Het keurige pak van mijn vader

We schrijven mei 1946, in het toenmalig Indië. De Japanse bezetting was voorbij, de concentratiekampen waren door de Engelse militairen bevrijd, en de grote (voor velen gedwongen) uittocht naar Nederland was begonnen. Zo ook voor mijn familie, vader, moeder, mijn drie broers en mij. De meeste reizigers gingen per boot, maar wij werden gevoegd bij een groep mensen die per vliegtuig zouden gaan. Dat ging in die tijd niet zo snel als nu, wij hingen vijf dagen in de lucht. ’s Nachts daalden we, overnachtten in een of ander hotel en vertrokken de volgende ochtend weer vroeg. Ik herinner me – ik was toen 14 jaar – nog enige plaatsen, o.a. Bangkok, Karachi en Caïro. Caïro was de laatste plaats voor we op Schiphol zouden landen, en Caïro is de plaats waar dit waargebeurde humoristische drama plaatsvond.

Aan alle Holland-gangers werden kleren uitgedeeld. Voor ons vliegers gebeurde dit in Caïro. Giften van het Rode Kruis, uitgedeeld door de RAPWI, Recovery Allied Prisoners of War and Internees. Heel lief, natuurlijk, maar echte kwaliteit was het niet, en helemaal passen deed het ook niet. Maar goed, daarom niet getreurd, een kniesoor die daarop ziet, we waren blij met wat we kregen. Mijn vader kreeg dus een kostuum met toebehoren, mijn moeder een jurk en de kinderen kinderkleren. We namen ons voor deze nieuwe kleding pas tegen de avond aan te trekken, als we gingen eten in het hotel waar we ondergebracht waren.

U moet zich goed realiseren, dat alle reizigers uit Indië met niets naar Holland kwamen. We kwamen uit de Jappenkampen, alles maar dan ook alles was ons door de Jappen afgenomen, ook onze huizen. We bezaten alleen wat we aan ons lijf hadden, graatmager als we waren. En zoiets luxueus als een hotel en een eetzaal, vóór de oorlog toch heel gewoon, hadden we in vijf jaar niet meegemaakt. We verheugden ons dus enorm op ons avondeten in een echte eetzaal, mooi gekleed in onze gekregen kleren. Maar eerst gingen we de piramides bekijken, indrukwekkend was dat.

Etenstijd
Avond, etenstijd. Nu zou het gebeuren. Wij verkleedden ons zorgvuldig. Mijn moeder en wij kinderen waren op een gegeven ogenblik klaar, maar mijn vader was nog bezig. “Gaan jullie maar alvast”, zei hij, “en zoek een goede plaats.” Dat deden we. Wat mooi allemaal! De enorme eetzaal bestond uit twee gedeelten. Een grote zaal, dan brede trappen van vier treden naar beneden, en daar weer een zaal. Het was er al aardig vol, druk babbelende mensen zaten aan de tafeltjes. Wij liepen door het eerste deel heen, gingen de trap af en vonden een tafeltje helemaal aan de achterkant, bij het raam, met uitzicht op de tuin. Prachtig! We gingen zitten en we wachtten tot mijn vader zou verschijnen. In zijn kostuum. Het duurde even, en het duurde nog weer even. Waar bleef hij nou! En ja hoor, daar kwam hij, in zijn kostuum. Hij moet zich wel goed gevoeld hebben. Hij had immers vóór de Jappen kwamen , een goede positie gehad en was altijd gewend geweest goed gekleed te gaan. Maar in het Jappenkamp had hij als gevangene een paar jaar uitgehongerd rondgelopen in een vuile kapotte oude korte broek, net zoals wij in minieme kleding, met dezelfde honger, in onze kampen rondliepen. En nu, deze avond, kon hij weer, als heer verkleed (nou, ja) zich ergens presenteren. Hij kwam dus binnen, en liep door de eerste zaal. Wij keken naar hem en zagen toen, dat alle mensen aan de tafeltjes naar hem keken. Allemaal. Bij elk tafeltje dat hij passeerde, draaiden de eetgasten zich om en staarden hem na. Hij merkte het zelf ook en hij rechtte zijn rug. Even was hij weer de Toean Besar. Mijn moeder was trots. Hij kòn het nog! Zie iedereen eens kijken!

Min vader was de eerste zaal doorgelopen, kwam de trap af en schreed naar onze tafel. En ook in deze tweede zaal keken alle gasten hem na! Eindelijk stond hij bij ons. Helemaal in zijn rol van heer in zijn keurige kostuum. Hij pakte een stoel en draaide zich om, om te gaan zitten. En wat zagen wij? Wat zagen wij? Op zijn rug, vanaf de kraag van zijn jasje, hing een touwtje. En aan dat touwtje hing een vrij grote kaart. En op die kaart stond met duidelijke letters geschreven: ‘Gift Red Cross’. Bij het aankleden had mijn vader deze kaart kennelijk niet opgemerkt. Even waren we stil. Ongelovige ontzetting beving ons. Toen kwam mijn moeder weer tot zichzelf en gauw stopte ze dat kaartje achter het jasje. Mijn vader ging zitten, en toen hebben we erom gelachen, wijs geworden als we waren in de oorlogsjaren. Mijn vader waarschijnlijk een beetje met gemengde gevoelens, wat natuurlijk heel begrijpelijk is. Zo komt hoogmoed voor de val! We hebben toen lekker gegeten, en de volgende dag landden we op Schiphol. Maar dat is weer een verhaal apart.

Renee van Alphen
r.j.a.alphen@gmail.com

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann