‘Toen dacht ik: nu is het erop of eronder!’

Jarenlang heeft hij weinig verteld over zijn oorlogservaringen, maar in een interview – hij is dan 96 – komt het er allemaal uit. Het lucht hem zichtbaar op! Kinderen en kleinkinderen zijn verrast!

‘Als Albertus Gerardus van der Burg ben ik op 26 februari 1919 in de Newtonstraat in Den Haag ter wereld gekomen. Mijn vader verkocht op nummer 41 in een kleine winkel boter, kaas en eieren. Later had hij zijn zaak in de Hobbemastraat. Daar heb ik het grootste deel van mijn jeugd gewoond.’

Kustbewaking
‘Als oudste van het gezin was ik dienstplichtig. Ik werd opgeroepen in oktober 1938 en bij de Grenstroepen Grenadiers ingedeeld. We moesten grenzen bewaken. In mijn geval de kust. Op verschillende plekken zijn we gelegerd geweest: Waalsdorp, de oude Alexanderkazerne aan de Laan Copes van Cattenburch, in een school aan het Bleijenburg vlakbij de Casuariestraat én Scheveningen. Daar, boven op een zolder waar vrouwen netten boetten, hebben we ons stro neergelegd om er te slapen. Aan de boulevard hebben wij in 1939 en 1940 loopgraven gemaakt. Na die zolder bij de eerste haven zijn we ingetrokken in de Rehobothschool, ook in Scheveningen. Tenslotte gingen we naar het ‘eiland’ Vloek vlakbij het radiostation van Scheveningen. Daar waren we ingekwartierd in drie à vier kleine huisjes.’

10 mei 1940
‘Op 10 mei 1940 ’s morgens om 4.00 uur werd ik gewekt door de Heinkels uit Duitsland. Die vlogen boven ons. We zijn toen onmiddellijk naar het radiostation gestuurd. Wat er precies aan de hand was, werd niet verteld. Het was een order. Die moest je opvolgen. Boven op de duinen bij de radiomasten lag ik en de kogels kwamen vanuit de Duitse vliegtuigen boven ons. Je zag ze zó op je afkomen en in het zand uiteenspatten. Je had slechts een helmpje op ter bescherming. We zijn er gelukkig levend vanaf gekomen.’

Via Haagse Bos naar Rijswijk
‘Rond 9.00 uur kreeg onze compagnie het bevel om naar het Haagse Bos af te marcheren. Ik weet nog steeds niet wat we daar moesten doen. We zijn er ongeveer een uur geweest en kregen toen de order om naar Ypenburg te gaan. Er werd niet verteld waarom. Natuurlijk wisten we, dat je als soldaat dom gehouden werd. Ik denk dat dat nú wel anders ligt. Tegenwoordig zijn soldaten met kostbaar materiaal uitgerust en daar moeten ze verantwoord mee omgaan.’

‘Vanuit het Haagse Bos liepen wij dus richting Ypenburg. Toen we bij de Hoornbrug in Rijswijk kwamen, zag ik tal van Duitse vliegtuigen bij en boven Ypenburg. Je wist dus dat het vliegveld aangevallen werd. Of het nu bommenwerpers waren of transportvliegtuigen, het waren héél zware kisten. Wij moesten erop schieten. Er waren er al heel wat naar beneden gehaald. We schoten met geweren uit 1889, meen ik, sommige met mitrailleurs. Die bestonden uit trommels met zo’n tachtig tot negentig patronen erin. Daarmee probeerde je te schieten op die vliegtuigen, maar na een paar schoten stopte zo’n mitrailleur, want het was oud materiaal. Snel uit elkaar halen en weer voor een paar schoten aan de praat krijgen! Dat hadden we geleerd bij de landmacht. Dat we dat tóen accepteerden, heeft misschien te maken met het ‘Gebroken geweertje’. Dat had veel invloed op hoe het er bij het leger in die tijd toeging.’

Johannahoeve
‘We zijn op een melkboerderij, ik meen de Johannehoeve, afgestevend. Die lag aan wat nu de A13 is. Rechts had je de Rijswijkse wielerbaan en links had je die boerderij. Daar hebben we ons een paar uur verschanst. Van daaruit hoorden we, dat er buiten veel heen en weer geschoten werd. Duitsers? Nederlanders? Ik wist het niet. We zagen dat mensen die getroffen waren, op platte wagens naar Antoniushove, het ziekenhuis in Voorburg, werden afgevoerd.’

‘De bedoeling was om vanuit die hoeve door te stoten naar de barakken en hangars op Ypenburg om de Duitsers er weg te jagen en de Nederlandse krijgsgevangenen te bevrijden. Maar dat was niet meer nodig, want om 15.00 uur kwamen er zo’n twaalf Engelse vliegtuigen om het vliegveld te bombarderen. Men dacht dat het vliegveld helemaal in Duitse handen was.’

Witte vlag
‘Op een gegeven moment kregen we de order de hoeve te verlaten, de weg over te steken en aan de kant van de wielerbaan richting Delft te lopen. Dat was het moment – ik denk dat het zo rond 17.00 of 17.30 uur was – dat we de Duitsers die aan die zijde van de weg verschansing hadden gezocht zouden attaqueren. Mogelijk werden ze eerder op de dag die kant op gestuurd, omdat het terrein er golfde. Je kon je er in kuilen verschuilen en van daaruit schieten. Kijk, bij de hangars was het terrein vlak en was je écht een schietschijf. Misschien meenden ze daar veilig te zijn.’

‘Onze grootmajoor zat te paard en gaf bevel de bajonet op het geweer te doen. Toen dacht ik: ‘Nu is het erop of eronder! Vanavond ben ik er misschien niet meer!’ Het vreemde is, dat zo’n gedachte wel door je heen schiet, maar dat je er verder niet bij stil staat. Je bent er dan zó voor elkaar, dat je denkt: ‘Doorstoten! Als we geraakt worden, slaan we hard terug!’ Uiteindelijk zouden maar twee maten van onze compagnie getroffen worden, gelukkig niet dodelijk.’

‘Op het moment dat we gingen lopen, zagen de Duitsers ons dichterbij komen. Hadden ons misschien gezien en gehoord? Hadden ze mogelijk aan een grote overmacht gedacht? In ieder geval staken ze de witte vlag omhoog! Ze gaven zich allemaal over, meer dan tweehonderd man. Met de ruim honderd man van onze compagnie konden we hen dus zonder verdere problemen krijgsgevangen maken. We lieten ze richting Hoornbrug lopen.’

‘Toen we onderweg met hen in gesprek raakten, zeiden ze vrijwel direct: ‘Over een paar dagen zijn we weer vrij, want we worden toch bevrijd’. En die lui zagen er zó fantastisch uit! Ze hadden kaplaarzen aan met van die dolkmessen erin en waren verder uitgerust met kleine karabijnen. Het waren parachutisten die ook moesten kunnen schieten. Zij hadden een vliegeniersoverall. Die kon je gemakkelijker openmaken dan het kloffie dat wij droegen. Tjonge, tjonge, wat een uitrusting!’

De Binckhorst
‘Via de Hoornbrug zijn we met onze Duitse krijgsgevangenen naar het politiebureau gelopen. Daar werden ze ingeschreven. De leiding van onze compagnie confisqueerde bestelwagens van ‘De Zwitsersche’, een wasserij in Rijswijk. Dat waren gesloten rode auto’s met een wit kruis erop. Daarmee werden de Duitse krijgsgevangenen afgevoerd naar het circusgebouw in Scheveningen. Zelf ben ik daar niet bij geweest.’

‘Mijn maatje en ik werden erop uitgestuurd om te kijken of er eventueel nog Duitsers waren op de toegangswegen naar Den Haag. Op die manier wilde men voorkomen dat Duitsers linea recta naar het paleis van koningin Wilhelmina zouden lopen om haar gevangen te nemen. Dat is natuurlijk niet gebeurd, die dag.’

‘We zeiden tegen elkaar: ‘Dan gaan we toch even mooi die wegen afgrendelen’. Vandaar dat wij op ‘De Binckhorst’ gestationeerd werden, een klein kasteel aan een weg met dezelfde naam. Nou ja ‘weg’, het was een eerder een pad, bestrooid met koolas. Het was wél een toegangsweg naar Den Haag. Het begon zo’n beetje bij de Geestbrug en liep door naar de gasfabriek aan het eind. Er was zelfs een bruggetje. Ook dát hadden de Duitsers op hun tekeningen staan. Die kaarten waren zo gedetailleerd!’

Krijgsgevangen in Engeland
‘Ik heb horen vertellen, dat de Duitse krijgsgevangenen vanuit het circusgebouw naar IJmuiden zijn gebracht. Daar zouden ze op de boot zijn gezet en naar Engeland getransporteerd. Hitler had door willen stoten naar Engeland. Maar omdat hij zoveel parachutisten kwijtgeraakt was en veel van zijn vliegtuigen, kon hij daar niet meteen mee doorgaan. Dus uiteindelijk hebben we wat dat betreft zijn plannen gedwarsboomd. Dat weet je pas achteraf. Vergeet niet, dat die krijgsgevangenen die we gemaakt hebben, wél allemaal tot de elitetroepen van Goering behoorden. Het waren jongens die betaald werden en waarmee de Duitse legerleiding hoopte de ‘Slag om Engeland’ te winnen. Maar dat is mooi niet doorgegaan!’

Capitulatie
‘We wisten toen niet, dat de oorlog snel voorbij zou gaan. De Duitse overmacht was zó groot, dat we het gewoon niet konden winnen. Engeland was er nog niet klaar voor, ook Frankrijk niet. Dus op 14 mei werd Rotterdam gebombardeerd en de dag daarna tekende generaal Winkelman de capitulatie. En wij? Wij hebben spontaan al onze wapens in de Trekvliet gegooid. Ze mochten eens in handen van de Duitsers vallen! Flauwekul natuurlijk, want ze zouden aan onze spullen niets gehad hebben. Maar goed, het waren natuurlijk ook de emoties die meespeelden.’

Frans Holtkamp
fcmh@xs4all.nl

Het interview is afgenomen door Frans Holtkamp op 17 maart 2015. Albert van der Burg is in april 2016 overleden. Het hele interview: https://fransholtkamp.files.wordpress.com/2015/04/albert-van-der-burg.pdf

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann