Het begon met juffrouw Scheurkogel

Ze heette juffrouw Scheurkogel, die vriendelijke dame die mij verwelkomde toen ik mij aan de hand van mijn moeder begin september 1937 bij haar meldde in de eerste klas van de openbare lagere school in de Vlierboomstraat. Ik was in januari dat jaar 6 jaar geworden en mijn ouders waren daardoor verplicht om mij naar school te sturen.

Ik kwam niet geheel onvoorbereid. Ik had al enige ervaring in het onderwijs opgedaan door de tijd die ik had doorgebracht op de kleuterschool in de Anemoonstraat. Toen onder leiding van een juffrouw Bronckhorst. Ook was ik grondig voorgelicht door mijn oudere broer die op dat moment al enige jaren lager onderwijs achter de rug had. Die waardevolle informatie door een “ervaringsdeskundige” bevatte een detail dat mij in het bijzonder interesseerde. Dat was dat ik op de lagere school een eigen kastje zou krijgen waarin ik mijn eigen spulletjes zou mogen opbergen. Dat was voor mij een ongekende weelde. Ik had er geen enkele voorstelling van hoe dat zou zijn. Zo’n voorziening hadden we op de kleuterschool niet. Maar ik was natuurlijk ook nieuwsgierig of het ze zou lukken om mij lezen, schrijven en rekenen bij te brengen.

Ik liep dus die eerste keer vol verwachting met mijn moeder mee naar die openbare lagere school en maakte kennis met juffrouw Scheurkogel. Juffrouw Scheurkogel (een opvallende naam met een oorlogsdreiging in afzienbare tijd) wees mij een plaatsje in één van die “solide” houten schoolbanken waarvan de zitting en de lessenaar één geheel vormden en die als je erin plaatsnam of erin ging verzitten een afschuwelijk gekraak lieten horen. Je was dus wel verplicht om stil te zitten.

Zodra ik zat begon ik met een intensief onderzoek! Ik ontdekte al gauw aan de voorkant van mijn lessenaar, zowel in het midden als rechts, een opvallen gevormd gat. Met mijn fameus technisch inzicht trok ik meteen de conclusie dat dit natuurlijk de sloten van die mysterieuze kastjes moesten zijn. Met mijn vinger in zo’n gat probeerde ik zo’n kastje te openen. Dat lukte niet maar het trok wel ogenblikkelijk de aandacht van een zeer attente juffrouw Scheurkogel die onmiddellijk toeschoot en mij duidelijk maakte dat ik bezig was om met mijn vingers in een inktpot te roeren. Gelukkig waren de inktpotten, hoewel niet helemaal schoon, nog niet met inkt gevuld zodat mijn “ontdekkingstocht” zonder veel nadelige gevolgen bleef.

Daarna ontdekte ik dat het “kastje” niet meer was dan een plank die onder de lessenaar was bevestigd waarop je later je boeken en schriften kon leggen. Ik was wel een beetje teleurgesteld dat de oplossing zo eenvoudig was.

De eerste twee jaren verliep mijn schooltijd redelijk vlot. We leerden letters schrijven in keurig schuinschrift op speciaal gelinieerd papier, we leerden woorden kennen met behulp van de leesplankjes en we maakten sommetjes met de eenvoudige opgaven die de juffrouw op het bord schreef. Op een zeker moment werd er inkt in de inktpotten gedaan. Dat gebeurde uit een grote fles met een schenktuit. Nu gingen we aan de slag met de kroontjespen. Vooraf was aan iedere moeder gevraagd om een inktlap te maken. Die bestond uit een aantal op elkaar genaaide lapjes met een knoop erop. Sommige kinderen bezaten een sponzendoos. Dat was een doosje met een spons erin die oorspronkelijk was bedoeld om een leitje mee schoon te vegen. We gebruikten geen leitjes en griffels meer dus kon dat sponsje worden gebruikt om een pen aan af te vegen.

We kregen twee schriften: een werkschrift en een schoonschrift. Het werkschrift (ook wel kladschrift genoemd) kon alleen met potlood worden beschreven.

Juffrouw Scheurkogel instrueerde ons, las en rekende ons voor en leidde, gezeten op haar hoge stoel, als een umpire bij het tennissen alles in de juiste banen. Aan de hand van die grote schoolplaten vertelde zij over allerlei onderwerpen. ’s Zaterdagmorgens na de lestijd las ze voor uit een boek. Zo af en toe verliet zij haar troon om een oorveeg uit te delen. Een bel kondigde het speelkwartier aan. Daarvoor of daarna (niet tijdens) at de juffrouw voor de klas haar keurig in blokjes gesneden witte boterhammetje waarbij de kinderen die thuis, door de armoe van de in die tijd heersende crisis en werkeloosheid niet veel hadden, watertandend toekeken. Die armoede was bij een aantal kinderen duidelijk zichtbaar. Zij droegen de opzichtige kleren die gratis waren verstrekt door het “Crisiscomité”.

In januari 1938 werden we plotseling opgeschrikt door een hevig lawaai. Het was een getoeter en gefluit van jewelste. Horen en zien verging ons. Er ontstond lichte paniek. Juffrouw Scheurkogel sprong van haar zetel en haastte zich de gang op om te horen wat er gaande was. Er bleek een prinsesje te zijn geboren. Groot feest! De lessen werden onderbroken en we mochten allemaal naar huis om dit heugelijke feit te vieren. Later kregen we beschuit met oranje muisjes.

Op het einde van het tweede schooljaar, eind juli 1939 namen we afscheid van juffrouw Scheurkogel. We waren iets volwassener geworden en het werd tijd voor een meester.

Tot nu toe waren mijn eerste schooljaren weinig spectaculair verlopen. Maar het zou anders worden.

Tijdens die schoolvakantie in 1939, dus bij het begin van het derde schooljaar, werd de mobilisatie afgekondigd. In een aantal schoolgebouwen in de stad werden militairen gelegerd en er ontstond voor de schoolgaande kinderen een vrij chaotische toestand. We werden in andere schoolgebouwen ingekwartierd en we kregen zeer onregelmatig onderwijs op aangepaste tijden.

Korte tijd na de meidagen in 1940 vielen er in eens open plekken in onze klas. Plotseling misten we klasgenootjes. Het drong niet direct tot ons door wat de reden van die afwezigheid wel zou kunnen zijn. Pas later begrepen we dat het hier ging om Joodse kinderen en om kinderen uit gezinnen die om andere redenen gevaar liepen.

Ook in onze woonomgeving gebeurden er dingen die door ons, kinderen, moeilijk te bevatten waren: Drie huizen van ons huis vandaan woonde een echtpaar. De man was gewezen scheepskok op de “ss. Orania”. Op het raam van hun huis stond dan ook met trotse letters geschreven “Maison Orania, Uitzending Diners”. Het enigszins bejaarde echtpaar hield zich dus nog op bescheiden schaal bezig met het koken voor anderen. Een aantal alleenstaande personen in onze buurt maakten gebruik van deze mogelijkheid. Op een dag was ik er getuige van dat er gewapende Duitsers verschenen die dat Joodse echtpaar onder bedreiging van geweren arresteerden en wegvoerden. Ik was diep onder de indruk van dat afschuwelijke gebeuren.

Ook verdwenen er winkels. Bijvoorbeeld de Amsterdamse Bazaar op de Laan van Meerdervoort, waar wij als kinderen met die ene cent die we zo nu en dan eens van onze ouders kregen terechtkonden voor allerlei snuisterijen en snoepgoed, was plotseling, zonder vooraankondiging gesloten.

Na verloop van tijd verschenen er ook kinderen in het uniform van de Nationale Jeugdstorm in onze klas. De NJS was de jeugdorganisatie van de NSB. Die kinderen werden door ons met argwaan bekeken en meestal gemeden. Dat laatste was misschien in het licht van die omstandigheden en de toen heersende mentaliteit wel begrijpelijk. Nu moet het toch betreurd worden. Men mag natuurlijk nooit de kinderen aansprakelijk stellen voor de (verkeerde) keuzen die door hun ouders worden gemaakt.

Kinderen uit een groep stoten is een wrede daad. De buitengeslotenen zullen zich kwetsbaar en onveilig voelen.

Vaak hebben die kinderen de foute keuzen van hun ouders, zonder dat zij daar zelf schuldig aan waren, langdurig als een taboe moeten meedragen.

Misschien is dit niet de plaats om te moraliseren. Toch vind ik het (voor mijzelf) belangrijk om te beseffen dat het leed dat toen door onze boycot aan die kinderen werd toegebracht door hen hun hele verdere leven moet zijn meegedragen. Dat is voor mij een moeilijk verteerbare gedachte.

Gé C Witmaar
gcwitmaar@gmail.com

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann