Van het Heitje naar het vierde veldje en terug

Het Heitje, tegenwoordig bebouwd, was een braakliggend duinachtig terrein gelegen in de rechthoek tussen de Daal en Bergselaan en de Laan van Meerdervoort en tussen de Pioenweg en de Savornin Lohmanlaan. Vooral in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw was het Heitje bij mooi weer een gewilde plek voor moeders, die met hun kleine kinderen niet helemaal naar het strand wilden lopen of waarvoor later, door de tankgracht, de weg naar het strand was afgesloten. Ook voor de wat oudere kinderen uit de buurt vormde het Heitje een min of meer ideale speelplek. En vooral was het een graag bezochte plaats door de groepen kinderen waaraan in de zomervakantie door de ‘vakantiebezigheid’, vermaak werd geboden.

Het gebied, dat wat hoger lag, was onder andere door middel van twee brede trappen vanaf de Laan van Meerdervoort bereikbaar.

De vraag waarom die ongelijkmatige nauwelijks begroeide zandvlakte ‘het Heitje’ heette, kan ik niet beantwoorden. Voor zover ik mij herinner heb ik er nooit een sprietje heide gezien. Wel groeide er heide in overvloed in het aansluitend gelegen afgerasterde beschermde natuurgebiedje het Wapendal. Maar het Heitje zelf was een kaal en ongelijk en vooral zanderig gebied.

Wapendal
Dat Wapendal was streng verboden voor onbevoegden. Maar die ene Duitse militair trok zich daar weinig van aan. Hij had geen trek in het Oostfront. Daarom klom hij over de afrastering, trok zijn wapen en benam zich van het leven. Heel gelukkig trok de Feldgendarmerie (de Duitse militaire politie) bijtijds de juiste conclusie, anders waren de omwonenden misschien wel met een zelfde afgrijselijke gebeurtenis geconfronteerd geworden, als later de inwoners van Putten.

Als we erg hongerig waren, begaven we ons ook wel stiekem op het terrein van het Wapendal. We trokken dan wat wilde bosuitjes uit de grond en aten die rauw op. Dat was een pittige smaaksensatie…

Om te voetballen was het Heitje geen ideaal terrein. Eigenlijk was het onmogelijk om er een partijtje te spelen. Het was moeizaam hardlopen. Een sprintje trekken was bijna niet mogelijk en de bal was lastig mee te krijgen in het mulle duinzand.

Meestal beperkten we ons tot ‘goaltje kicken’. Daarbij werd alleen vanaf ‘penalty-afstand’ op het doel geschoten. Voor een keeper was het wel prettig. Hij viel op het zand wat zachter dan op een grasmat.

Aangezien er in de wijk nauwelijks andere plaatsen waren waar ongehinderd kon worden gevoetbald, was het Heitje met al zijn beperkingen voor ons jongens toch een redelijk aanvaardbaar alternatief. En ondanks dat het op het mulle duinzand van het Heitje moeizaam voetballen was, durf ik toch te stellen dat daar voor de voetbalcarrière van diverse Bomen-, Bloemen- en Vruchtenbuurters en andere omwonenden toch de eerste basis is gelegd.

Maar perfect was het geenszins. Ons ideaal was dan ook een echt veld zonder al die hindernissen en beperkingen van het Heitje.

Zo’n ideaal veld kwam voor ons ter beschikking, doordat de Duitse bezetter begon met de grote afbraak voor de bouw van de Atlantikwall. Hoewel die afbraak voor ons toch wel juist een reden was waardoor we die gelegenheid met wat een dubbel gevoel bezagen.

Dubbel, omdat het enerzijds ook voor ons jongeren verschrikkelijk was om te zien hoe die grootscheepse afbraak en grenzeloze vernielingen in onze hele woonomgeving plaatsvonden. Anderzijds was die mogelijkheid voor ons speelgenot veel gunstiger dan dat zanderige Heitje.

Om plaats te maken voor een tankgracht, werd onder andere het gehele terreinen-complex van de voetbalvereniging Quick in de Bosjes van Pex geannexeerd. Zelf werd die voetbalclub verbannen naar een inferieur voetbalveldje in het Zuiderpark dat door zijn bijna permanente drassigheid al spoedig bekend werd als ‘Het Moerasje’. Dwars door de velden van Quick werd de tankgracht gegraven. Die werden daardoor volkomen geruïneerd. Ook het clubgebouw moest verdwijnen. Alleen het vierde veld, dat evenwijdig tussen de Daal en Bergselaan en de tankgracht lag, bleef ternauwernood gespaard. De grasmat ervan bleef gedeeltelijk in tact maar door de evacuatie van de club zelf werd het niet meer gebruikt voor reguliere voetbal-wedstrijden.

Het hek langs dat vierde veld aan de kant van de Daal en Bergselaan was tijdens die graafwerkzaamheden gesloopt waardoor dat veld min of meer vrij toegankelijk werd.

Met een beperkt aantal jongens, die hiervan ook op de hoogte waren maakten we gebruik van die situatie. We namen ongehinderd bezit van dat terrein en gingen er op voetballen. Ondertussen waren we er direct getuige van hoe die fraaie omgeving daar in een grote ruïne werd veranderd.

Dat voetballen zo dicht langs die graafactiviteiten was volstrekt bizarre. Wij speelden ons spelletje evenwijdig aan de smalspoorrails waarover het werktreintje reed dat het opgegraven zand afvoerde. Als dat treintje langskwam moesten we ons spel even onderbreken. De machinist van de (stoom)locomotief liet af en toe een krachtig gefluit horen wanneer we met de bal te dicht de spoorrails naderden. Het was zeer van belang om er voor te zorgen dat de bal niet op dat spoorbaantje terecht kwam. Als dat toch gebeurde dan was het zaak om hem voor het treintje kwam ijlings van de rails af te grissen omdat hij anders te pletter zou worden gereden. En zonder bal konden we niets beginnen.

Het is opmerkelijk dat er voor zulke partijtjes voetbal in de meeste gevallen vooraf géén afspraken werden gemaakt. Vaak ging je op goed geluk naar zo’n speelveld en wachtte daar tot er iemand met een bal arriveerde. Meestal was dat steeds dezelfde jongen en was hij bij aankomst al omringd door meerdere andere ‘meespeelgegadigden’.

Leren voetbal
Een bal was uiteraard essentieel. Een echte leren voetbal (met vetersluiting) was een zeer schaars artikel. Het was maar een enkeling die zo iets bezat. De eigenaar van zo’n bal was dus onmisbaar en had hoog aanzien. Hij bepaalde wie er mee mochten doen (meestal iedereen) en soms bepaalde hij ook wie er in zijn eigen partij zouden meespelen. Het was dus van belang om met de balbezitter op goede voet te staan.

In de meeste gevallen werd er ter voorbereiding van de wedstrijd een min of meer vaste procedure gevolgd. Eerst werd het speelveld uitgezet door aan beide zijden ervan doelen te creëren met stapeltjes jassen of andere overtollige kledingsstukken als ‘doelpaal’.

Vervolgens werden de beide partijen gekozen. Hiertoe werd er eerst ‘gepoot’. Dat willen zeggen: twee jongens gingen op enige afstand tegenover elkaar staan. Vervolgens liepen zij langzaam afwisselend de hak van de ene voet tegen de tenen van de achterste voet zettend op elkaar toe. De ruimte om de voeten neer te zetten wordt zo al kleiner en kleiner. Wie het laatste zijn hele voet kon aansluiten had het recht gewonnen om als eerste uit de andere jongens zijn favoriete medespeler te kiezen. Daarna werd er beurtelings gekozen tot iedereen bij één van de beide teams was ingedeeld en deze dus ‘compleet’ waren.

Dan brandde de strijd los.

Bij zo’n partijtje voetbal waren de regels heel simpel: behalve door de keeper werd de bal uitsluitend met de voet gespeeld (anders was het ‘hens’). Wanneer hij tussen de stapeltjes kledingstukken doorging, was het een doelpunt. Hard of gemeen spel kwam niet voor.

Ik denk dat we enkele maanden van dat (ons) vierde veldje gebruik hebben kunnen maken. Daarna werd het hele gebied tot verboden terrein verklaard. Er werd weer een hek omheen geplaatst en er kwamen borden met daarop een doodskop en de woorden ‘Minen – Lebensgefahr’.

Dat ideale speelveld voor ons partijtje voetbal waren we dus weer kwijt. We moesten dus snel weer terug naar het mulle zand van het Heitje of… naar de straat.

Gé C. Witmaar
gcwitmaar@gmail.com

Wapendal (1942). Foto: Dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting, collectie Haags Gemeentearchief

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann