Het Laakkwartier in de oorlog

Gaarne wil ik iets vertellen over een stukje Laakkwartier en de oorlog, omdat in het door mij bedoelde stukje de hele oorlog in mini wordt getoond. Het gaat om de Slachthuiskade (nu Neherkade) tussen Rijswijkseweg en Trekvliet en de overkant daarvan, de Goudriaankade tussen Rijswijkseweg en Trekvliet. Beide straten gescheiden door de Laak.

Eerst even een beschrijving van beide straten. De Slachthuiskade: op de hoek Rijswijkseweg het postkantoor met bovenwoningen, daarnaast richting Trekvliet een dubbel woonhuis met eronder een garage. Daarnaast de suikerwerkfabriek Paré, een braakliggend stuk grond (eigendom Paré) dan bijna op de hoek bij de Vliet een blokje van vijf portiekwoningen en een houtzagerij en op de ronde hoek bij de Vliet nog een braakliggend stukje grond.

Aan de overkant op de hoek Rijswijkseweg-Goudriaankade de bakkerij van de familie Peeters, daarnaast een koffiehuisje met bovenwoning, dan de fijn-metaalfabriek Duiker en verder wat kleinere bedrijven, meestal bodediensten en beurtvaartkantoortjes, aan het eind op de hoek het kantoor van de havenmeester, dat er als monument nog staat.

Mijn vader werkt bij Paré en wij wonen in de dienstwoning, die deel uitmaakt van het fabrieksgebouw dat loopt van de Slachthuiskade tot aan de Laakweg, waar het ketelhuis aan grenst.

Op 10 mei 1940 maakt vreemd gerommel en gedreun ons wakker. Jawel, het is oorlog en het lawaai komt van het dreunen van de vliegtuigmotoren die Ypenburg bombarderen. Wij weten niet veel van gevaar en gaan naar buiten op de Laakbrug om te kijken naar de vliegtuigen en de kleine wolkjes die ontstaan als de granaten van onze luchtafweer daar hoog in de lucht exploderen. Plots wordt een vliegtuig geraakt. We zien vlammen in de linkervleugel. De piloot probeert op topsnelheid loodrecht omhoog te klimmen, een trucje waardoor het vuur wel eens dooft. Deze keer helpt het niet, de vleugel knapt af en het toestel valt dwarrelend naar de grond. Of alleen de bemanning nog aan boord is of ook nog parachutisten die nog gedropt hadden moeten worden, weten wij niet, maar in elk geval zijn alle inzittenden reddeloos verloren.

Schieten
Door de oorlog ligt de fabriek stil, maar de stoomketels die op een laag pitje staan moeten wel gecontroleerd worden, evenals de werkruimten. Dus maakt vader een paar keer per dag een ronde door de fabriek. Op één van die rondes hoort hij eigenaardige inslagen in de zinken goot langs de dakrand aan een zijde van de fabriek. Hij zoekt een veilig plekje waar hij op de achterkant van de huizen aan de Rijswijkseweg kan kijken. En ja hoor, op het balkon van een huis naast het postkantoor staan twee mannen in burger te schieten op die goot.

Vader neemt contact op met een nabij de Laakbrug gelegerde legerpost, waar hij wordt verwezen naar de onderdeelscommandant in het HTO-gebouw aan de Rijswijkseweg-Laakkade. Met die commandant wordt afgesproken dat op een nauwkeurig vastgesteld tijdstip twee militairen bij ons op de trap zullen komen, zodat zij vanuit ons huis het betreffende balkon onder schot kunnen houden. Op precies hetzelfde moment zullen andere soldaten de voordeur van het verdachte huis intrappen en daar naar binnen stormen. Aldus geschiedde en onmiddellijk vluchtten enkele mannen het balkon op, waar zij vanuit ons huis het bevel ontvingen te blijven staan met de handen omhoog. Er zijn vijf mannen meegenomen, waarvan twee Duitsers in burger. De bewoners van het huis waren NSB’ers. Waarom die idioten op de zinken dakgoot zijn gaan schieten is voorgoed een raadsel.

Ongeveer een week na de capitulatie werd er in de avond bij ons aangebeld. Vader naar beneden om open te doen. Staan er twee NSB’ers in uniform. Zij kwamen vader halen, omdat hij hun kameraden had verraden. Vader hield het hoofd koel en beweerde dat hij van niets wist, zich ook rot was geschrokken toen die soldaten bij ons de trap op stormden en dat ze nog maar eens terug moesten komen, als ze enig bewijs van hun bewering hadden. Hij gokte er op dat in de chaos van de oorlog de rapporten van de commandant wel zoek zouden zijn geraakt. Dat is waarschijnlijk ook gebeurd, want ze zijn nooit teruggekomen, al zaten wij nog wel een paar maanden in angst.

Dit was het begin van vijf jaar ellende, maar dat was ons toen uiteraard nog niet bekend. Ik ga geen verslag van dag tot dag maken, maar pak telkens een bepaald aspect van de oorlog, toegespitst op een situatie in dit deel van het Laakkwartier.

Bij het onderwerp joden denkt iedereen meteen aan de ster, de deportaties en de gaskamers. Weinig bekend is dat reeds twee weken na het begin van de bezetting de bezetter gelastte dat joden in dienst van de Luchtbescherming moesten worden ontslagen. Later volgde het verbod joodse ambtenaren promotie te geven of joodse ambtenaren aan te nemen, weer later het bevel joodse ambtenaren op non-actief te stellen, gevolgd door een bevel hen te ontslaan. Naast de ‘J’ in het identiteitsbewijs, kwam het gele ster-bevel en het verbod om een eigen zaak te hebben.

In de inleiding noemde ik de houtzagerij in het blokje aan het einde van de Slachthuiskade. Dit bedrijfje, want veel stelde het niet voor, was eigendom van een orthodox-joodse man met zijn zoon en viel dus onder dat verbod. De vader heeft zich in Amsterdam laten castreren, waardoor hij geen ster meer hoefde te dragen, de ‘J’ uit het identiteitsbewijs verdween en anti-Joodse maatregelen op hem niet meer van toepassing waren. Tot op het laatst demonstreerden de nazi’s hierbij hun walgelijke mentaliteit. Als de joodse mannen zich bij die medische instantie in Amsterdam meldden (slechts een paar honderd hebben dit gedaan) werden zij met de nazi-minachting en vernederend ontvangen. Na de castratie was het ‘goede dag meneer’, ‘goede reis meneer’. De zoon heeft dit principieel geweigerd, is gedeporteerd en op de bekende manier omgebracht. De vader heeft het mentaal toch niet kunnen bolwerken en binnen het jaar was het bedrijfje alsnog weg.

In hetzelfde blokje woonde een NSB-gezin met twee zonen. Van tijd tot tijd zagen wij die lui in hun zwarte uniformen op de kade lopen, maar de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat zij niemand last bezorgden. Na de Duitse inval in Rusland hebben de beide zonen zich als vrijwilliger gemeld voor de Waffen-SS. In hun korte opleidingstijd kregen zij een enkele keer verlof en dan zagen wij hen trots in hun uniform met glimmende soldatenlaarzen over de kade wandelen. Beide zonen zijn, strijdend voor Führer, Volk en Vaderland (welk volk en vaderland?) aan het Oostfront gesneuveld.

Een chef van mijn vader had twee zonen. Eén daarvan kreeg na de oorlog een onderscheiding voor zijn werk in het verzet. De andere zoon heeft na de oorlog bij verstek de doodstraf gekregen voor zijn werk voor de beruchte en gevreesde SD. Hij was naar Argentinië gevlucht en is daar een paar jaar geleden op hoge leeftijd overleden.

De oorlog woekert voort met alle ellende van dien. De Arbeidseinsatz, de tekorten aan levensmiddelen, kleding en van alles. Duits schrikbewind, Jodenvervolging noem maar op. Dan komt D-Day en de hoop op spoedige bevrijding, die echter nog wel enige tijd op zich laat wachten.

Hongerwinter
De mislukte Slag om Arnhem en de Spoorwegstaking hebben grote gevolgen voor het westen van ons land uitmondend in de beruchte Hongerwinter. Voordat deze zich in volle hevigheid zal openbaren, organiseren de Duitsers nog razzia’s om dwangarbeiders te vangen voor werk in hun oorlogsindustrie. Ook Den Haag moet er in november 1944 aan geloven. Aan de kade van de Slachthuiskade, precies voor Paré worden twee rijnaken afgemeerd. Deze boten waren al jaren eerder door de Duitsers gevorderd en omgebouwd tot landingsvaartuigen voor hun voorgenomen invasie in Engeland. De puntige boeg is vervangen door een plat luik en er is een soort rond balkon op gebouwd, waarop een .50 vierling-luchtafweermitrailleur is geplaatst. Het personeel bestaat uit matrozen van de Kriegsmarine. Kort na de aankomst van deze schuiten vindt de razzia plaats en daags daarna verdwijnen honderden opgepakte mannen in de ruimen van die schepen, begeleid door drukdoenerige kleine soldaatjes met erg grote geweren. Mongoolse vrijwilligers in Duitse dienst, die door de Duitsers nog niet voor de helft worden vertrouwd en uitgerust zijn met geweren van vóór de Eerste Wereldoorlog. Onze mannen zullen via het IJsselmeer worden afgevoerd, is de bedoeling. Het loopt tegen de Kerst, de honger en ellende nemen toe, er is geen elektra meer, trams rijden niet of nauwelijks, mensen halen houten blokken tussen de rails weg of slopen het uit lege panden. Bij Paré is de snoepgoedfabricage vervangen door het koken van eten voor het IKB (Inter-Kerkelijk Bureau) dat twee of drie keer per week kleine porties extra voedsel verstrekt aan hongerende kinderen met een doktersattest.

Sinds enkele maanden heeft nazi-Duitsland haar laatste maar verschrikkelijke wanhoopswapen ingezet, de V1- en V2-raketten, voornamelijk gericht op Londen als vergelding voor de bombardementen op Duitse steden en op Antwerpen als strategisch doel, om de aanvoer van voorraden voor de geallieerde troepen via die haven te stagneren. Die raketten worden gelanceerd vanaf mobiele lanceerplaatsen rondom Den Haag en vanuit het Rijswijkse Bos aan de Van Vredenburchlaan. Uiteraard doet de Britse luchtmacht, de RAF er alles aan om die lanceerbases te vernietigen en dagelijks vliegen Spitfire-jachtvliegtuigen boven Den Haag en beschieten en bombarderen de doelen. Het succes is meestal maar matig en vaak lanceren de Duitsers binnen enkele minuten na een aanval weer een raket, om te laten zien dat ze er nog steeds zijn.

Tussen Nieuwjaar en de bevrijding verliest zo’n jager twee bommen en die komen terecht op een betonnen urinoir langs de kademuur Goudriaankade, hoek Rijswijkseweg. Dat is niet zo erg. Maar de tweede bom treft voluit de bakkerij van de familie Peeters, twee van de vijf gezinsleden verliezen hierbij het leven. Het naast de bakkerij gelegen koffiehuisje wordt eveneens vernield, de exploitant komt nog wel gewond naar buiten en wordt door omstanders opgevangen, maar zakt een paar honderd meter verder in elkaar en overlijdt. Het vergissingsbombardement op het Bezuidenhout zal later een grootse herhaling van dit drama worden.

Waar eens de rijnaken lagen, ligt nu een boot van de Wasserschutzpolizei, een soort rivierpolitie maar dan als onderdeel van de Kriegsmarine. De kok van dat schip met een bemanning van ongeveer acht matrozen heeft kennelijk een goed hart, want hij kookt elke dag teveel en al gauw zien wij ’s avonds mensen uit de omgeving met een pannetje naar de boot lopen en met een schep eten erin weer naar huis gaan. Na een paar weken is die schuit plotseling weer weg.

Bevrijding
Ik ga nu richting bevrijding. De toestand is rampzalig, mensen sterven van de honger en de kou. Van de fabriek is een deel naast het ketelhuis door de Ortskommandant gevorderd voor de huisvesting van een groep Grüne Polizei. Een Feldwebel (sergeant-majoor) met elf manschappen. Het blijkt een groep overlevenden te zijn van een compagnie die aan of achter het Oostfront in Rusland heeft gediend en waarvan de meesten zijn gesneuveld. De Feldwebel laat merken geen interesse meer te hebben. Hij heeft kort daarvoor bij een bombardement op Keulen zijn vrouw en beide dochters verloren. Alleen de schnaps kan hem nog troosten. Tien van die kerels laten op geen enkele manier merken hoe zij over de Krieg denken. Eén van hen, een boer uit Beieren is nog steeds overtuigd nazi. Zij hebben strikte orders van de Ortskommandant dat zij de rest van de fabriek niet mogen betreden.

Omdat ik op de MULO Duits leer, vraagt vader mij om die lui in de gaten te houden, zodat ik oppervlakkig contact met hen heb. Ik merk dat zij elke ochtend naar een Duitstalige uitzending van de BBC uit Londen luisteren en ik zorg voortaan dat ik daar bij ben. Daar hoor ik dat de strategisch zeer belangrijke brug over de Rijn bij Remagen in bruikbare staat in handen van de Amerikanen is gevallen en dat zij druk bezig zijn een stevig bruggenhoofd op de andere oever te vestigen.

Plots zijn de eerder vermelde rijnaken weer aan onze kade afgemeerd. Het loopt naar het einde, de eerste voedseldroppings zijn aangekondigd en wij wachten gespannen op wat komen gaat. De schrik slaat ons om het hart als wij zien dat de militairen op de rijnaken hun plaatsen achter het geschut gaan innemen. Als die gekken tegen de orders in op de vliegtuigen gaan schieten, zal dat niet ongestraft blijven en zitten wij in de vuurlinie. De vliegtuigen komen en er gebeurt gelukkig niets. Als de droppings een paar dagen aan de gang zijn, wordt de Grüne Polizei bij ons weggehaald, zij moeten naar de kazernes aan de Van Alkemadelaan. Zij worden met hun materiaal met twee legervrachtwagens opgehaald en daarvoor moeten vader en ik de grote poort openmaken. Kennelijk kunnen wij een glimlach niet onderdrukken, want bij het uitrijden roept de nazi ons nog toe: “Nu lachen jullie, maar als de Tommies komen, zullen jullie nog wel eens aan ons denken.” Wij hebben nog vaak aan hem gedacht, maar anders dan hij bedoelde.

De Duitsers hebben gecapituleerd, de geallieerden zijn gekomen en hebben in Den Haag het roer overgenomen. Een paar dagen later worden wij vroeg in de ochtend wakker door veel geroep in het Engels. In de Laak is een boot met voorraden voor de geallieerde soldaten aangekomen, die gelost wordt. Een soldaat is tussen wal en schip terecht gekomen en onder de boot verdwenen. Als hij eindelijk wordt gevonden is hij overleden. Hij overleefde de invasie, de gevechten door Europa en komt dan als de oorlog is afgelopen, ver van huis en familie om door een ongeval.

J. van Beek
japecvb@hotmail.com

Goudriaankade, gezien vanaf Rijswijkseweg naar Trekweg (1940). Foto: H.A.W. Douwes (vervaardiger), collectie Haags Gemeentearchief

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann