Oorlogsperikelen in Den Haag

Mijn naam is Hans Veldhoven en ben geboren in 1933 in de Bevelandsestraat op Duindorp. Onze familie woonde echter bij het begin van de oorlog in de Antonie Duyckstraat in het Statenkwartier. Op 23 oktober 1943 is onze familie bestaande uit vader, moeder en vier kinderen geëvacueerd uit de Ant. Duyckstraat 34, naar de Perponcherstraat 123, in het gedeelte tussen de Laan van Meerdervoort en het Koningsplein.

Ik was het tweede kind in het gezin met vier kinderen en 10 jaar oud op dat moment. Ik had nog een zus die drie jaar ouder was en na mij kwamen nog twee kinderen respectievelijk vijf en drie jaar oud. Toch werd ik toen al snel volwassen, is mijn gevoel vandaag. Ik werd geconfronteerd met situaties die mij dwongen de handen uit de mouwen te steken en er werd naar mij gekeken met ogen die ook om hulp vroegen. Mijn vader kwam, als garagehouder in de Ant. Duyckstraat, zonder werk en moest zich gaan gedragen als ruim 40-jarige om niet direct als arbeider voor de Duitsers elders te werk te worden gesteld. Zijn bewegingsvrijheid werd sterk beperkt. Voor mij werden het belangrijke jaren voor het ontwikkelen van een zekere mate van wilskracht en zelfstandigheid. We kregen thuis aan alles gebrek. We hadden wel voedselbonnen, maar dat betekende niet dat er in de winkels voedingsmiddelen te verkrijgen waren. We kregen te maken met de ‘Hongerwinter’ in 1944-1945. We aten suikerbieten en gebakken tulpenbollen om in leven te blijven. Kolen om te stoken waren er evenmin. Het fornuis werd vervangen door een potkacheltje – de zogenaamde Majo’s – elektriciteit werd vervangen door olielampjes. En dit alles moest toch op de één of andere manier georganiseerd worden. Hoe dan, zal je je afvragen. Wel, ik zal trachten dit uit te leggen.

Voor voedsel moest men ‘de boer op’. Op het platteland was nog wel het één en ander te verkrijgen. Maar je moest uitkijken voor controles door de CCCD (Centrale Crisis Controledienst). Samen met mijn vader gingen de expedities naar het Westland en Benthuizen. Vader had een aanhangwagentje op de kop getikt, die hij achter de fiets vastbond. De fiets was voorzien van houten banden om de velgen. Het wagentje had stepwieltjes met luchtbandjes. Eveneens was ons eigen schoeisel abominabel. Vader had nog hele oude afgetrapte schoenen, maar zelf liep ik op houten sandalen met een stuk oude fietsband er onder om enigszins het klepperend geluid te dempen. Onze kleding viel eigenlijk nog best mee. Moeder was erg handig in het verstellen van kleding. Ze had de nodige naailessen achter de rug en maakte voor mij van oude gordijnen een windjack. Zo gingen we de boer op. Vader op de fiets en ik bij hem achterop, op het wagentje. Voor we vertrokken werd eerst hier en daar geïnformeerd of er razzia’s te verwachten waren. Om in het Westland te komen ging het dan de Laan van Meerdervoort af richting Loosduinen. Loosduinen en Monster waren de plekken waar we kassen in mochten voor het verkrijgen van onder ander druiven, tomaten, perziken, komkommers, meloenen en aardbeien. Ook bloemkool, rodekool, wittekool en zelfs zuurkool in een tonnetje wisten we hier bij tijd en wijle op de kop te tikken. Het was een hele toer om met een gecamoufleerde volgeladen karretje weer thuis te komen. Het was te gevaarlijk op de weg en de vijand kon elk moment toeslaan. Ik holde vooruit om te zien of het volgende stuk weg wel veilig was. Vaak moesten we controles omzeilen en door sloten trekken om ons doel te bereiken. Als we dan veilig thuis waren gekomen, deelde het hele huis in de feestvreugde. De familie waar we bij inwoonden kreeg steevast een deel van onze buit.

Voor aardappelen, tarwe en melk ging het richting Benthuizen. Dan gingen we al heel vroeg op pad. Vier uur in de ochtend om redelijk vroeg bij een bepaalde boerderij aan te sluiten achter een lange rij al lang voor ons gearriveerde uitgehongerde Hagenaars. Als we dan na lang wachten, eindelijk twee flessen melk hadden kunnen bemachtigen, gebeurde het wel eens, dat als we ’s avonds vermoeid thuiskwamen, de melk reeds zuur was geworden. Zo herinner ik mij, dat voor 20 kg. aardappelschillen 1 liter melk verkrijgbaar was. Toen het te gevaarlijk werd voor mijn vader, trok ik er zelf op uit. Ik had zelf een trekkarretje opgescharreld bestaande uit vier spaakwieltjes en een paar plankjes. Met dit karretje heb ik veel kunnen organiseren. Ik ging dan eerst met het karretje huis-aan-huis om schillen in te zamelen. Op zich was dat al een hele toer, want men had maar weinig schillen. De schillen die er nog waren, waren uiterst dun. Voordat je dan 40 kg. bijeen had, was de week al weer om. Maar als ik dan eindelijk 40 kilo op had gehaald, ging ik op mijn houten sandalen en mijn karretje achter mij aan zeulend, alleen op pad naar een bepaalde boerderij in Benthuizen. Tegenwoordig lijkt dit een afstand van niks. Maar toentertijd was dat vanaf de Perponcherstraat een afschuwelijke afstand om te lopen op houten sandalen en sjorrende aan een simpel karretje opgeladen met aardappelschillen. Ik vraag mij nog steeds af hoe ik hem dat heb geflikt. Na het omruilen van de schillen in twee flessen melk ging ik weer huiswaarts. Na een dag sjouwen kwam ik dan moe, maar voldaan ’s avonds thuis met… twee liter zure melk. Zoiets vergeet je toch ook je hele leven niet. Van die tochten hield ik zweren op mijn voeten over, die vanwege een tekort aan vitaminen maar heel langzaam genazen. De voeten werden dan ingepakt, want thuisblijven was iets wat ik mij niet wilde permitteren. De littekens op mijn voeten zijn nog steeds te zien!

Banden
Er bloeide een levendige ruilhandel op. De boeren in Zuid-Holland zijn er schatrijk van geworden volgens mij. Het linnengoed dat er nog was, werd geruild. Autobanden van wagens van klanten die opgeslagen stonden in de garage in de Beukstraat waar mijn vader bij de evacuatie zijn spullen uit zijn werkplaats had kunnen onderbrengen, deden het goed. Ja, vader haalde van de opgeslagen wagens in de garage de banden van de wielen en ook deze waren bij de boeren een graag gezien ruilmiddel. Hoe dat later moest worden goedgemaakt met zijn klanten vroeg niemand zich af. Vader had de wielen met de banden van de wagens na de verhuizing naar de Beukstraat snel verwijderd en verstopt voor de Duitsers in een smeerput. De wagens stonden op stalen driepotige onderzetters. De Duitsers gingen de garages af op zoek naar autobanden en daar had mijn vader lucht van gekregen. De Duitsers waren al eens in de garage geweest, maar de smeerput hadden ze niet opgemerkt. De banden brachten in ieder geval voor ons aardappels op en we moesten toch ook eten! Aangezien de boeren ook zonder stroom kwamen te zitten, maakte mijn vader in de garage windmolens, die hij bij de boeren op het dak monteerde en accu’s erbij leverde om stroomvoorziening te regelen voor de boeren. Als het even kon, ging ik mee met vader. We mochten dan wel eens bij de boer, tussen de middag, mee-eten. We lieten ons dat goed smaken. Eten van tafel meenemen voor thuis was er echter niet bij. Zo hebben we toch maar dit eetfestijn voor thuis altijd verzwegen.

Hans Veldhoven
jpveldhoven@planet.nl

De Perponcherstraat, hoek Laan van Meerdervoort (zijkant van Laan van Meerdervoort 198-198A), muur met aanplakbiljetten, o.a. ‘V = Duitschland wint voor Europa op alle fronten’ en Waffen SS (1941). Foto: J. Blackstone (vervaardiger), collectie Haags Gemeentearchief

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann