Bezuidenhoutseweg met tienduizenden klinkers bestraat in 1748

Niemand kan zich meer de tijd herinneren dat de Bezuidenhoutseweg een eenvoudig landweggetje was met aan weerskanten enkele voorname riante buitenhuizen, eeuwenoude boerderijen en gezellige herbergen. De afgelopen eeuw is er veel veranderd. De Haagse bevolking steeg met bijna 500.000 in de periode vanaf 1680 tot 520.000. Het verkeer in de stad maar ook op de toegangswegen werd steeds intensiever.

Mensen van onze tijd vinden het allemaal maar gewoon dat de straten zijn voorzien van klinkers en asfalt met daaronder een heel indrukwekkend rioolstelsel. Auto’s, vrachtauto’s, autobussen en ander zwaar verkeer komen stad in en uit via degelijke wegen. Hoe anders was dat rond 1700!

Singels
Het is haast niet meer voor te stellen. Den Haag was een plaats van zo’n 30.000 inwoners die hoofdzakelijk hun verblijf hadden binnen de singels. De onverharde straten werden hoofdzakelijk gebruikt door voetgangers. Het overige verkeer bestond uit postkoetsen, karren, paarden en een combinatie daarvan. Op straten rook je de geur van de uitwerpselen van de edele dieren. Bepaald geen tijd om naar terug te verlangen. Het verkeer vond voor een belangrijk deel plaats over het water, zowel personen- als vrachtverkeer. Een ideale en snelle manier om je in die tijd te verplaatsen.

Bezuidenhout
De Bezuidenhoutseweg of ook kortweg Bezuidenhout genoemd, omdat het gelegen was ten zuiden van het Haagse Bos, begon bij de brug aan het einde van de Herengracht. Eenmaal buiten de singels hield de stad op en heette het Haagambacht. Het was een landelijk gebied met boerderijen en weilanden tot de horizon aan toe. Een onvoorstelbaar idyllisch plaatje! Daarlangs liep de rechte Bezuidenhoutseweg. In het begin van de 18eeeuw komen we opvallend veel katholieke boeren tegen aan de Bezuidenhoutseweg, zoals Willem van der Drift, Klaas ‘s-Gravenmade, Cornelis Bellecom, Laurens Pietersz Raaphorst en nog tal van anderen. Boeiende families die eeuwenlang hebben geboerd op de grens van Haagambacht, Wassenaar en Voorburg.

Willem IV
In 1700 werden de eerste plannen gemaakt om tot verharding van de Bezuidenhoutseweg te komen ‘tot aan de Laan van het zogenaamde Nieuw Oost-Indien aan toe’ en zelfs was men voornemens om hier en daar nieuwe bomen te planten. De dijkgraaf van Delfland verleende toestemming, maar het zou nog bijna een halve eeuw duren voordat er daadwerkelijk met de bestrating werd begonnen. Deze grote investering was ongetwijfeld niet gedaan als Huis ten Bosch geen toegangspoort had staan aan de weg. Voor koetsen was het een ellende om bij regen vast te komen zitten op de onverharde Bezuidenhoutseweg. Prins Willem IV, die in 1751 overleed op Huis ten Bosch, was met grote regelmaat in het paleis te vinden.

De stratenmakers J. Roldoek en D. de Wit gingen voortvarend te werk. De zandweg moest eerst worden gerepareerd en geëgaliseerd. Vervolgens moesten de partijen klinkers worden besteld en verdeeld over de lange weg, in partijen worden aangeleverd. De omliggende boeren keken instemmend toe, terwijl de zware straatstenen werden gelegd. Het leggen van straten was een dure aangelegenheid. Nog lang niet alle straten binnen de singels hadden een geplaveid wegdek, omdat zulks onbetaalbaar was. Voor het leggen van 35.000 straatklinkers en 45.000 onderroets klinkers kregen de stratenmakers ƒ 1.222,-, waarbij de kosten van de straatstenen ƒ 3.648,- bedroegen. Het was een heel karwei, waaraan ook metselaars en timmerlieden te pas kwamen.

Frans van der Helm
helmhuis@ziggo.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann