Op de fiets naar de vakantieplek in 1962

Het is weer vakantietijd. We reizen met z’n allen weer alle kanten op. Ik dacht eraan toen ik afgelopen mei in de auto richting Passau reed, op weg naar een fietsvakantie langs de Donau. Op de Duitse autobaan reed ik braaf op de middenbaan. Met rechts een onafzienbare rij vrachtwagens die de goederen van West- naar Oost-Europa brachten en links van me de laagvliegende auto’s die in Duitsland nou eenmaal zo hard mogen rijden als ze kunnen. Ik bedacht me dat het toch eigenlijk wel gek was, dat ik ruim 800 km moest gaan rijden om een paar dagen te willen fietsen in mijn vakantie.

We zouden vertrekken met gehuurde superfietsen met 21 versnellingen en onze bagage werd dagelijks naar het volgende hotel gebracht. Van Passau naar Wenen in 6 dagen fietsen (zo’n 55 km per dag). ’s Morgens konden wij ons te goed doen aan een uitgebreid ontbijtbuffet. Voor onderweg kochten wij belegde broodjes, die in Duitsland en Oostenrijk overal in elke bakkerij te koop zijn. En ’s avonds aten wij, na een verfrissende douche, een heerlijke maaltijd in het dorpsrestaurantje of in het Hotel aan de Donau. Al fietsend bedacht ik, dat ik vroeger als kind ook altijd fietste in mijn vakanties. Minder luxe, maar wel fijn dat we elke zomer eropuit trokken om te gaan kamperen ergens in Nederland.

1962. Ik ging ik met mijn vader fietsen naar de plek waar wij met het gezin wilden gaan kamperen. Ik was 12 jaar en had het jaar ervoor een ‘grote fiets’ met handremmen voor mijn verjaardag gekregen. Mijn moeder en mijn kleine zusje zouden later met de trein naar de vakantieplek komen. Mijn vader reed met een zelf geknutseld karretje achter zijn fiets, waar alle kampeerspullen in zaten. We gingen richting Venlo en onze camping was in Arcen aan de Maas. Bij de Hoornbrug, brak er een as van het fietskarretje! Opgeven was geen optie, dus vonden we een fietsenmaker in Rijswijk, die samen met mijn vader de as verving en een uurtje later reden we alweer richting Rotterdam. Fietsen over de bolderkeien van de Maasbrug, want met het karretje konden we niet door de Maastunnel.

De overnachting was op een kleine camping in Woudrichem. Mijn vader had nog een minitentje bij zich. Een z.g. dwarsslapertje, dat hij zelf op de oude Singer-naaimachine van mijn oma had gemaakt. Daar sliepen wij in. Van een maaltijd herinner ik me niet veel. Mogelijk hadden wij een pak Kingcorn-brood bij ons en een zakje hagelslag en een pot pindakaas. Er was ook een primus, waarop wij water konden koken voor thee en soep uit een pakje. Voor eten in een restaurant was natuurlijk geen geld. Ik weet nog wel dat ik het fantastisch vond zo samen met mijn vader op avontuur. Van moeheid herinner ik mij niets. De volgende dag kwamen wij in Arcen aan en zetten samen de grote tent op. De volgende dag fietsten wij naar het station in Venlo om mijn moeder en zusje op te halen. Mijn moeders fiets met kinderzitje was inmiddels door de spoorwegen van Den Haag naar Venlo gebracht. Dus fietsten wij met elkaar naar de vakantieplek aan de Maas. Het gezin was weer compleet en er volgden twee weken kampeerplezier.

Ineke Seriese
ineke.seriese@ziggo.nl

Hoornbrug te Rijswijk. Foto: Paul Lunenburg (Dienst Stedelijke Ontwikkeling), collectie Haags Gemeentearchief

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann