Belevenissen op park Sorghvliet

Mijn vader, Geert Pouwels, was beheerder van park Sorghvliet van 1962 tot 1980. Van 1964 tot 1980 hebben mijn ouders daar ook daadwerkelijk gewoond in de dienstwoning bij de ingang van het park aan de Scheveningse weg. Zelf heb ik daar ongeveer 7 jaar bij mijn ouders gewoond.

Voor 1964 woonde de familie Worries in dat huis. Zij hadden een prachtige Duitse herder die Kazan heette en die bij ons bleef toen zij vertrokken. Ik vond dat geweldig. Om in een dergelijk prachtig park te wonen was natuurlijk bijzonder. En voor een 14-jarige jongen vooral spannend. De eerste tijd dwaalde ik na sluitingstijd samen met de hond vaak door het park om alles te ontdekken. Achter in het park, in een toen afgerasterd gedeelte, lag een ongebruikt zwembad dat in de tweede wereld oorlog door de Duitsers gebouwd was. De Duitsers gebruikten het park als opleidingscentrum voor hun geheime dienst. Later is dat zwembad met grond dicht gegooid en is ook dat gedeelte van het park voor het publiek opengesteld.

Ook mijn vrienden vonden het natuurlijk altijd interessant om het park te verkennen en in het meertje te vissen. Later vond ik het geweldig om met een vriendinnetje samen na sluitingstijd de hond uit te laten en gezamenlijk van de natuur te genieten…

Begin zestiger jaren werd besloten om van het Catshuis de dienstwoning van de minister-president te maken. Het Catshuis ligt in een afgesloten gedeelte van het park met een aparte ingang op de hoek van de Johan de Witlaan en de Adriaan Goedkooplaan. Marijnen was de eerste minister-president die daar in 1964 ging wonen. In 1966 gevolgd door Cals. Voordat mevrouw Cals al haar gordijnen had opgehangen in het grote Catshuis zorgde “de nacht van Smeltzer” er voor dat hij ruim een jaar later door minister-president De Jong werd afgelost. Die hield het in elk geval 4 jaar vol. Barend Biesheuvel en Den Uyl hebben het Catshuis wel voor vergaderingen en partijen gebruikt maar zijn er niet gaan wonen. Wat Den Uyl betreft: dat vond mijn vader als verstokte ARP’er beslist niet erg. Toen Den Uyl zich een keer voor kwam stellen heeft mijn vader hem een stevige boswachter handdruk gegeven. Daarna bleef hij uit mijn vaders buurt.

Soms was er spoedoverleg in het Catshuis en werden er ministers met een helikopter ingevlogen. Er werd dan geland op een aangrenzend veld in het park. Dat veld werd dan afgezet door de politie en de brandweer was ook aanwezig. Dan ging ik natuurlijk ook even kijken. Toen Ruud Lubbers, toenmalig minister van economische zaken, werd gebracht met een helikopter vond hij dat er ook wel in de tuin van het Catshuis geland kon worden. Dat ging prima maar het ging wel ten koste van het tuin ameublement en de bloementuin die door de enorme luchtverplaatsing van de helikopterrotors de lucht in gingen. Ook de politie en brandweer, die braaf op het veld in het park waren opgesteld, stonden enigszins voor aap. Tijdens mijn vaders dienstverband als beheerder van het park kwamen er veel minister-presidenten voorbij, dus zijn “job security” was wel een heel stuk beter.

Het ommuurde park Sorghvliet is omgeven door ambassades. Aan de Adriaan Goedkooplaan de ambassade van de Chinese Volks Republiek. Op de hoek van de Johan de Wittlaan en de Jacob Catslaan liggen de Russische en de Indonesische ambassades. Allemaal op korte afstand van de muur van het park. Leden van de Russische en Chinese ambassades kwamen regelmatig wandelen in het park. Ze waren nooit alleen, altijd met een groep. Blijkbaar was het onderling vertrouwen niet groot. Er zou er eens een tussenuit willen gaan.

Het was toen een turbulente tijd met veel reuring. In juli 1966 waren een groep Chinese ingenieurs op bezoek en ondergebracht in een huis op de Prins Mauritslaan. Een van die ingenieurs had het blijkbaar helemaal gehad met Mao’s volksrepubliek en knoopte een paar lakens aan elkaar en probeerde van de tweede etage naar beneden te klimmen. Helaas waren de lakens en/of knopen blijkbaar van toenmalige Chinese kwaliteit. Ze braken en hij stortte naar beneden. Hij werd gewond door zijn collega’s naar binnen getrokken maar de gewaarschuwde politie en ambulance arriveerden, haalden de man uit het pand en voerden hem af naar het Rode Kruis Ziekenhuis. Toen hij daar op de eerste hulp onderzocht werd kwam er ambassadepersoneel het ziekenhuis binnen gelopen, pakten de man op en stopten hem in een auto en voerden hem af naar de Chinese ambassade.

Dat kon de Nederlandse regering niet over zich heen laten gaan en zij eisten dat de man vrijgelaten zou worden maar dat gebeurde niet en hij overleed een paar dagen later.

Nu wilden de politie en Nederlandse regering de overige ingenieurs ondervragen. Deze waren in allerijl in de ambassade ondergebracht. Door de diplomatieke onschendbaarheid konden de Nederlandse autoriteiten het gebouw niet betreden. De Chinezen weigerden de heren uit te leveren en dat leverde een bezetting van de ambassade door politie en binnenlandse veiligheidsdienst (BVD) op voor 5 maanden. Iedereen die in- en uit het gebouw ging werd gecontroleerd. De ingenieurs lieten zich niet zien. De Chinezen op hun beurt verklaarden de toenmalige Nederlandse zaakgelastigde “Persona Non Grata” maar heel tegenstrijdig mocht hij China niet uit.

De politie en BVD begonnen na 5 maanden wel genoeg van te krijgen van deze uitzichtloze situatie maar de Chinezen gaven geen krimp. Dus een hoofdpijndossier voor de toenmalige minister-president Cals. Toen Cals moest aftreden kon zijn opvolger De Jong er zonder te veel gezichtsverlies een eind aan maken. Aan de ingenieurs mochten op Schiphol in bijzijn van andere Chinese diplomaten wat vragen gesteld worden en daarna op het vliegtuig terug naar China. Op de trap naar het vliegtuig riepen ze nog even hoe groot Mao was. Ook de Nederlandse zaakgelastigde Jongejans mocht weer naar huis.

Ook in 1966 werd de Indonesische ambassade in de brand gestoken door Molukse jongeren. Dit omdat zij kwaad waren dat hun leider in Indonesië Soumokil door het Suharto-regime was geëxecuteerd. Na de daad klommen zij over de muur en ontkwamen door het park Sorghvliet.

Tijdens deze gebeurtenissen en ook omdat de Russen zich regelmatig in het park vertoonden, waren de BVD en politie regelmatig in het park aanwezig.

’s Morgens tijdens de koffie en ’s middags bij de thee was er vaak wel iemand van deze heren op bezoek. Mijn ouders hielden hier wel van en het was altijd een gezellige boel. Vooral de BVD’ers, vaak oud-Indië-gangers, hadden altijd wel mooie verhalen.

De BVD vond het nodig om mij ook in te lichten over wat er gaande was. Ik werkte toentertijd bij een hout- en ijzerwinkel in de Reinkenstraat en was er ’s avonds aan het overwerken toen er een zwarte Mercedes voor de deur verscheen. Mijn vader stapte uit en vroeg of ik even in de auto wilde komen. Mijn baas en zijn vrouw keken hun ogen uit. Je zag hun denken: wat heeft die nu weer uitgevreten. In de auto werd mij uitgelegd wat ik allang wist en ik moest plechtig geheimhouding beloven. Toen ik weer uit de auto gezet werd realiseerde ik me dat ik wat had uit te leggen aan mijn baas en echtgenoot. Ik kwam toen met een smoes dat ik te hard met m’n brommertje had gereden. Het kwam niet echt geloofwaardig over.

Overigens kon het ook voordelen hebben dat mijn vader zoveel politieagenten kende.

Op 16-jarige leeftijd had ik natuurlijk wel een bromfiets. Als rasechte Hagenaar een Puch met hoog stuur. Toen ik op een avond wat te hard en met wat teveel lawaai over de Jacob Catslaan reed kwam er een politieauto achter mij aan. Ik was toen heel dicht bij een stukje fietspad op de hoek bij de Johan de Wittlaan waar paaltjes stonden zodat er geen auto’s door konden. Dus ideaal dacht ik om aan een bekeuring te ontkomen. Helaas werd ik aan de andere kant door de politie opgewacht die daar de Russische ambassade in het oog hielden. Te hard rijden, teveel lawaai en aan de politie proberen te ontkomen; dat was een slechte combinatie. En ik had natuurlijk geen legitimatie bij me en ze geloofden niet dat het adres op Scheveningseweg wat ik opgaf, waar was. Dus werd ik met bromfiets en al in het busje geladen en naar het politiebureau Archimedesstraat gebracht. Daar werd mijn vader opgebeld en verteld dat hij mij maar van het bureau moest komen halen. Mijn vader zei dat dit goed uitkwam, want hij moest de volgende morgen toch in de buurt zijn. Dat was natuurlijk niet de bedoeling en nu zaten ze met mij in hun maag. Dus werd ik netjes in een politieauto thuisgebracht. Gelukkig kende een van de agenten mijn vader goed en ze werden uitgenodigd voor de koffie. Na een halfuur gezelligheid was het verdict dat ik de volgende morgen mijn bromfiets mocht ophalen en binnen een week moest tonen met een nieuwe uitlaat. En geen bekeuringen dus.

Toen ik ongeveer een jaar of 16 was, besloot mijn vader dat ik auto moest leren rijden. Daar had ik natuurlijk geen enkel bezwaar tegen. Na sluitingstijd van het park gaf hij mij eerst wat avonden les en daarna mocht ik alleen wat rondjes rijden. Dat ging steeds beter en steeds harder. Tot ik op een avond na een bocht opeens twee mensen moest ontwijken. Dat bleken bij nader inzien minister-president Marijnen en een marechaussee te zijn, die besloten hadden om na sluitingstijd van het park daar te gaan wandelen. Natuurlijk kwam er een klacht daarover binnen bij mijn vader. En voorlopig mocht ik geen rondjes meer rijden. Dat hield aan tot Cals aan de macht kwam. Later zei mijn vader: “Ik zag de kop al in de krant staan: ‘Zoon boswachter rijdt minister-president aan’.”

Dat mijn vader mij zo nodig zo vroeg auto leerde rijden was eigenbelang. In de tijd dat ik daar woonde zijn er minstens twee konijnenplagen geweest. Het was echt bij de konijnen af. Zoveel dat er schade aan jonge aanplant was, doordat dit door de konijnen werd aangevreten. Dus moest er gejaagd worden. Mijn vader had een jachtvergunning en een dubbelloops jachtgeweer. Maar hij was niet het type jager in een groen uniform en een hoedje met een veer. Volgens mij was hij meer een stroper. Hij is geboren in een klein dorpje in het oosten van Overijssel, dichtbij de Duitse grens. Heel conservatief daar, als je wat op je kerfstok had dan was je voor je leven gebrandmerkt. Maar daar hoorden twee misdaden duidelijk niet bij: stropen en smokkelen. In de Tweede Wereldoorlog was hij in het verzet en is daardoor in Den Haag terecht gekomen. Daar heeft hij mijn moeder ontmoet en is daar blijven hangen. Voordat hij beheerder van het park werd werkte hij het Staatsbosbeheer. Daar kwam hij ook regelmatig met een konijntje of een haas thuis die dan geslacht werden. Het verhaal was dat hij de konijntjes uit een strik van stropers gehaald had. Als jongetje geloof je je vader natuurlijk. Later ben ik wel eens wat gaan twijfelen. Vooral omdat oom Wolter ook altijd van de partij was als er geslacht moest worden. Oom Wolter was geen echte oom, maar een vriend die in dezelfde plaats was geboren als mijn vader en met het zelfde rechtsgevoel. Oom Wolter was overigens agent bij de Haagse politie…

Gewoon jagen werkte echter niet. Als er een konijn geschoten was waren er alweer vijf nieuwe geboren. Dus bedacht mijn vader een betere manier. Hij had een VW Kever met een open dak. Hij ging dan op de achterbank staan en stak met zijn bovenlichaam boven de auto door het open dak. Ik moest dan rijden. We begonnen als het net donker was. Als de konijnen in het licht van de koplampen verschenen dan zaten ze even stil en waren een gemakkelijke prooi. Zo kwamen we soms thuis met wel meer dan 20 konijnen. Die werden dan geslacht en verdeeld over vrienden en kennissen. Ondanks die verdeling aten wij thuis in die tijd heel vaak konijnenbout. Ik kan tot op de dag van vandaag geen konijn meer zien. Althans niet op mijn bord.

Maar het autorijden ging niet altijd zo soepel. In het begin waren mijn rijkunsten nog niet zo goed ontwikkeld en kwamen we nog wel eens ergens terecht waar het niet direct de bedoeling was. Wat krasjes op de auto, maar daar zat mijn vader niet zo mee. Maar als er een konijntje gemist werd, was hij daar niet over te spreken. Ook zag ik eens in mijn enthousiasme een laag hangende tak over het hoofd waardoor de loop van het geweer omhoog ging en hij zijn hoofd stootte. “Ik had wel dood kunnen wezen”, zei hij. Maar dat viel wel mee. Het schot hagel ging recht omhoog de boom in dus er was meer kans geweest dat er een kraai of ander gevogelte het leven had gelaten. Maar hij had wel een flinke bult op zijn hoofd.

Overigens moest natuurlijk altijd de politie gewaarschuwd worden als er gejaagd ging worden. Dan brak er geen paniek uit bij de agenten die de ambassades aan de andere kant van de muur stonden te bewaken als zij schoten hoorden. Natuurlijk moest dat een keer fout gaan. Of mijn vader was vergeten te bellen (hij gaf niet graag zijn fouten toe) of de politie had er niets mee gedaan. In elk geval was er ineens paniek en stonden er ineens verschillende politieauto’s achter ons.

Er liep ook een koppel ganzen in het park. Op een gegeven moment besloten die ganzen ook naar de tuin van het Catshuis uit te wijken en daar beviel het hun best. We zaten een keer naar het journaal te kijken en er werd aandacht besteed aan een vergadering die in de tuin van het Catshuis werd gehouden. En daar zagen we onze ganzen voorbij marcheren. Eerst vonden ze dat wel leuk, maar als je te dichtbij kwam dan werden ze aardig agressief. Ook lieten de ganzen zo nu en dan wat vallen en dat zag er niet goed uit op de grasmat. Dus heeft mijn vader ze verschillende malen terug moeten jagen. Maar steeds gingen die eigenwijze beesten weer richting het Catshuis. Dat hebben ze met de dood moeten bekopen. En wij aten ruim een week ganzenvlees. Nou, ja, een welkome afwisseling na al die konijnen.

Daarna kwam de zilverfazant. Iemand had dit beest in zijn achtertuin in Den Haag. Dat werkte niet helemaal, dus werd hij bij ons gedropt. Eerst werd hij in de volière geplaatst, maar daarna liep hij los rond het huis. Een prachtig beest maar hij werd steeds brutaler. Iedereen die de tuin in kwam, probeerde hij in zijn benen te pikken. Mijn moeder durfde alleen nog maar naar buiten met de mattenklopper. Mijn vader had hier veel plezier in. Tot ik een keer thuis kwam en opmerkte dat hij een paar lelijke schrammen op zijn hoofd had. Hij had voorover gebogen gestaan toen hij de heg aan het knippen was en de fazant was boven op zijn hoofd gesprongen. Dit betekende het einde van de mooie zilverfazant. En u begrijpt het al; er stond een paar dagen later fazantenbout op de tafel.

Mijn vader had altijd tijd voor een praatje met de bezoekers van het park. Hij was ook altijd geïnteresseerd in wat anderen te vertellen hadden. Daardoor maakte hij veel vrienden. Er kwamen mensen van alle pluimages over de vloer. Soms leek het wel of deze mensen bij hem in therapie waren. Zo was er een zakenman die enigszins overwerkt was. Een ‘burn-out’ zoals dat tegenwoordig heet. De man was een vogelliefhebber en Sorghvliet was en is een eldorado voor veel vogels. Mijn vader vroeg hem om wat vogelkastjes op te hangen. Een soort arbeidstherapie dus. Dat deed hij en daar had hij veel plezier in. Hij vroeg of hij zelf wat vogelkastjes mocht kopen. Dat vond mijn vader best. Enige tijd later werden er 150 vogelkastjes afgeleverd en die begon hij enthousiast op te hangen. Hij moest wel wat afgeremd worden, anders had er in elke boom in het bos een kastje gehangen. Elk jaar controleerde hij de kastjes en maakte ze schoon. En jaren kwam hij bij ons over de vloer. Hij, de keurig geklede zakenman en mijn vader in zijn manchesterse broek en een shagje in zijn mond die hem vertelde wat hij doen moest. Een paar apart.

En dan was er Pieter Paul Koster, een professionele fotograaf die reportages voor o.a. kranten en dagbladen maakte. Maar zijn hobby was het fotograferen van vogels. Uren zat hij in zijn tentje met de camera in de aanslag. Hij maakte een prachtige reportage van een wespendief in het park. Dit is een buizerd-achtige roofvogel die larven, poppen en volwassen wespen eet. Jaren hebben zijn foto’s bij mijn ouders aan de muur gehangen. Door zijn hobby had hij wel eens problemen om op tijd zijn betaalde werk te doen. Mijn vader vertelde dat hij op kaplaarzen rechtstreeks uit het park wat laat verscheen om een bruidsreportage te maken. Zoiets moet ook het geval geweest zijn toen hij foto’s moest leveren bij een reportage in de Panorama, die ging over hoe moeilijk sommige gezinnen financieel rond konden komen. Tijdens het koffie drinken zag hij in mijn moeder het ideale fotomodel. En zo verscheen een paginagrote foto van mijn moeder met schort al aardappel schillend en met een zorgelijk gezicht in de Panorama.

In het voorjaar bloeiden de paarse boshyacinten en narcissen altijd volop. Sommige mensen konden het niet laten om een bosje te plukken. Daar kwamen dan klachten over binnen. Mijn vader ging daar heel ontspannen mee om. Hij maakte dan een praatje met de overtreders en meestal mochten ze de bloemen wel houden en in het vervolg deden ze het dan meestal niet meer. Er kwamen natuurlijk ook wel andere klachten binnen. In de jaren zeventig en tachtig gingen de dames steeds meer topless zonnen. Zo ook op de speelweiden in het park. Mijn broer en ik hadden daar beslist geen problemen mee. En ik kan me niet voorstellen dat mijn vader daar erg mee zat. Maar blijkbaar stond er in de reglementen dat dit niet mocht. En sommige mensen ergerden zich daaraan en lieten dat ook weten. Dus moest de boswachter de dames gaan vertellen dat dit niet mocht. Later merkte mijn moeder lachend op dat hij wel verdacht veel moeite deed om de dames op heterdaad te betrappen.

Mijn vader had altijd volop tijd voor kinderen. Ook onze zoon heeft een gouden tijd gehad bij opa in het bos. Hij ging altijd mee in de jeep om opa te helpen in het bos.

Ondanks het schijnbaar ontspannen leven dat hij had, kreeg hij toch begin 1970 een hartinfarct. Hij kwam er weer bovenop, maar moest het wat rustiger aan gaan doen. Dus na de lunch een middagdutje. Dat vond kleinzoon wel wat overdreven, vooral omdat hij net uit zijn middagslaapjes gegroeid was. Maar dan werd hij wel door oma bezig gehouden.

In 1980 zijn mijn ouders na mijn vaders pensionering in Dronten gaan wonen. Wij woonden daar toen ook. Hij gaf het niet direct toe, maar hij miste de aanloop van mensen en ook zijn hond. Hij had een haat-liefde verhouding met de hond die wij toen hadden: een zeer eigenwijze Airedale Terriër. Hij vertelde aan iedereen hoe ongehoorzaam dat beest was. Ondanks dat kwam hij haar vrijwel elke middag ophalen voor een wandeling.

In 1990 is hij op 74-jarige leeftijd overleden. Een leven lang roken konden ook zijn longen niet aan. Na zijn dood liet mijn moeder aan ons een lintje zien dat hij voor zijn verdienste had gekregen. Zelf zag hij dat niet zo. Hij weigerde naar de uitreiking te gaan en het lintje verdween in een la. Wij hebben daar tot aan zijn dood nooit iets van geweten.

Kort daarna zijn wij naar het westen van Canada geëmigreerd. Mijn moeder heeft mijn vader ruim 13 jaar overleefd en heeft met veel plezier de rest van haar leven in Dronten gewoond. En ze is elk jaar bij ons op bezoek geweest.

Als ik in Nederland ben kan ik het niet nalaten om even door het park Sorghvliet te wandelen en ik geniet er nu haast nog meer van dan toen ik er nog woonde. Nu realiseer ik me meer hoe uniek het was dat wij daar woonden en hoe mijn vader in samenwerking met mijn moeder het park beheerde. En hoe belangrijk het is om dit prachtig stukje natuur in het midden van Den Haag te behouden.

De huidige beheerders Erik en Tiny Everts doen al ruim 25 jaar uitstekend werk om dit in stand te houden. Het aanzicht is alleen nog maar mooier geworden door de meer natuurlijke aanpak.

Hopelijk kunnen nog veel mensen hier nog lang van genieten en hun sorgen laten vlieden.

Barend Pouwels
barendpouwels@shaw.ca

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann