Een baby uit 1943

Een reiswieg met een mica-kijkglaasje. Angst voor kinderverlamming en dysenterie. Een heel klein blauw-paars mensje. Een bijtring en een kwast onder de rammelaar. Het kwam allemaal aan de orde in het baby-boek dat mijn vader in mijn eerste levensjaar van 1943 tot 1944 bijhield.

Volgens dat baby-boek zag ik op dinsdagmorgen 18 mei 1943 om kwart voor negen het licht in de Emmakliniek aan de Parkweg te Den Haag. In de schuilkelder wel te verstaan. Omdat er op dat moment net een eskader bommenwerpers over Den Haag vloog en men het zekere voor het onzekere wilde nemen.

Het kraambezoek telde zeven personen waaronder mijn opa en oma uit Amsterdam en de zus van mijn moeder.

Maar voor het zover was beschrijft mijn vader uitvoerig hoe de onverzadigbare lust tot eten van mijn moeder, het halve jaar voor de bevalling, getemperd werd door de afwezigheid van voedsel. Het was immers oorlog. Fruit was bijvoorbeeld na september 1942 in heel Den Haag niet meer te krijgen. En zo werden de versnaperingsbonnen omgezet in pepermunt.

Tot overmaat van ramp kwam daar nog bij dat mijn ouders, die toen woonden op het Sprietplein in de Vogelbuurt, half december 1942 moesten evacueren naar de Vlierboomstraat wegens de aanleg van het Sperrgebiet, een onderdeel van de Atlantikwall. Uiteraard weet ik daar allemaal niks van. Maar mijn vader beschrijft het tot in detail in mijn Baby-boek.

In de maand voorafgaand aan mijn geboorte voer er, alweer volgens mijn vader, een werkwoede in mijn moeder die uiteindelijk resulteerde in ‘een buitengewoon schoon huis’. En toen ik mij dan tenslotte aankondigde (geen idee meer hoe ik dat toen deed) hebben mijn ouders alvast voor de zekerheid samen de nacht doorgebracht in de verloskamer. Omdat niemand zich toen tussen middernacht en vier uur ’s ochtends op straat mocht vertonen.

‘Een weg vol vraagtekens’
‘Het was nu lang geen pretje meer’, schrijft mijn vader in mijn babyboek over de minuten, voorafgaand aan mijn opstanding. En toen, ja hoor: ‘een heel klein mensje, nog wat blauw paars, dat al dadelijk met een paar schreeuwen van zich liet horen’. En: ‘De eerste stap op een weg welkseinde kronkelingen, stijgingen en dalingen nog grote vraagtekens zijn’, zo gaat hij wijsgerig verder. Nu pas, na 75 jaar begrijp ik een klein beetje wat hij bedoelde.

Na veel bloedverlies, een paar dagen langer in de kliniek, een extra ei per dag en iedere dag een leverinjectie kwam mijn moeder er tenslotte ook weer bovenop.

‘Toen hij pas geboren was, leek hij sprekend op zijn vader, maar na een week begon hij al weer een beetje op te knappen’, vervolgt hij. En ik me mijn hele leven maar afvragen, hoe ik toch aan mijn cynische kijk kom.

En dan: ‘puistjes op zijn hoofd die na enkele dagen weer over gingen’. Daarna: ‘luid geschreeuw en gebrek aan geduld als zijn moeder niets meer voor hem had’.

Zondag 20 juni 1943: ‘Meestal zijn de huilpartijtjes niet van de lucht. Maar als we hem in de kinderwagen deden en met hem naar de bosjes van Pex wandelden, gaf hij geen kik en heerste er daarna overwegend rust in het wiegje’.

Vorderingen
Uiterst minutieus hield hij in het babyboek mijn vorderingen bij. De tijdstippen waarop de voeding plaats vond: 7 uur, 10:30 uur (na het badje), 13:30 uur; 16:30 uur, 19:30 uur en 20:30 uur. Ook gewicht en lengte werden dagelijks genoteerd: van 2960 gram op 18 mei 1943 tot 9080 gram op 15 februari 1944. En in het eerste half jaar groeide ik van 50 naar 66 centimeter! Dat is nu trouwens wel anders. Thans weeg ik 72 kilogram meer dan toen en ben inmiddels wel 1 meter en 19 centimeter langer geworden.

En stel je voor: als ik nu net zoveel zou eten als toen (de norm voor baby’s was destijds 150 gram per kilo lichaamsgewicht per dag) zou ik thans iedere dag ruim 11 kilo voedsel dienen te consumeren!

Reden tot lachen had ik toen nauwelijks. Huilen kon ik wel goed. Volgens het babyboek trapte ik me daarbij stelselmatig omhoog totdat ik met de bovenkant van mijn hoofd tegen het rieten wiegje schompte. Waardoor ik wekenlang met een rode afdruk van het riet op mijn hoofd moest leven. Lachen deed ik trouwens pas na 36 dagen. Nog steeds tast ik in het duister wat de aanleiding moet zijn geweest. Ik wou dat ik het wist.

Speeltjes
Kinderverlamming en dysenterie kwamen in de laatste jaren van de oorlog kennelijk nogal eens voor. Reden om mij (wegens eventuele besmetting?) te onthouden van vruchtensap. De heersende kinderverlamming was kennelijk ook een reden om een bezoek aan opa en oma in Purmerend voorlopig nog maar even uit te stellen. Die hadden mij drie maanden na mijn geboorte nog steeds niet gezien. Ik hen dus ook niet.

Echte speeltjes had ik niet. Die waren in de oorlog niet te krijgen. Zelfs een bijtring moesten we lenen van een tante. Maar oma uit Amsterdam had allerlei voorwerpjes, zoals een visje en een kubusje van zeildoek voor me gemaakt die aan een koordje in mijn wiegje hingen en waar ik dan net zo lang aan trok tot de hele zaak naar beneden kwam. Hetgeen ook gold voor de kwast onderaan de rammelaar. Er was trouwens ook een gummi hondje. ‘Maar niets van dat al kon tippen aan een blaadje papier dat zo heerlijk kon ritselen wanneer je er in grijpt’.

Tot slot een wat langer citaat uit het baby-boek. Vooral ook vanwege de tijdgeest die eruit spreekt:

‘Van 26 september tot 3 oktober (1943) zijn we op vakantie geweest. De kinderverlammingsepidemie is de laatste weken namelijk aardig gezakt. Plotseling hadden we zin in de reis naar Purmerend.

Die reis verliep vlot. Met Julius in een geleend reismandje dat onderweg nogal wat bekijks trok. Door het rechthoekige mica venstertje zag je twee dikke, blozende wangetjes met blauwe ogen die goed harmoniseerden met zijn blauwe mutsje en jasje. En niet alleen bekijks: we hoorden ook diverse opmerkingen waarvan enkele hier niet onvermeld mogen blijven. Op het bootje naar Purmerend meende iemand Mozes in eigen persoon in het reismandje te zien. En op de Hoogte Kadijk in Amsterdam riep een jongetje van een jaar of twaalf naar z’n vriendje: ‘Hé Kees! Moje’s kake hè. D’r leit een kindje in. As ze naor de bijeskoop gaon, neime ze ’t oak mei hè!”

‘Op het gemakje’
Moet ik nog verder gaan?

1944, 7 januari: Julius peuzelt voor het eerst een koekje op uit eigen hand.

20 januari: het eerste plasje van Julius opgevangen op het gemakje. Een paar dagen later zelfs een ‘grote’.

29 februari: oortjes doorgeprikt.

15 april: Julius gaat uit zichzelf staan.

Enzovoort.

Tot zover mijn vader. Over mij. Over dingen waar ik zelf niets vanaf weet. Uit een periode die bij nadere beschouwing toch wel heel erg veel verschilt van de huidige tijd. Reden voor nostalgische gevoelens? Ik heb geen idee. U wel?

Mail het naar julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann