Een lofzang op Den Haag uit 1668

Precies 350 jaar geleden verschijnt in Den Haag de stadsbeschrijving, getiteld: ’s Graven-Haghe, Met de voornaemste plaetsen en vermaecklyckheden van Jacob van der Does.

De wortels van het genre ‘stadsbeschrijving’ liggen bij de zestiende-eeuwse humanisten. Één van hen, de Italiaan Lodovico Guicciardini (1521-1589), koopman in Antwerpen en ‘amateurhistoricus’, schrijft onder andere Descrittione di tutti i Paesi Bassi, altrimenti detti Germania inferiore, een complete geschiedenis van de Nederlanden, in 1567 in Antwerpen uitgegeven. In dit boek worden vier bladzijden aan Den Haag gewijd, volgens de auteur het mooiste en rijkste dorp van Europa.

Twee drukken in één jaar
Van der Does schrijft veertig keer zoveel pagina’s over zijn ‘Haegje’. In 1668 verschijnt de eerste druk bij Hermanus Gael ‘Boeckverkooper woonende in de Hof-straet, in den Koninglijcken Bybel’. Hetzelfde jaar nog brengt Joh. Tongerloo ‘Boeckverkooper woonende in de Venestraat in de Thien geboden’ de tweede druk uit. Deze is verrijkt met vijf geëtste prenten: ‘het Voor Hout’, ‘het Hoff’, ’t huijs te Riswijck’, ‘De Nieuwe Kerck’ en ‘Schevelinck’. Klapstuk is de schitterende plattegrond van de stad met minutieus gegraveerde huisjes en bomen, onder andere voorzien van de wapens van Holland en Den Haag. Al dit fraais is van de hand van Cornelis Elandts, die tussen 1660 en 1670 in Den Haag werkzaam is als schilder, etser en tekenaar.

Karakterschets
Van der Does giet zijn berijmde beschrijving van Den Haag in de vorm van een denkbeeldige wandeling door de stad. Hij wijst zijn publiek op levendige taferelen: verkoop van koren, groenten, vis, ossen, koeien, varkens, bloemen – ja, zelfs fruitbomen – op diverse markten in de stad, eten en drinken in herbergen, minnekozende paartjes, enzovoort. Vooral de liefde en het belang van een echtverbintenis voor vrouwen – als vrijster missen ze de veilige haven van het huwelijk – hebben zijn aandacht.

Ondertussen geeft hij zijn lezers levenslessen mee, vaak van theologische en morele aard. Vaderlandse geschiedenis komt uitvoerig aan bod: de prinsen Maurits en Frederik Hendrik, maar ook zeehelden als Tromp, Van Heemskerck en Van Galen passeren de revue. In de Grote Kerk staat hij met zijn fictieve medewandelaars uitgebreid stil bij het nog kersverse praalgraf van Jacob van Wassenaar van Obdam, die tijdens de Tweede Nederlands-Engelse Oorlog op zee in 1665 het leven laat. Herhaaldelijk vergelijkt hij onze vaderlandse helden met grote mannen uit de klassieke oudheid. Veelvuldig citeert hij uit het werk van Romeinse schrijvers, zoals Cicero, Juvenalis, Seneca en Vergilius. Zónder vertaling: zijn doelgroep is de geletterde bovenlaag van de samenleving. Niet voor niets begint zijn boek met een brief aan ‘Schouth, Borgemeesteren, Schepenen ende Regeerders’ die hij al bij voorbaat de hemel in prijst. Hij ondertekent met ‘Alderootmoedigsten dienaer Jacob van der Does’. Maar de ‘alderootmoedigsten dienaer’ weet dondersgoed wat pr is: hij laat zich zich bij voorbaat door verschillende dichters, ‘Constanter’ (Constantijn Huygens) en Jacob Westerbaen voorop, lof toe zwaaien voor zijn poëtische beschrijving van Den Haag.

Van der Does schenkt weinig aandacht aan gebouwen. Daarin wijkt hij af van de beschrijvingen van andere Hollandse steden als Amsterdam, Haarlem en Leiden.

Eindelijk op pad
De eigenlijke wandeling door ’t Beroemste Dorp of Vleck van gansch Europa’, met een knipoog naar Lodovico Guicciardini, begint pas na dertig bladzijden, in het Haagse Bos: de ‘koninklijke weg’ voert langs Huis ten Bosch, een meesterwerk van Pieter Post, en gaat richting Lange Voorhout, toén al beroemd om zijn bomen. Dat beschrijft Van der Does zeer uitgebreid. Niet de statige panden aan weerszijden maar de levendigheid op deze laan krijgt alle aandacht: er wordt geflaneerd, de nieuwste mode wordt er gedemonstreerd en koetsen met hooggeplaatsten rijden af en aan. Precies zoals Elandts dat tekent. Uitgebreid gaat Van der Does in op de jongemannen die ’s avonds vanaf negen uur – het is zomer – meisjes het hof maken. Hun ‘liefde’ lijdt vaak schipbreuk:

Een ander, die hier niet veel beter is gevaren,
Die komt en klaeght zijn noodt en ongeluck de blaren,
En zeyt, ’t is dezen boom, daer ick dat droevig woordt
Van neen, heb uyt den mondt van Isabel gehoort.

‘Rijswijck’
Nadat Van der Does het oosten van Den Haag verkend heeft, gaat hij zuidwaarts en verlaat de stad voor een kort bezoek aan ‘Rijswijck’. De weg ernaar toe is, evenals de zeestraat naar ‘Schevelinck’, geplaveid: de zelfbewuste Republiek die met koetsen geaccrediteerde gezanten aan de Hoornbrug te Rijswijk ophaalt nadat ze uit de trekschuit zijn gestapt, maakt liever geen gebruik van onverharde wegen. Bovendien heeft ‘Rijswijck’ nog ándere connecties met Den Haag:

Nu kan den Adel met haer Koetsen hier gaen rijden,
En haer verlustigen by soete Somer tijden,

Of naer het Princen-huys door Rijswijck heenen gaen, *(1)
En sien dat schoon gebouw met een verwond’ringh aen;
Dit pleegh den Lusthof van dien grooten Prins te wesen:
Den dapp’ren Maurits, die syn Vyant dede vreesen
Voor het geluyt alleen van syn beroemde Naem:
(Soo klonck door ’s Weerelts ront syn loffelijcke faem)
Hadt hier syn Paerde-stal, en alsmen noch geen steden
Belegert hadt, of niet te Veldt en was getreden,
Soo ging hy daeg’lycx hier een uer twee drie besteen,

*(1) Dat kostelijck Gebouw, dat Prins Frederick Henderick buyten het Dorp van Rijswijck heeft doen setten.

Terug in Den Haag
Op het Spui aangekomen beschrijft Van der Does onder andere de Nieuwe Kerk:

Dat geestelijck Paleys, dat kostelijcke werck;
Dat swaer gebouw, het geen steunsels
of pilaren *(2)
Heeft onder sijn gewelf; en evenwel de jaren
Soo wel sal uytstaen, naer ’t gevoel der Timmerlien,
Al of ’t met steunsels, en pilaren was voorsien.
Dit is een vreucht voor Godt, een lof voor d’ Overheden,
Dat men de Kercken siet vermeerd’ren in de Steden.
En dat de Godtsdienst, die een zuyl is van ons Landt,
Met Waerheyt werd geleert, en yver voort geplant.

*(2) De Nieuwe Kerck is gebouwt sonder een eenige Pilaer, dat een wonder schijnt voor alle vreemde Bouwmeesters.

Vervolgens voert de wandeling langs het Plein en de ‘Korte-Poote’ richting ‘Princelijcke Gracht’ waarover de waren uit het ‘vette Westlandt’ worden binnengevaren. De vele markten langs die ‘schoonste Gracht’ beschrijft hij levendig, aan de bloemenmarkt voegt hij een memento mori toe:

Hoe menigh is’er die de bloemtjes gaet bekijcken,
En met een stil gemoet haer self daerby gelijcken:
Die denckt, gelijck die bloem seer haestich sal vergaen,
Soo sal’t oock met mijn Jeught seer schielijck sijn gedaen.

Daarna worden het Westeinde, de Grote Kerk en het stadhuis voor het voetlicht gebracht. Van der Does slaat de vismarkt niet over:

‘T is een vermaeck om sien, hoe dat de menschen woelen,
En ondereen, wanneer het vis-dagh is, krioelen:
Hier hoor je Nies
*(3), die roept, so veel sy roepen kan:
Hoe! ouwe kennis, soo voorby? spreeckt doch eens an:
‘K heb wat voor jou bewaert; sie daer! dat benne Tongen!
Dat is Bruyts-hooft-doeck: maer se worden al edongen.
Of soeck je schoone Schol, of Terrebot, of Griet?
Hier heb ick noch wat puycks, as klare wrongel, siet!

*(3) Een van de principale Vissch-verkoopsters.

‘Wonder-werck’
En dán wordt het noorden van de stad verkend. De nog niet zo lang daarvoor bestrate Scheveningseweg wordt als eerste beschreven:

In ’t Noorden heeft den Haegh geen lustige Waranden,
Geen bossch, noch Wey, maer Zee en aengenaeme Stranden,
En Duynen, daer voor dees’ in grooten overvloet
‘T Konijn tot spijs, en tot vermaeck wierdt aengevoedt.
Nu ister uytgeroeyt, op dat het aen geen Bomen
Die langs de straet-wegh staen, by hongers noodt sou komen,
En schenden ’t jonge hout, dat moog’lijck metter tijdt
Een schaduw geven sal, daer niemant hette lijdt.
Dit is een Wonder-werck, dat sulcke hooge sanden
Geeffent zyn, gelijck een vloer, door menschen handen;
En dat die Bergen zyn verandert in een straet:
Die van den Haegh tot aen het eyndt van Schev’ling gaet.

De nieuwe weg naar Scheveningen is breed: twee of drie koetsen kunnen er naast elkaar rijden. Vissers kunnen Den Haag nu sneller bedienen. Van der Does wandelt het ‘wonder-werck’ niet op, maar buigt af naar het Noordeinde.

Oude Hof
Blikvanger daar is het Oude Hof, nú het werkpaleis van koning Willem-Alexander. Van der Does zoomt niet in op het gebouw zelf, maar op de hooggeplaatsten die er gewoond hebben of ontvangen zijn.

Via de Hoogstraat, die hij wat betreft de nering en het gewoel op de Warmoesstraat in Amsterdam vindt lijken, gaat hij naar het Buiten- en vervolgens Binnenhof. De beschrijving van de ‘schoone Saal’, voor ons de Ridderzaal, is kort.

Maar Van der Does ontbreekt het bijna aan woorden om de voortreffelijkheden van de Oranjes en hun favoriete bezigheid, de jacht, te bejubelen.

Slot
De wandeling zit erop. De lofzang op Den Haag eindigt als volgt:

Gaet heen dan Haegje, en vertoont u aen de menschen,
Al wie u siet, die sal naer u vermaecken wenschen.
Geen aengenamer Plaets, bedeckt het blaeuw gewelf:
Al is het Rijm dan slecht, den Haeg die prijst haer self.

Frans Holtkamp
fcmh@xs4all.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann