Projector Haagsche Courant Planetarium beleeft in Gronau een revival

Het was een regelrechte sensatie: de brand, die in 1976 woedde in het Planetarium op het Haagsche Courant-gebouw op de hoek van de Wagenstraat en de Grote Marktstraat en een unieke ‘Planetarium’ volkomen in de as legde. Schade: 2,1 miljoen gulden, de unieke Zeiss-projector leek reddeloos verloren en werd voorlopig opgeslagen in de kelder van het Gemeentemuseum. Of de bijzondere projector hersteld zou kunnen worden, was de vraag.

Sijthoff-directeur Freddie (F.W.) was er niet optimistisch over: “Het systeem van lenzen en raderen zal eerst volledig gedemonteerd moeten worden”, zei hij met kennis van zaken. Inmiddels is Romke Schievink met al zijn kennis over sterrenhemelprojectoren in zijn werkplaats in Gronau (Duitsland vlak over de grens bij Enschede) al een tijd bezig om de laatste hand te leggen aan het volledige herstel van deze bijzondere projector, die hij in bruikleen kreeg van het Museon om aan de verdere restauratie te werken. Want in mechanisch opzicht was dat al eerder door een groep deskundigen gebeurd. Maar het zeer bijzondere karakter van deze projector (Romke bezweert mij meteen aan het begin van het gesprek dit “in hemelsnaam” geen sterrenkijker te noemen!) is door Schievink als het ware herontdekt. En overigens wordt zo’n projector eigenlijk een planetarium genoemd. Waarom het geen kijker is, wordt mij in de loop van het gesprek (en na bestudering van al het materiaal, dat Romke mij nog toegezonden heeft!) steeds duidelijker. Want de combinatie van projector (een systeem van koperplaten, die als diapositieven fungeren, lampen en tandwielen) en projectiekoepel zorgt in feite voor een nabootsing van sterrenhemel en afzonderlijke sterren. Op de koperplaten zijn de hemellichamen met de hand geponst, door de “gaatjes” komt het licht van de lampen en zo wordt alles geprojecteerd. De beweging van de tandwielen met kleine projectoren (op basis van allerlei complexe rekenformules geconstrueerd) bootst de beweging van de componenten van de zon, maan en andere planeten na. In een veel korter tijdsbestek dan in het echt: de toeschouwers, die als het ware midden in het heelal zitten zien de bewegingen veel sneller.

In 1932 werd deze Zeiss projector, het “model 1”, geïnstalleerd in het door Sijthoff opgerichte en gefinancierde planetarium op het dak van het gebouw van de Haagsche Courant. Er bestonden maar twee exemplaren van dit apparaat: één in München en één in Den Haag. Het zijn overigens beiden de eerste mechanisch/optische planetaria ter wereld, dus in die zin was het planetarium van de Haagsche Courant absoluut uniek, iets wat Romke pas tijdens het project ontdekte! De opdracht aan de firma Zeiss in Jena is ooit gegeven door ene Oskar von Miller uit München. Hij wilde een realistische weergave van de sterrenhemel in een koepel van het Deutsche Museum. Een projectie, waarmee je de sterren en de sterrenhemel van alle kanten kon bekijken zoals je die in het echt zag, terwijl je er als het ware ‘middenin stond’. Deze vorm van projecteren wordt nog steeds toegepast bij moderne Planetaria, die volgens Romke Schievink (en hij kan het weten!) uniek is en kwalitatief beter dan een moderne digitale projectie zoals een IMAX-theater. De Zeiss-projector werkt met echte duisternis. Alleen de puntjes van de sterren worden geprojecteerd. Het menselijke oog verliest daarbij elk gevoel van afstand tot de projectie koepel. Je ervaart dat je werkelijk buiten staat. De werking van de tandwielen werd ooit als concept bedacht door Christiaan Huygens. Deze had een Planetarium ontwikkeld, waarbij met speciale tandwielen en met de zon als middelpunt de sterren en de sterrenhemel gedurende bijna 365 dagen in hun bewegingen gevolgd konden worden. Het voert in het kader van dit artikel te ver om deze bijzondere ontwerp-techniek helemaal uit te leggen. Bovendien is het de vraag of ik dat, inclusief de complexe rekentechnieken van Huygens, wel allemaal zo in detail heb begrepen…

Zeiss voegde nog enkele bijzondere technieken toe aan Huygens’ concept, de ingenieurs van het beroemde concern zagen de opdracht van Miller uit München aanvankelijk helemaal niet zitten. Maar de verantwoordelijke constructeur bij Zeiss, Walter Bauerfeld, hield wel vol en werkte een weekend door nadat al zijn teamleden hadden afgehaakt en kwam met de definitieve oplossing en vervolgens werd in 1924 de eerste versie gebouwd. Waarvan overigens in de archieven van Zeiss geen constructietekeningen meer te vinden zijn! Walter Bauerfeld voegde, nadat de leiding was overtuigd over de haalbaarheid van het project, aan het basisconcept van Huygens nog een aantal elementen toe onder meer door de aarde als geometrisch middelpunt te nemen bij het vervaardigen van alle diapositieven.

Overigens moesten de eerste twee exemplaren voor Den Haag en München nog handmatig bediend worden, maar inmiddels heeft Romke Schievink met zijn teamgenoten er een computergestuurd besturingssysteem voor gebouwd. Dat gaat straks dus wat makkelijker dan de tandwielen, schakelaars en schuifregelaars met de hand bedienen.

Overigens speelde de discussie binnen het Zeissconcern over de haalbaarheid van de opdracht in de periode 1914-1919, gedurende de Eerste Wereldoorlog dus. Het finale concept van Bauerfeld was gereed op 21 maart 1919. Het 100-jarig jubileum van de start van het bouwproject zal dus volgend jaar gevierd kunnen worden. Romke Schievink gaat ervan uit, dat de compleet gerestaureerde en gemodificeerde (want computergestuurde) projector dan ergens in Den Haag (gesprekken met het Museon zijn gaande) een plek gekregen zal hebben en veel publiek zal gaan trekken in een nieuw te vervaardigen koepel. De bouw van de twee planetaria is helemaal afgerond in 1923 en werd tijdens het ‘oktoberfeest’ in München voor het eerst gedemonstreerd. Het ‘wonder van Jena’ was klaar! Een exemplaar ging dus naar München en het tweede exemplaar werd voorlopig op het dak van de Zeiss-fabriek in Jena geplaatst. Dit tweede exemplaar kwam later dus in Den Haag op het Sijthoff-gebouw terecht. Hoe dat proces precies verlopen is, hoe de Sijthoffs het bestaan van het planetarium ontdekten, waarom ze beslisten het instrument naar Den Haag te halen, heb ik bij het opstellen van dit artikel nog niet kunnen achterhalen. Maar ik zoek verder en wellicht weet een lezer van De Oud-Hagenaar er iets meer over te vertellen.

De lenzen die voor de twee apparaten geschikt bevonden werden door het Zeiss Jena-team waren overigens al gemaakt in 1913 en lagen al min of meer op voorraad bij Zeiss. Het waren zogenoemde Tessar-lenzen, lenscombinaties eigenlijk, die de vroeger gebruikt werden voor camera’s die met glasplaat negatieven werkten. Deze lenzen hadden een groot brandpunt (120 mm).

Enkele belangrijke ontdekkingen, die Romke Schievink tijdens de restauratie deed waren de volgende feiten: het Planetarium van Den Haag kon ook de zuidelijke sterrenhemel weergeven vanaf de evenaar. Deze optie is nergens beschreven en wordt alleen terloops genoemd in een wetenschappelijke publicatie uit 1925. Daarvoor waren extra projectoren aangebracht voor de zuidelijke melkweg. Deze optie is nooit door Zeiss verder uitgewerkt en daarmee waren deze projectoren eigenlijk overbodig. Echter, bij de brand in 1976 zijn een deel van de diapositieven van het noordelijk halfrond van de sterrenhemel ernstig beschadigd (vooral door het bluswater), maar die kunnen nu worden hersteld ten behoeve van hergebruik ten behoeve van de zuidelijke sterrenhemel! Het planetarium van Den Haag bleek ook meer sterren te bevatten en toont ook zichtbare nevels, die het planetarium in München niet kan laten zien. Daarnaast was dit planetarium van 1924 tot 1934 op drie andere plaatsen actief. Je zou kunnen zeggen dat dit het eerste mobiele planetarium ter wereld was.

Romke Schievink raakte eigenlijk al in 1976 geïnteresseerd in het Haagse Planetarium en zou ook met een jongeren werkgroep ‘astronomie’ op bezoek gaan bij Bert van Sprong (de bedrijfsleider van het Planetarium), maar kon pas later op de uitnodiging ingaan, nadat zijn vrienden al geweest waren. Helaas kwam de brand ertussen en dus zag hij het planetarium pas weer terug bij de opening van het Omniversum in 1984, toen het deels gerestaureerde apparaat (vooral mechanisch hersteld) in de hal van het nieuw geopende gebouw stond. Hij raakte in de ban van het ding en besloot het onderwerp op zijn vijftigste weer op te pakken. Hij had al langer in zijn hoofd een tentoonstelling van telescopen te realiseren en nam in 2016 opnieuw contact op met het Omniversum met de vraag waar het planetarium inmiddels opgeborgen was. Dat wist men toen niet zo precies, men veronderstelde bij de buren van het Museon. Romke wilde de projector graag zien en een half jaar kwam er een afspraak tot stand en hij mocht kijken om de toestand op te nemen.

In september 2017 kwam de definitieve toestemming om samen met zijn vriend Ewout Bakker uit Delden het instrument te mogen onderzoeken. Maar het reactiveren moest plaatsvinden in zijn werkplaats in Gronau (Duitsland). Het transport was nog wel een ‘dingetje’, maar het doel om nog voor de kerstdagen te kunnen beginnen in zijn werkdomein werd gehaald. En zo kon hij de kerstvakantie (Romke is docent bij Saxion in Deventer) benutten voor een eerste schouw. Alle grote koperplaten (de diapositieven) werden gedemonteerd, de lampen en de tandwielen aan een kritische beoordeling onderwerpen, de constructie en oorspronkelijke werking van het apparaat moest vastgesteld én begrepen worden. Er waren immers geen gedetailleerde constructietekeningen en/of ontwerp-beschrijvingen beschikbaar uit de archieven van Zeiss Jena, die waren er alleen vanaf model 2 (1926) en hoger, dat na de eerste twee exemplaren gemaakt werd. Niet alleen Romke en Ewout Bakker keken naar en werkten aan het ‘teruggevonden’ Planetarium, er was een heel burgercollectief van ouderwetse en zeer gemotiveerde technici actief. Het Zeiss-museum in Jena heeft bijzonder veel belangstelling in dit project, juist ook omdat er bij hen zo weinig van dit planetarium uit deze tijd bewaard is gebleven. Twee wereldoorlogen en veertig jaar socialisme tijdens de DDR-periode hebben duidelijk hun sporen achtergelaten.

Dat hele team is nu bezig de restauratie van het Haagse ‘wonder van Jena’ te voltooien en het apparaat te modificeren naar een computergestuurde versie. Want handbediening is geen optie meer. In oktober hoopt Romke Schievink het Planetarium van Den Haag te kunnen opleveren als zijnde ‘weer operationeel’. In november houdt hij een presentatie van ‘zijn’ project in Duitsland en een tweede in Den Haag bij het Museon. Natuurlijk zal die presentatie, maar nog veel meer de uiteindelijke ‘heropening’ met veel publiciteit gepaard gaan, want Romke hoopt van ganser harte, dat de ‘wederopstanding’ van het Haagse Planetarium veel nieuwsgierigheid zal stimuleren. Omdat het zo’n erg bijzonder instrument is, juist de combinatie van projector en projectiekoepel. Koepel? Waar is die dan? Ook daar denkt Romke een oplossing voor te hebben. De projector is ooit gebouwd voor een koepel met een diameter van 10 meter. Zo’n koepel zou op zich in het Omniversum wel mogelijk zijn, maar de tribune van dit theater past daar niet bij, het publiek hoort immers in de koepel! Hij heeft dus een voorkeur voor een geodetische koepel (zie de filmpjes op YouTube en de foto’s) in het Museon, maar dat wordt de komende maanden allemaal nog besproken, waarbij ook nog een ‘klein’ detail als de financiering moet worden opgelost. Idee van Romke is een aangepaste koepel te laten bouwen, een Chinese firma is al bezig met een proefversie, die hij hoopt in juni in in Gronau (in zijn tuin) te kunnen opzetten en zo de projector te kunnen uitproberen. Ik krijg natuurlijk weer een uitnodiging om daarbij te zijn, maar voordat ik die in dankbaarheid mee naar huis neem, legt Romke mij nog even uit waarom dat ‘als toeschouwer in de sterrenhemel zitten toch zo bijzonder is’. “Kijk”, zegt hij, “dat is nou het verschil met het op zich mooie IMAX-systeem van het Omniversum. Je ogen hebben maximaal 45 minuten nodig om te wennen aan volledige duisternis (het kenmerk van het planetarium), maar daarna waan je je ook echt een deel van het heelal. Dat kan een digitaal planetarium of IMAX-presentatie nooit bereiken.” En voegt hij eraan toe: “Eind jaren zestig had het Haagse Planetarium al een miljoen bezoekers gehad, laten dat er vlak voor de brand 1,5 miljoen geweest zijn. Het zou toch mooi zijn als we dat met het deze gerestaureerde versie nog eens zouden kunnen bereiken?”

Ton van Rijswijk
avanrijswijk@kpnmail.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann