Wie kent deze anonieme arbeiders uit 1927?

Bij grote werken aan onze wegen, kusten en infrastructuur zijn zelden de namen bekend van de vele tientallen uitvoerende arbeiders die hardwerkend in het zweet het uiteindelijke werk tot stand hebben gebracht. Hun inspanningen leveren hen geen roem of bekendheid. Zij ploeteren voort in anonimiteit.

Dat was in de jaren 1920 niet anders. Echter, de Haagse beeldend kunstenaar Jan Th. Giesen wist in 1926 en 1927 een groepje werkers een gezicht te geven door hun portretten vast te leggen met potlood en tekenkrijt. Ze poseerden voor hem tijdens de middagpauze in hun bouwkeet in Kijkduin. Bij wijze van respect voorzag Giesen de beeltenissen van hun roepnaam en de vermelding ‘Kijkduin 1927’. Hun namen zijn: Joost, Adriaan (2x), Leendert, Kees, Jan, Leo, Pieter en Leen. Daarmee haalde hij hen niet helemaal uit de anonimiteit, want hun familienamen werden niet vastgelegd. De bescheidenheid van de werkers zal hierbij zeker een rol gespeeld hebben. Deze negen portretten werden in 1939 voor het laatst geëxposeerd in diverse musea en verdwenen daarna in een map. Tot 2010, toen de tekeningen gevonden werden op de zolder van een zoon van de kunstenaar. Portretten van een hoge esthetische en artistieke kwaliteit van gewone arbeiders.

Sinds begin maart van dit jaar zijn deze negen portretten te bewonderen in Panorama Mesdag aan de Zeestraat in Den Haag. Ze vormen onderdeel van een tentoonstelling over de tekeningen, houtsneden, etsen en schilderijen die Giesen maakte in de periode 1920-1930 van de uitgevoerde werken aan de zeewering van Kijkduin en Scheveningen. De negen koppen kijken vol trots de bezoekers aan. Ze verdienen het om herkend te worden door hun kinderen, kleinkinderen of achterkleinkinderen die zeker ergens in Den Haag en omgeving te vinden moeten zijn.

Over het algemeen zal hun geboortejaar liggen tussen 1880 en 1910. Zij kunnen in loondienst zijn geweest bij het Hoogheemraadschap van Delfland of een bedrijf, maar zij kunnen ook dagloners geweest zijn, die rechtstreeks ingehuurd en dagelijks betaald werden door het Hoogheemraadschap.

Deze diashow vereist JavaScript.

Weet u om wie het gaat? Om u te helpen bij de identificatie zal ik nader ingaan op de werken aan de zeewering die plaatsvonden in de periode 1920-1927 aan de kust van Hoek van Holland tot aan het Noorderstrand van Scheveningen. Deze hele kuststrook werd en wordt beheerd en beschermd door Hoogheemraadschap van Delfland.

Nederland, het landje beneden de zeespiegel, heeft haar bestaan te danken aan de gezamenlijke zorg die de bewoners ervan eeuwenlang hebben besteed aan de dijken, waterhuishouding en zeewering. Dankzij deze onderlinge samenwerking hebben we kunnen leven beneden het niveau van de zeespiegel. Sinds ongeveer 1300 werd deze zorg overgedragen aan de landsheren die met belastinggelden op een gespecialiseerde wijze ervoor hebben gezorgd dat we droge voeten hielden, ondanks de uitspattingen van de natuur in de vorm van stormen en hevige regenval. In 1920 wordt in Zuid-Holland dit onderhoud uitgevoerd door het Hoogheemraadschap van Delfland en dit beslaat dan een gebied van 33.000 Ha, duinen met een totale lengte van ruim 17 km, 11 uitwaterende sluizen, 38 bruggen, 77 polders en diverse gemalen. In het begin van de twintigste eeuw veroorzaakte in Nederland een aantal stormen de nodige angst en onrust achter de dijken en duinen, waardoor plannen gemaakt moesten worden voor een grootscheepse aanpak. Dit resulteerde in de waterwerken rond de afsluiting van de Zuiderzee en verbetering van de zwakke plekken van de zeewering van Delfland die het drukbevolkte gebied rondom Den Haag moest beschermen. Om de werken te financieren stelde het bestuur van Delfland in 1922 een belasting in op basis van het onroerend goed in hun werkgebied met de naam “Delflands sluisgeld”. Deze belasting bracht jaarlijks 3 miljoen gulden op en was toereikend om een en ander degelijk aan te pakken. Alles ging onder het motto van een oudhollands dijkrecht “Wien water deert, die water keert”.

Voor het uitvoeren van deze kostbare verdedigingswerken werd een aanbestedingsprocedure gevolgd. Op basis van speurwerk in de archieven van het Hoogheemraadschap van Delfland kwamen we meer te weten over het proces. De aard en plaats van werkzaamheden staan uitgebreid beschreven in de bestekken, die als basis dienen voor de uitvoerende organisatie. Voor de jaren 1926 en 1927 en de plaats Kijkduin komen we dan uit bij bestek 188 en 189 van het jaar 1926. Jan Giesen zelf woonde vanaf 1926 in het nieuwbouwwijk Meer en Bosch bij Kijkduin aan de Scheveningselaan, waar hij op de lagere school docent handtekenen was. Dit verklaart ook zijn belangstelling voor de werken dichtbij zijn woongebied. Het bestek 188/1926 was door Delfland begroot op 130.000 gulden en bij sluiting van de inschrijving op 18 februari 1926 bleek de laagste inschrijver E. van Noordenne te zijn. Maar met een bedrag van 143.400 gulden kwam hij ruim boven de begroting van Delfland uit. Het bestuur van Delfland besloot daarom de werken onder eigen beheer uit te voeren met gebruikmaking van eigen personeel en dagloners, zogenaamde journaliers. Het ligt voor de hand dat de vele dagloners vooral uit de omgeving van Den Haag en Scheveningen kwamen. In de portretten van Giesen is dit te herleiden uit de kleding van de geportretteerden; het merendeel draagt een boezeroen en werker Leo draagt een zwart petje, dat in Scheveningen ‘zeenapje’ werd genoemd vanwege zijn vorm. Hoe groot de omvang van de werken was, blijkt uit een loonstaat in het archief van het Hoogheemraadschap van Delfland over de maanden februari/maart 1926: maar liefst 23 rijswerkers, 48 steenzetters, 34 heiers en spuiters, 387 sjouwers en 23 jongens. De lonen waren in die tijd tussen de 60 en 90 cent per uur, afhankelijk van de kwaliteit van de betreffende werker.

Behalve de portretten van de werkers heeft Jan Giesen ter plekke schetsen gemaakt van de werkzaamheden in Kijkduin die hij in zijn atelier uitwerkte tot houtsneden, etsen en schilderijen. Een aantal van deze kunstwerken is ook te zien op de tentoonstelling in Panorama Mesdag. We zien arbeiders bezig met de aanleg van spoorrails in de duinen, het af- en aanvoeren van stenen en zand per duwschuit en het leggen van basaltblokken op de strekdammen met behulp van een driepootkraantje. Samen geven zij een goed beeld van de omvang van de werkzaamheden en de grote zwaarte van de inspanning die de arbeiders moesten leveren. Van de in deze periode uitgevoerde werkzaamheden zelf zijn nauwelijks foto’s beschikbaar, maar op foto’s van eerdere werken uit 1910 zien we dezelfde werktuigen en materialen.

Herkent u een van deze mannen als familielid en heeft u mogelijk foto’s zodat zij herkend en erkend kunnen worden? Stuur een mail naar: info@stichtingjangiesen.nlof een brief naar Stichting Jan Giesen, Staakweg 14, 3247 BV Dirksland.

Als uw hulp resulteert in de identificatie van een van deze werkers ontvangt u een exemplaar van de monografie van Jan Giesen, beschikbaar gesteld door de Stichting Jan Giesen. Deze monografie is ook te koop tijdens de tentoonstelling in Panorama Mesdag.

De tentoonstelling Jan Giesen. Werken Scheveningen, 1920-1930is tot en met 28 oktober te zien in Panorama Mesdag (www.panorama-mesdag.nl).

Jan Roedoe (Stichting Jan Giesen)

Met dank aan het Hoogheemraadschap van Delfland

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann