Herinneringen en dromen van een straatvoetballertje

Door mijn raam zie ik kinderen spelen op het plein waar ik woon. Een rustig plein. In beginsel verkeersvrij. Voor een groot deel met struiken beplant. Ook staan er wat fraaie bomen. Het midden van het plein bestaat uit een betegelde ruimte. Hiervan een deel met zachte rubberen ‘valtegels’. Daarop een aantal kinderspelattributen, zoals ‘wipkippen’ en een glijbaan. Een ander deel is bestemd voor bijvoorbeeld balspelen. Die kinderen vermaken zich bij goed weer op allerlei manieren. Onwillekeurig komen dan de herinneringen aan mijn eigen ‘straatspeeltijd’ weer bij mij boven.

In mijn straat in Den Haag waren toen geen speelvoorzieningen. In mijn kleutertijd zal ik mij op straat ongetwijfeld intensief hebben bezig gehouden met die voor volwassenen moeilijk te definiëren fantasiespelletjes. Daarvan herinner ik me weinig. Daarna kwamen geleidelijk aan de meer fysieke activiteiten. Daarvan herinner ik mij de details beter. Ik herinner mij levendig mijn vele activiteiten als (straat)voetballer. Maar dat kwam na het rolschaatsen.

Ik had zelf geen rolschaatsen. Die ‘leende’ ik van mijn oudere broer wel of niet op basis van vrijwilligheid. Rolschaatsen was toen alleen toegestaan op de rijweg (autoverkeer was er toch nauwelijks. Alleen paard en wagen). Maar de meeste rijbanen waren door hun kinderhoofdjes of ongelijk liggende straatklinkers voor rolschaatsen totaal niet geschikt. Het mocht ook op schelpenpaden. Maar zo’n schelpen-ondergrond was te stroef en daardoor ook niet erg gewild. Dus zocht je naar plaatsen die wel geschikt waren.

In onze buurt was de geasfalteerde rijbaan van de Laan van Meerdervoort wel geschikt. Rolschaatsen zou daar prima kunnen. Maar door het drukkere rijverkeer was het daar te gevaarlijk.

Voor een kerkje in onze buurt was een brede stoep. Behalve door de kerkgangers op zondag werd die stoep maar zelden door voetgangers gebruikt. Zij gaven meestal de voorkeur aan het trottoir aan de overkant. Op die brede stoep was er ruimte zat en een geschikte tegelbestrating. Op die plek konden we uitstekend rolschaatsten. Niemand had er last van. Totdat er een diender verscheen…

Omstreeks mijn twaalfde jaar werd voetballen mijn meest favoriete bezigheid. Ik heb nog levendige herinneringen daaraan. Ik weet ook nog dat ik, evenals de jeugd nu, mijn eigen voetbalhelden en fantasieën had.

Voetballen op straat was verboden. De politie was streng. Maar je deed het toch. Een klein balletje was handig. Dat was snel weg te moffelen. Rubberen ballen waren schaars en ze werden gaandeweg de oorlog schaarser. Aan een tennisbal was moeilijk te komen. En je raakte zo’n bal gemakkelijk kwijt.

Je schoot hem bijvoorbeeld over een muur of schutting. Niet zelden werd hij niet terug-gegeven. Of hij rolde in een rioolput. Je kon dan proberen met je buik op de grond en je arm door een putgat de bal uit het rioolwater te vissen. Dat lukte maar zelden want je kon er meestal net niet bij. In dat geval moest je wachten tot de ‘puttenzuiger’ langs kwam. Die kwam op gezette tijden door de straat om de rioolputten uit te pompen. Een grote groene auto met een pomp en een groot waterreservoir. Eerst werden de deksels van de putten gelicht. Wanneer je geluk had mocht je voor het pompen begon even op je buik liggend met je bovenlichaam de put induiken om de bal te pakken. Jammer genoeg werd dat nogal vaak geweigerd. Dan was je die bal definitief kwijt.

De ‘grootste spelbreker’ bij het straatvoetbal was de politie. Enkele keren per dag kwam er een diender langs op zijn statige dienstfiets. Een imposante verschijning met zijn zwarte helm op het hoofd en het sabel bevestigd met twee klemmen aan de voorvork van het dienstrijwiel.

Als je hem bijtijds zag dan bracht je de bal snel in veiligheid. Je propte hem in je zak of je ging er ijlings mee vandoor. De agent zette dan de achtervolging in. Kreeg hij je te pakken dan gaf hij je een ernstige vermaning en werd het corpus delict inbeslag-genomen.

Voetballen op straat was dus spannend. Maar hoe spannend het ook was: ik droomde er toch van om ooit met een echte voetbal van het juiste formaat op een echt voetbalveld compleet met echte doelpalen te mogen voetballen.

Dat was wel mogelijk als je lid mocht worden van een voetbalclub. Maar in onze (oorlogs)tijd van krapte en schaarste krabde mijn ouders zich hard achter hun oren wanneer ik met zo’n vraag aankwam. Een voetbaltenue, indien verkrijgbaar, koste textielpunten, die voor andere dingen harder nodig waren. Voetbalschoenen waren schaars en slechts incidenteel tweedehands te koop. Ook kon de contributie van zo’n club een bezwaar zijn. Ik hield mij dus noodgedwongen maar bij het voetballen op straat.

Toen nam een vader van één van de vrienden het initiatief om met ons een echt school-/straatteam te formeren. Hij gaf ons instructie over de positie van de spelers in het elftal, over de spelregels, het samenspel en de wijze waarop we op een veld zouden moeten spelen. We speelden onder zijn leiding ook een paar onderlinge oefenpartijtjes op een kaal veldje in de buurt.

Op een zeker moment werden we in staat geacht om het eens tegen een echte voetbalclub op te nemen. Dat was heel wat. Vrijwel al mijn medespelers en ook ikzelf hadden zelfs nog nooit een terreinencomplex van een echte voetbalvereniging betreden. Het verkleden in een officiële kleedkamer was al bijzonder. Ik had zelf geen voetbal-schoenen en moest het doen met een paar afgedankte molières van mijn broer.

Vol animo betraden we het veld met de echte doelpalen. We gingen natuurlijk voor de winst! Maar we troffen een tegenstander die ook voor de winst ging en daar spontaan naar te werk ging. Vanaf de aftrap werden we in de verdediging gedwongen. Voor ons doel ontspon zich een hevige strijd van alleen maar aanvallen en verdedigen. Onze tegenstanders speelden meer geroutineerd en gedisciplineerd en veel effectiever dan wij. We werden op alle fronten overtroefd. Al spoedig stonden we met 8-0 achter. De veldhelft van onze tegenstander hebben we niet gezien. Wij werden volledig afgestraft. Hun eenzame keeper verveelde zich rot.

Maar toen leek er een kentering in de strijd te komen. Want ik scoorde tegen!

De betrouwbare sluitpost van onze tegenpartij werd plotseling minder betrouwbaar. Uit verveling verliet hij zijn post en rende overmoedig naar voren. Hij wilde ook een aandeel nemen in het glorieuze doelpunten-festijn van zijn partij en hij liet zijn doel onbeheerd achter. Ik doorzag die situatie en stelde mij slim op in het strafschopgebied van de tegenstander. Niemand volgde mij en tot mijn grote verrassing bevond ik mij plotseling in het bezit van de bal.

Ik rook mijn (buiten)kans!

Door een magistrale beweging met mijn rechter molière werkte ik de bal in het verlaten doel van de tegenstander. Zelf vond ik dat ik een ‘Wereldgoal’ had gescoord. Maar veel later besefte ik dat ik meters buitenspel had gestaan en dat de scheidsrechter in een vlaag van verbluftheid of onbekwaamheid die situatie onjuist had beoordeeld en dat door een blind vertrouwen in zijn spelregelkennis er niemand was die zijn beslissing waagde te betwisten. De stand was nu dus 8-1.

Ik nam met geveinsde bescheidenheid de knuffels van mijn medespelers in ontvangst evenals de ovatie van het driekoppige publiek. Ik betreurde wel dat het klasgenootje waar toen mijn liefde naar uitging (wat haar waarschijnlijk altijd onbekend is gebleven) zich niet onder de juichende toeschouwers bevond.

Onze tegenstanders raakten niet onder de indruk van het tegendoelpunt. Zij zetten een tandje bij en dat kwam òns weer op enkele tegengoals te staan. We verloren die legendarische match met 11-1.

Scoren tegen een echte voetbalclub was één van mijn meest glorieuze momenten. Het jammerlijke verlies deed op géén manier afbreuk aan mijn eigen ‘fantastische’ prestatie. Ik vond het jammer dat er tijdens de bezetting geen internationale wedstrijden werden gespeeld want in mijn fantasie van een 12-jarige straatvoetballer vond ik dat ik nu wel in aanmerking zou moeten komen voor ons nationale team. Ik droomde van een wedstrijd tegen de Moffen. Ik fantaseerde dat de keuzeheren van de NVB (de K van Koninklijke was toen verboden) onmogelijk om mij heen zouden kunnen.

Onze ‘coach werd onzeker na die 11-1 nederlaag. Hij kon de verantwoordelijkheid niet meer helemaal aan. Hij vocht tegen zijn onvermogen. Hij twijfelde en was daardoor niet meer zo gemotiveerd. Hij nam zelf ontslag en daarna viel ons team uiteen.

En zo was ik opnieuw op straatvoetbal aangewezen. Ik raakte weer (tennis)ballen kwijt doordat ze over een muur werden geschoten, ze een rioolput inrolden of door de politie in beslag werden genomen.

Later werd ik lid van een echte voetbalclub. Ik kon tegen mijn verlies en dus koos ik voor de club waartegen ik met mijn straatteam zo’n smadelijke 11-1 nederlaag had geleden maar waartegen ik wèl mijn eerste echte (ongeldige) goal ooit had gescoord. Mijn molières werden verruild voor echte voetbalschoenen. Ik heb leren inzien dat mijn fantasieën niet altijd worden bewaarheid. Ik ben dan ook nooit de veel-scorende spits van Oranje geworden.

Gé C. Witmaar
gcwitmaar@gmail.com

Laan van Meerdervoort gezien vanaf Bethlehemkerk. Foto: Dienst Stedelijke Ontwikkeling, collectie Haags Gemeentearchief

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann