Rovende bende puberjongens teisterde Haagse binnenstad

Straatjongens die opgroeiden als schoffies en leefden in de achterbuurten, waren door de eeuwen heen in grote getale aanwezig in Den Haag. Geen of weinig schoolopleiding en verkeerde vrienden stonden al vroeg garant voor een carrière in het dievengilde. Zeker als daar nog eens ouders waren die het verkeerde voorbeeld gaven. Jan Faasse was zo’n Haagse knul wiens wiegje verkeerd stond.

Jan Faasse was een boefje van zestien jaar toen hij voor diefstal werd opgepakt en voorgeleid aan de baljuw van Den Haag. Het was 1755 en de ondeugende jongen was zich amper bewust van zijn misdaden. Hij was niet anders gewend en wist niet beter. Samen met zijn vriend, de 14-jarige Jantje van der Meulen, was hij al lange tijd bezig te dieven en te stelen. Een klein ratje uit een milieu, waarin diefstal om te overleven schering en inslag was. Jan Faasse, die wegens het stelen van brood Jan Timpe (broodje) werd genoemd, woonde bij zijn 47-jarige moeder Maria Luijk die weduwe was van Johannes Faasse. Niet bepaald een voorbeeldgezin, daar moeder geregeld aan het helen was.

Beestenmarkt
De baljuw luisterde aandacht naar de opsomming van wandaden. Het begon allemaal in de winter van 1754, toen hij samen met vriendje Abraham Viel twee halfzijden zakdoeken stal vanuit een venster op het Hoge Zand nabij de Lange Beestenmarkt. De buit van 6 stuivers deelden zij samen. Het eerste ei was gelegd. Spoedig kwam hij met vrienden in het bezit van 12 gestolen ringen, waarvan hij er één verkocht aan een zilversmid in Delft. De buit bedroeg één dukaat. Hij kwam met steeds meer jongens van zijn leeftijd in contact om geld te verdienen. Stadsgrenzen werden daarbij genegeerd en het platteland van met name Rijswijk was ook een geliefde plek voor de jonge boeven. Na nog die winter op een kraam op de Haagse kermis zeven paar sokken te hebben gestolen, ging een groepje naar het platteland.

Smidswater
Op een Rijswijkse boerenwoning, genaamd de Kooij, werd een paardentuig met hoofdstel gestolen door Jan en zijn kornuiten en verkocht aan een man, die met een tent op het ijs stond nabij de Bontepaal. Op het ijs kwam hij weer nieuwe ‘vrienden’ tegen met wie hij drie fazanten stal van een Rijswijkse buitenplaats. De beesten werden verkocht en de opbrengst verdeeld. Ook een huis aan het Smidswater moest het ontgelden, waar hij met een vriend een stuk rood katoen stal van anderhalf el lengte. Het spul werd aan zijn moeder verkocht voor 14 stuivers, waarvan de ene helft zijn collega-dief toekwam. Bij een zilversmid in de Schoolstraat werden drie gespen gepikt en aan een andere zilversmid doorverkocht voor 42 stuivers.

Geseling
De lijst met diefstallen ging nog even door. De baljuw schudde zijn hoofd bij het aanhoren van deze lijst. Telkens was de moeder de opkoper en het verweer van jonge Jan was steeds, dat hij niet wist dat het niet mocht en dat hij slechts toekeek zonder er echt bij betrokken te zijn geweest. Hij voelde zich misleid. Ook de oudste en jongste zus van Faasse hielden zich bezig met heling en diefstal.

De jonge Jan werd uiteindelijk gegeseld en veroordeeld tot een werkstraf van twaalf jaar in het tuchthuis. Moeder Faasse werd gegeseld, gebrandmerkt met het stadsbrandijzer en voor 25 jaar in het tuchthuis gegooid. Nadien volgde verbanning.

Frans van der Helm
helmhuis@ziggo.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann