oorlog is afgelopen, zegt mams. Gelukkig komt mijn pa ook weer thuis. Bijna iedereen in de straat leeft nog, maar er zijn ook al enkele kinderen overleden, te weinig eten, waaronder een van mijn vriendjes. Het leven wordt wel iets prettiger, zelf speel ik graag op mijn mondorgel en een joch uit een andere straat komt dan meespelen op zijn trompet. Hoe dat klonk? Ik zou het niet weten. Ik ben een linkspoot (en linkshandig), dus heb bij het voetballen altijd een voorsprong op rechtsbenigen, want die spelen maar eens in de zoveel tijd tegen een echte linkspoot en ik altijd tegen rechtsbenigen. De straat is kinderrijk, dus vriendjes en vriendinnetjes te kust en te keur.

Harley Davidson
Onze buurman heeft als enige in mijn straat een motor, een Harley Davidson met zijspan, die laat hij altijd even lekker knallen voordat hij wegrijdt. Hij is heel aardig en vertelt dat hij is geboren in de sinjorenstad Antwerpen. Op de hoek aan de overkant woont ‘centenbakkie’, een aardige stille man die zo wordt genoemd omdat hij altijd met hevig schuddende handen over straat loopt. Een andere bekende figuur in mijn straat is Manus. Als het winter is maakt hij met zijn lange bezem altijd het ijs op de sloot schoon. We maken een lange ijsbaan van wel twaalf meter en scheuren er over heen met onze sokken nog aan. Vindt mams zo geweldig, heeft ze weer wat te wassen! Waar Manus gebleven is? Als het geen winter is, ga ik naar die sloot om salamanders, duimdikke stekelbaarzen (roodkaken noemden wij die) en kikkervisjes – feitelijk hun voorgangers: donderkopjes – te vangen. In die sloot zwemmen ook bloedzuigers en waterluizen. In een oude zinken emmer schep ik een gelatine-achtige gelei uit het water voorzien van kleine zwarte bolletjes. Meestal sleep ik ook stekelbaarsjes en aaltjes mee naar huis om die in een teil met slootwater te gooien. Slierten groen en kroos erop en afwachten of de donkere stipjes in donderkopjes met pootjes van gedaante veranderen. Na ruim een week zijn de donderkopjes verandert in kikkertjes en vindt pa het tijd dat ik mijn verzameling weer in de sloot deponeer. De salamanders waren nergens meer te vinden, die hebben zelf al eerder de kuierlatten genomen.

Meisje van de snoepwinkel
Ik ben inmiddels een jaar of veertien en scharrel een beetje met het meisje van de snoepwinkel op de andere hoek, zij is zelf het lekkerste snoepje van de gehele winkelvoorraad… Bij het zoenen zegt ze: ‘Je moet tongen.” Weet ik veel wat dat is, maar zij leert het mij wel. Na een maand of drie is deze bevlieging weer over en doe ik wat ik het liefst doe, voetballen in een echte club en chromatisch mondharmonica spelen, want zo’n diatonisch blaasapparaat is voor amateurtjes, toch! Het avontuurtje met mijn eerste liefje zorgt er voor dat ik wat meer om mij heen kijk naar de andere meisjes in mijn straat, volgens mij ben ik iemand van de inspectiedienst. Het straatbeeld wordt mede bepaald door de winkels die je op vrijwel iedere hoek van de straten aantreft, de bakker, groenteboer, slager, melkboer, kappers en – niet te vergeten – de waterstoker. In die tijd is het nog autoluw en spelen we op straat spelletjes als hossebok, diefje met verlos, schipper mag ik overvaren en vele anderen. Onze buurvrouw overlijdt en haar man verhuist enige tijd later naar België, zijn Harley gaat mee. Ik koop een gitaar en speel buiten gezeten in de Japanse bloemenzit-lotushouding op een tuinpaal mijn lievelingsnummer Cry van Johnnie Ray.

Ik zing inmiddels met twee anderen in een, hoe kan het ook anders, zangtrio en speel in een mondharmonica-vereniging. Als gevolg van de oorlog neemt het aantal buurtbewoners stilletjes af, zowel ouderen als jongeren. Een van mijn allerbeste voetbalvrienden met wie ik ook vaak ga stappen, overlijdt aan een hartstilstand, er rest mij nog alleen een bidprentje met zijn foto erop, dat ik soms nog wel eens tevoorschijn haal. In 1962 trouw ik met mijn vrouwtje. Zij schenkt mij twee kinderen, een jongen en een meisje, niet tegelijkertijd, hoor. We verlaten mijn straat voor een paar jaar om ergens anders te kunnen inwonen. Ons derde kindje wordt een boxerpup die we de naam Maikie geven, na een jaar is hij al wat groter en treedt op als beschermer van onze kinderen. Als ik dertig ben, keer ik terug in mijn straat, want de woning schuin boven die van mijn ouders is leeggekomen, zo heb ik vernomen via een tip van de buren die naar Amsterdam verkassen. De straat ziet er nog steeds schoon uit, want alle buren schrobben en vegen mee. Verscheidene van mijn buurtkinderen zijn inmiddels ook getrouwd of met hun ouders naar een nieuwe wijk getrokken. Vreemd om te ervaren dat vrienden en vriendinnetjes er niet meer zijn. Hun plaats wordt ingenomen door nieuwe bewoners. Zoon en dochter gaan inmiddels naar school en brengen soms vriendjes mee, dat is weer eens wat anders. Treurig, als onze dochter 12 wordt, komt haar opa, mijn vader, te overlijden. Hij had nog steeds de naweeën van de oorlog (waarover hij nooit wilde vertellen) en was versleten van het zware werk dat hij achter zich had gelaten. 72 jaar is hij geworden. Zo langzamerhand overlijden er steeds meer oude bekenden uit mijn straat en in de jaren tachtig is bijna iedereen die vol goede moed in hun nieuwbouwwoning kwamen wonen naar hoger sferen vertrokken. Het straatbeeld verandert, er komt een auto in de straat, en nog een, en nog een, zij vormen langzamerhand een parkeerprobleem en zorgen ervoor dat veel van onze kinderspelletjes verleden tijd zijn. Inmiddels is jammer genoeg ook onze boxer overleden, hij is maar net tien jaar geworden.

Wijkpark
In de jaren 1989 tot en met 1991 wordt het kloppend hart van mijn straat geamputeerd. De twee grootste blokken woningen met de even huisnummering van 50 tot en met 280 worden gesloopt om plaats te maken voor een wijkpark. Ook de straat evenwijdig aan de mijne gaat tegen de vlakte, maar dan met de oneven huisnummers 25 tot en met 289. In totaal kom je dan op ongeveer 245 woningen. Van de dwarsgelegen straten verdwijnen ook nog eens korte stukken met in totaal 80 woningen. Al met al kost de aanleg van het wijkpark zo’n 325 woningen. Toeval? Toeval bestaat niet, want de woning die mijn ouders betrokken, had 325 als huisnummer! Al met al; als je dit getal met 4 vermenigvuldigt kom je op ongeveer 1.300 bewoners die hun heil ergens anders moesten zoeken. Het snoepwinkeltje met mijn voormalig snoepje is ook ter ziele, leve de vooruitgang. Hoe verzinnen ze het? Feitelijk is dat gedeelte nu geen straat meer.

Ikzelf behoor nu tot de nieuwe oudere generatie. De voortuinen in de straat veranderen veelal in betegelde oppervlakten zonder beplanting, want dat vinden veel nieuwkomers gemakkelijker te onderhouden. De consumptiemaatschappij doet haar intrede in mijn straat, gezien het vele zwerfvuil bestaande uit plastic en andere verpakkingsmiddelen. Waar is de tijd gebleven toen de buurtbewoners er nog voor zorgden dat de straten er schoon uitzagen?

Mijn straat van toen is verdwenen, hij is er nog wel, maar allen met wie ik de straat heb gedeeld hebben de straat verlaten. Mijn straat is mijn straat niet meer, of toch wel? Want ik woon er nog. Het is nu al 80 jaren geleden dat ik in mijn straat kwam wonen. Ik loop nog altijd drie jaren voor op de straat, maar eens komt de tijd dat mijn rikketik niet meer tikt en de straat mij inhaalt. De straat denkt dan vast wel met een weemoedige glimlach: in mijn straat woonde een joch die…

Joop Strous
j.a.stro@casema.nl

Drebbelstraat 210-328 (1965). Foto: Dienst Stedelijke Ontwikkeling, collectie Haags Gemeentearchief

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann