Mijn vakanties in Den Haag (deel 2)

En dan is het 1948. De MULO-tijd is dan succesvol afgerond en ik had het gevoel dat ik die zomer maar eens moest gaan kamperen, wat tevens inhield voor het eerst met vakantie zonder mijn ouders. Samen met Maarten, één van mijn vrienden, hadden we besloten om naar het kampeer-centrum “Roodland” in Rhenen te gaan. Waarom Rhenen, ik zou het niet meer weten, maar mogelijk omdat daar een dierentuin, het Ouwehands dierenpark, was en omdat het gelegen was nabij de Grebbeberg, waar tijdens de meidagen van 1940 veel Nederlandse soldaten gesneuveld waren en ook aldaar waren begraven op het militaire kerkhof.

De voorbereidingen voor een dergelijke vakantie waren velerlei, vooral omdat we niets tot onze beschikking hadden wat met kamperen te maken had. Allereerst had je om te kunnen kamperen een kampkaart nodig. Deze kampkaart werd uitgegeven door de Nederlandsche Kampeerkaarten Centrale. Kosten: 50 cent per jaar. Op de kampkaart stonden onder andere een zevental regels waar de kampeerder zich aan moest houden. Vooral regel 5 zou heden ten dage nogal preuts en mogelijk lachwekkend overkomen. Deze regel 5 luidde als volgt: “Ongehuwde personen van verschillend geslacht mogen zich van één uur na zonsondergang tot zonsopkomst niet gelijktijdig in één tent ophouden, tenzij zij tot een zelfde gezin behoren en de leeftijd van 10 jaren niet hebben overschreden of tenzij een der ouders daarbij tegenwoordig is. Dit is wel toegestaan gedurende het overige gedeelte van het etmaal, mits de tent geopend blijft en daarbij de betamelijkheid nimmer uit het oog wordt verloren.”

Wat voor spullen had je nog meer nodig om te kunnen kamperen en hoe moest je daar dan aankomen? Nodig waren onder andere wat geld, een fiets, een tent, artikelen om op of in te kunnen slapen, een primus en pannen om eten mee te kunnen koken en ander eetgerei om mee te kunnen eten.

Gelukkig heb ik gedurende mijn vakantie tijdelijk een baantje gehad. Een jongen bij mij in de buurt werkte bij een apotheker in Den Haag, alwaar hij met een transportfiets medicijnen bezorgde. Hij wilde ook met vakantie, maar dat zou alleen kunnen als hij voor een vervanger zou zorgen. Na zijn tijdig verzoek aan mij heb ik aangeboden dat wel te willen doen. Zo gezegd, zo gedaan. Maar dat is uiteindelijk wel met nogal wat pijn en moeite gebeurd, want toen de tijd daar was bleek ik op mijn achterwerk een aantal steenpuisten te hebben ontwikkeld. Alleen door staande te fietsen kon deze arbeid toch verricht worden. Maar het zuurverdiende geld was wel binnen.

Een andere bron van inkomsten verkreeg ik met mijn bijbaantje als ballenjongen. Door bemiddeling van een buurmeisje, die bij de, in de tenniswereld alom bekende METS-banen (Maatschappij tot Exploitatie Tennisbanen Scheveningen) werkte, kon ik op zondag de hele dag de ballenjongen uithangen voor een gezelschap elite tennissers. De meeste tennissers waren vriendelijk en soms kreeg ik na afloop van een partij een drankje aangeboden, maar er waren ook horken bij. Mijn loon bedroeg 2,50 gulden voor een behoorlijk vermoeiend dagje. Het schijnt dat Prinses Juliana in de dertiger jaren, dat was voor mijn tijd, zelf op de METS-banen kwam tennissen en er ook regelmatig naar internationale wedstrijden kwam kijken.

De fiets
Een fiets had ik wel, een echte terugtrapper, want van een fiets met versnellingen had ik nog nooit gehoord. En lekker weer met luchtbanden. Dit in tegenstelling tot de laatste oorlogsjaren en een paar jaar daarna. Toen waren de velgen bekleed, althans op mijn fiets, met repen massief rubber gesneden uit oude autobanden, die met een grote ijzeren niet aan elkaar waren gemaakt.

De tent
De tent werd mij geschonken door de alleraardigste buren van ons evacuatieadres waar we gedurende de bezetting hadden vertoefd. Het was een 2-persoons shelter met grondzeil. De tent was voorheen gebruikt door de zonen van de buren, die kennelijk dit soort kamperen ontgroeid waren. De 2-persoons shelter leverde al direct een klein probleem op, want mijn broer gaf vlak voor vertrek te kennen dat hij graag met ons mee wilde. Drie personen in een 2-persoonstent leek mij verre van ideaal. De oplossing werd snel gevonden, doordat hij in het midden zou gaan liggen, maar dan omgekeerd, dus lag hij met zijn hoofd buiten de tent. Dat vond hij overigens geen probleem. Daar hadden we, stom genoeg, totaal niet aan gedacht. Dus dat zou uiteindelijk ter plaatse opgelost dienen te worden. Slaapzakken en luchtmatrassen waren trouwens, volgens mij, nog lang niet in beeld.

De primus was een soort draagbaar éénpits petroleumstel, nodig om het warm eten te kunnen bereiden. Het staat mij niet bij waar ik die vandaan gehaald heb. De pannen en ander eetgerei werd ons ter beschikking gesteld door onze ouders. Na enig onderricht te hebben ontvangen in het bereiden van eenvoudige maaltijden waren we gereed om de, voor ons avontuurlijke, reis naar het onbekende aan te vangen. Nu kon het optuigen van de fietsen beginnen. De koffers en tassen met kleding en eetgerei werden opgebonden en de pannen werden, wegens onvoldoende ruimte in de koffers, met touwtjes aan de bagagedragers vastgemaakt. Met het geluid van rinkelende pannen zijn we vertrokken. Zonder onderweg last te hebben gehad van vermeldenswaardige problemen, zijn we naar verloop van een aantal uren in Rhenen op de camping aangekomen. Het opzetten van de tent verliep voorspoedig. Maar toen bij het uittesten bleek hoe het was om slechts op het grondzeil te moeten liggen, hebben we alras een behoorlijke hoeveelheid heide en ander groeisel vergaard om dat tussen de grond en grondzeil te plaatsen. Probleem opgelost.

Tijdens ons verblijf hebben we het het Militaire ereveld Grebbeberg bezocht. Op deze begraafplaats liggen meer dan 400 militairen begraven, die in de meidagen in 1940 op en rond de Grebbeberg gesneuveld zijn. Verder hebben we de omgeving verkend en natuurlijk het geleerde betreffende het klaarmaken van de warme maaltijd in de praktijk uitgetest. Om iets van vlees bij de maaltijd te kunnen nuttigen, hebben we een bezoek gebracht aan een lokale slager. Om iets te hebben wat voor ons gemakkelijk te bereiden was, hebben we op advies van de slager voor biefstuk gekozen. Zonder enig benul van hoeveelheden hebben we op de vraag van de slager hoeveel we moesten hebben geantwoord: één kilo, a.u.b. Toen we zagen hoeveel dat er afgesneden werd, durfden we onze bestelling niet meer te wijzigen en keerden we enigszins beduusd tentwaarts. We hebben de daaropvolgende dagen veel biefstuk moeten verorberen, want er was natuurlijk geen koelmogelijkheid aanwezig. Niettemin een goede les!

Ook het omgaan met de primus gaf zo zijn problemen. Het aansteken van de primus was voor beginnelingen niet eenvoudig, noch het aanhouden van de juiste vlam. Maar al doende leert men! Op een van de nachten is het verschrikkelijk gaan regenen, zodanig dat de tent dreigde te worden overspoeld. Daar mijn broer al gedeeltelijk buiten de tent lag, leek het dat hij de aangewezen persoon was om, midden in de nacht, een greppel rond de tent te graven. Dat vond hij geen probleem en zo heeft hij voorkomen dat we met tent en al zijn weggespoeld. Uiteindelijk zijn we met een ervaring rijker voldaan naar huis terug gekeerd.

Frans Fraters
ffraters@gmail.com

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann