Komst Badhotel maakte van Scheveningen een badplaats

In 2018 is het 200 jaar geleden dat de badplaats Scheveningen een feit werd. Het gebeurde allemaal door Jacob Pronk (1752-1838) die in 1818 een vergunning vroeg om een badhuis te bouwen. Het badhuis liep zo goed dat de gemeente Den Haag Pronk uitkocht en zelf overging tot het exploiteren van een indrukwekkend badhotel.

Napoleon was verdreven en langzaam kwam de rust weer terug op Scheveningen. De vissers gingen weer de zee op, terwijl hun vrouwen thuis hoopvol wachtten op hun terugkeer. In die tijd ging Jacob Pronk aan de slag met een nering op land. Hij begon een badhuis aan zee omdat dergelijke baden van positieve invloed waren op de gezondheid van met name reumapatiënten en lieden met een zenuwziekte.

Bad-etablissement
Op 15 juli 1818 werd het gebouw aan het strand geopend voor lieden die een bad wilden nemen in warm of koud zeewater. Het gebouw was binnen zes weken uit de grond gestampt. Alles op Engelse wijze ingericht. In het Scheveningse bad kon genoten worden van het uitzicht op de Noordzee zonder door iemand gezien te worden. Toen in oktober 1818 gesproken werd over een “concept Reglement op de aanleg en inrichting der Zeebaden te Scheveningen”, bestond de badinrichting van Pronk reeds. Hij vroeg verwijzend naar het reglement alsnog een vergunning aan voor instandhouding van zijn “bad-etablissement” en die werd hem per 1 juni 1819 verleend. Tegelijkertijd verzocht de ondernemende Pronk om uitbreiding van zijn badgelegenheid en van het aantal badkoetsen. De zaak leek aardig te lopen; het werd steeds aantrekkelijker om een bad te nemen in het zeewater, waarbij dan gebruik werd gemaakt van een badkoets, die vanaf het strand een stukje de zee in werd gereden. De badkoetsen waren er in verschillende maten met verschillende prijzen. Een grote koets kostte één gulden en een kleine 60 cent. De badgebruiker kreeg er dan wel gratis enkele “servetten” bij om zich af te drogen.

Straatweg
Weldra zou er ook een nieuwe weg worden aangelegd naar de badinrichting. Dat was een hele onderneming daar ook de duinen ernaartoe moesten worden afgegraven en de grond moest worden geëgaliseerd. De kosten van deze weg bedroegen ƒ 68.500,- waarvan ƒ 33.000,- was weggelegd voor de bestrating. Een weg met een lengte van maar liefst 330 oude Rijnlandse roeden wat overeenkomt met ongeveer 1.220 meter. En een breedte van 7 roe (circa 25 meter).

Badhotel
In 1826 kwam de gemeente met eigen plannen om een badhuis te bouwen op het Hogeduin, doch dokters adviseerden dat die locatie niet optimaal was vanwege het vangen van wind op die hoogte. Steeds meer werd door het Haags gemeentebestuur gezocht naar een schikking met Pronk om diens onderneming over te nemen en dan uit te breiden. Na enige druk van de gemeente verkocht Pronk zijn winstgevende zeebadinrichting. Naast het badhuis kwam een hotel om vermogende badgasten aan te trekken en voor langere tijd te behouden. Het nieuwe bedrijf moest het hele jaar door open zijn en daarom aantrekkelijk worden gemaakt. Op deze wijze kwam dat dan ten goede aan de Scheveningse beroepsbevolking. Het badgebeuren bleef echter op grote afstand van het vissersdorp, omdat de pinken op het strand de badkoetsen in de weg lagen. Zo leefden de mondaine bader en de arme visser in twee gescheiden werelden.

Frans van der Helm
helmhuis@ziggo.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann