Mijn vakanties

Eigenlijk ben ik nooit echt met mijn ouders op vakantie geweest. Voor de oorlog, tijdens de crisisjaren, was er er in ieder geval geen geld en tijdens de bezetting waren er andere zaken waar men zich mee bezig moest houden. Het feit dat arbeiders geen betaalde vrije dagen hadden, deed er natuurlijk ook geen goed aan. Het enige wat ik nog weet is dat mijn vader bij wijlen bezig was met het volplakken van vellen papier met vakantiezegels. Deze zegels werden door de werkgever verstrekt om uitgaven tijdens het opnemen van vrije dagen te bekostigen, en konden verzilverd worden bij een aangegeven instantie, bijvoorbeeld bij de kantoren van de vakbonden. Pas in 1941 werd het recht verkregen op betaald verlof door de werkgever, zes dagen per jaar!

Wat we wel deden voor de oorlog was familiebezoek. Elk jaar bezocht ons gezin de ouders en andere familieleden van mijn moeder die in haar geboorteplaats Oude Tonge woonden. Dat was wel nodig, want dat was de enige gelegenheid voor mijn moeder om haar ouders te ontmoeten. Dat bezoek gebeurde in de schoolvakantie in de zomer.

In die tijd was de reis er naar toe een interessante, doch zeer tijdrovende, gebeurtenis. Er waren toen nog geen tunnels en weinig bruggen die de eilanden onderling met elkaar verbonden. Waar men er nu met de auto in pakweg anderhalf uur over doet, daar moest men er toen een groot gedeelte van de dag voor uittrekken. En voor ons, de kinderen, zal blijken uit het volgende relaas dat de reis op zich al een soort vakantie was.

De reis verliep als volgt. Nadat de spullen, die nodig geacht werden in rieten koffers gepakt waren vertrokken we met tramlijn 10, die zijn beginpunt had in de Pluvierstraat (Duindorp) bij ons voor de deur, naar Station Hollands Spoor. Vervolgens werd de reis voortgezet per trein naar Rotterdam, Station Hofplein. Vandaar ging het verder met een locale tram naar de Rosestraat in Rotterdam Zuid. Hier vertrok een stoomtram, het moordenaartje genoemd, die ons over een aantal eilanden via plaatsen zoals Hoogvliet, Poortugaal, etc. naar de eindbestemming Hellevoetsluis bracht. Voor de verandering werd er vervolgens een boottochtje uit de hoge hoed getoverd. Dus met de veerpont van Hellevoetsluis over het Hollandsdiep naar Middelharnis op het eiland Goeree Overflakkee. En als laatste traject maakten we gebruik van een deel van het plaatselijk tramlijnnetwerk dat liep van Middelharnis via Nieuwe Tonge en Oude Tonge naar Ooltgensplaat. Dit tramnetwerk was feestelijk geopend op de geboortedag van Prinses Juliana in 1909. Nadat het netwerk tijdens de Watersnoodramp in 1953 al gedeeltelijk was verwoest werd het volledig uit bedrijf genomen in 1956. Na nog een kwartiertje wandelen kwamen we aan bij de woning van mijn grootouders, gelegen aan de weg genaamd Zuiddijk. Al met al was dit was in mijn ogen een wereldreis. Wat heb ik genoten, vooral van de boottocht.

Vergeleken met de huidige standaard was de woning van mijn grootouders een piepklein huisje. Het bestond uit een woon/eetkamer met een bedstee, zijnde een ingebouwde slaapgelegenheid voor twee personen. Aansluitend aan deze kamer was er nog een klein kamertje, ook met een bedstee, waarin mijn overgrootvader tot aan zijn overlijden in 1937 was gehuisvest. Gelijkvloers bevond zich ook de keuken en een bijkeukentje. De wc was aan de achterkant van het huis aangebouwd en was alleen van buitenaf bereikbaar. De wc bestond uit een plank met een gat erin. Dat vond ik maar vreemd. Zover ik me kan herinneren liep de afvoer van de wc in een smal slootje dat achter het huis doorliep. Voor de nacht maakte men gebruik van een po. Via een opklapbare trap kwam men op de zolder die onder andere ook gebruikt werd als slaapplaats voor de elf kinderen. De jongens sliepen aan de ene kant en waren gescheiden door een gordijn van de meisjes die aan de andere kant sliepen. Waar ze in of op sliepen is mij niet bekend, maar dat zullen zeker geen ledikanten geweest zijn. Ik begrijp nog steeds niet hoe ze dat voor elkaar kregen. Schuin achter het huis was een houten schuur waarin een varken en een aantal kippen gehouden werden. Jaarlijks werd het varken geslacht en dan had het gezin weer voor een tijdje vlees, spek en worst om van te eten. En altijd was er een vers eitje. Ongetwijfeld zal er een moestuin geweest zijn, maar zeker niet naast het huis. Wel was er nog een stukje gras opzij van de woning, de bleek genaamd. Daar werd met goed weer de was op gedroogd en gebleekt. Niet met een bleekmiddel, maar door blootstelling aan het zonlicht.

Mijn vrije tijd bracht ik door bij het varken en de kippen, want dat waren dieren waar ik normaal gesproken niet mee in aanraking kwam. Ik mocht dan ook helpen bij het voederen van de beesten en het schoonmaken van de hokken. Ook ging ik af en toe een eindje wandelen, kuieren heette dat in het lokale dialect. Voor een ui hadden ze ook een speciaal woord, het klonk als jun, waarschijnlijk afgeleid van ajuin, wat ook ui betekent. Kuieren deed ik vooral met opa, we gingen dan naar de Kaai, de kade bij het haventje aan het begin van de Zuiddijk. Volgens mij was dat ook een hangplek voor senioren, zoals dat door de jaren heen in vele dorpen het geval was.

Regelmatig, waarschijnlijk dagelijks, kwam de broodbezorger langs. Mijn opoe kocht dan onder meer enige behoorlijk grote ronde broden. Voorafgaande aan de broodmaaltijd vond het snijden van het brood door mijn opa plaats met enig ritueel. Hij hield dan zo’n groot brood voor zijn buik om vervolgens met grote halen van een vlijmscherp broodmes een stapel sneden brood te produceren. Op een keer kocht mijn opoe bij de broodbezorger voor mij een eierkoek. Zo’n grote koek had ik nog nooit gezien, laat staan gegeten. Heerlijk! Verder speelde ik wat rond het huis en als ik binnen zat mochten mijn broer en ik gebruik maken van de aanwezige meccanospullen, waar je mooie dingen mee kon bouwen. Die meccanospullen waren van de jongste broer van mijn moeder, die overigens slechts 10 jaar ouder was dan ik. Na een aantal jaren hebben we zelfs de meccanodoos met inhoud mee naar huis gekregen.Toen we ouder werden zijn we ook wel met de fiets naar Oude Tonge gegaan. We fietsten dan van huis naar Vlaardingen, en gingen vandaar met een boot tussen diverse eilanden door naar Hellevoetsluis. Vervolgens, zoals gebruikelijk, met de veerpont naar Middelharnis. Tot slot verder met de fiets naar Oude Tonge. Op een van deze tochten verloor mijn broer Dick onderweg een gedeelte van zijn bagage zonder dat hij dat onmiddellijk gemerkt had. Dus mijn vader en mijn broer zijn direct omgekeerd en na de gevonden bagage weer op de fiets gebonden te hebben reden ze snel terug naar de achterblijvers. We hebben daarna flink door moeten rijden om de boot alsnog op tijd te kunnen halen. Hetgeen gelukt is!

Ik geloof niet dat er tijdens de bezetting en de eerste paar jaren daarna iets ondernomen is wat op vakantie zou moeten lijken. Hooguit een bezoekje aan de Haagse Dierentuin of een dagje naar de speeltuin Drievliet in Rijswijk.

Frans Fraters
ffraters@gmail.com

Station Hollands Spoor (1948). Foto: Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting (vervaardiger), collectie Haags Gemeentearchief

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann