Herinneringen aan de Kaapstraat

Rob, jouw artikel in de Oud Hagenaar over de Kaapstraat heeft bij mij en mijn vrouw ook veel herinneringen bovengebracht. In 1934 ben ik geboren aan het begin van de straat op nummer 18 op de tweede etage. Op een van de foto’s bij je artikel is linksboven op de tweede etage (raam met markies) ons huis te zien. Wij woonden boven de kruidenierszaak van Van Reijssen.

Nel, mijn vrouw heeft ook in de Kaapstraat gewoond. Zij woonde er sedert augustus 1940 met haar ouders en jongere zusje op nummer 84, nadat hun huis in Rotterdam bij het bombardement van 14 mei was vernield. Hoe ze aan dat huis kwamen heeft ook met de Kaapstraat te maken. Nel was in augustus als 4-jarige kleuter met haar moeder meegekomen naar Den Haag. Daar belandden ze in de koffietent bij de Boerenstraat. Toevallig was daar een bezoeker die wist dat nummer 84 te huur stond.

Het uitbreken van de oorlog heeft op mij als bijna zesjarige veel indruk gemaakt. Mijn grootouders woonden samen met vier tantes en twee ooms op de Hoefkade op nummer 963 tussen het Kaapseplein en de Rondebosstraat. Zij hadden een schoenmakerij. En van mijn ooms kwam mijn moeder en mij ophalen om voor de veiligheid naar de Hoefkade te gaan. Mijn vader, dienstplichtig sergeant met groot verlof, was intussen gaan informeren of hij in militaire dienst moest komen. Mijn oom had een transportfiets met een grote mand voorop, die je indertijd veel zag bij slagers en schoenmakers. Hij tilde me in de mand, waarna mijn moeder en mijn oom met de hand aan de fiets via de rechterkant van de straat naar de Hoefkade liepen. Intussen vond er boven de stad en Ypenburg een gevecht plaats tussen Nederlandse en Duitse vliegtuigen. Dat was door de blauwe lucht heel goed te zien. In de straat stonden veel deuren open en de bewoners stonden er op straat naar te kijken. Vanuit de mand kon ik alles heel goed zien. Wellicht hebben je ouders er destijds ook naar gekeken. Vier dagen later was de oorlog voorbij en gingen we weer naar huis. Wat mij opviel was dat midden in de straat in het plantsoen loopgraven lagen.

Aan de eerste oorlogsjaren heb ik niet zo veel herinneringen. Het viel me wel op dat joodse mensen bij ons in de buurt een gele ster moesten dragen. Aan de overkant boven de radiozaak van Margés woonde een joods gezin met drie kinderen. Mijn vader heeft me toen gezegd dat ik met het jongetje moest gaan spelen. Pas later wist ik waarom. Ik herinner me ook dat we onze radio moesten inleveren. Mijn vader heeft toen een oud toestelletje op de kop getikt en dat leverde hij in. Ons toestel verdween boven op de keukenkast achter bussen en flessen. Later hebben we het weer naar beneden gehaald om naar de Engelse zender te luisteren. “Kwart over acht, de stem van strijdend Nederland.” Maar toen de elektriciteit werd afgesloten, was dat ook afgelopen.

Julianakerk
In november 1944 vonden er in het bezette gebied razzia’s plaats onder mannen van 18 tot 40 jaar. Die moesten zich melden voor werkzaamheden voor het Duitse leger. Deden ze dat niet, dan werden ze uit huis gehaald. Ook hier in Den Haag gebeurde dat. Ik was zwaar verkouden en zat in de voorkamer voor het raam te kijken toen een peloton Duitse soldaten aan kwam gemarcheerd en in de Schalk Burgerstraat voor de Julianakerk stopte. Later verspreidden ze zich in de buurt om huis aan huis te zoeken naar mannen tussen 18 en 40. Intussen zaten mijn twee ooms van de Hoefkade al onder de grond. Mijn vader was boven de veertig en had dus geen last. Bij ons kwam overigens een aardige soldaat. Ik was verkouden en had net een heftige hoestbui. “Sehr erkaltet”, zei hij. De razzia duurde de hele dag en ’s avonds verzamelde de hele troep zich in Café de Kaap op nummer 36. Terwijl de eigenaar van het café was ondergedoken en onder de grond zat, heeft deze troep daar vreselijk huisgehouden. Een van hen heeft zelfs tot schrik van de bovenbuurman door het plafond geschoten. Ik heb ze ’s avonds om een uur of tien nog lallend horen afmarcheren.

De kou en het gebrek aan brandstof waren er de oorzaak van dat door een aantal bewoners van de Kaapstraat op één nacht alle bomen in het midden van de straat werden omgehakt. Er waren de volgende ochtend alleen nog stompen over en de jeugd probeerde daar nog hout van af te halen. Binnenshuis en in de tuinen waren de vaders, waaronder de mijne, bezig de stam en de takken in stukken te hakken. De honger leidde er ook toe dat op een ochtend een aantal vrouwen op de kruising met de Boerenstraat een overval pleegde op broodkarren van de firma Steenbeek.

De V1- en de V2-raketten die tussen Loosduinen en Monster en vanuit het Haagse Bos opstegen, waren ook een bedreiging. Vooral ’s nachts op bed werd je er wakker van en was je blij als het geluid langzaam afnam en verdween. De raket die op nieuwjaarsdag in de Indigostraat neerstortte, was wel het dieptepunt. Ik heb in de loop van de jaren aan veel Hagenaars gevraagd of ze wisten waar ze toen waren. Velen waren op nieuwjaarsvisite bij familieleden.

Als laatste punt van deze oorlogsherinneringen is het bombardement op het Bezuidenhout op 3 maart. Ik moest iets wegbrengen op de Soestdijksekade. Toen ik daar aankwam, was het bombardement aan de gang. De man des huizes stond te kijken voor het keukenraam en zei: “Het is in de buurt van de Julianakerk.” Toen ik spoorslags terug rende naar huis, bleek het veel verder weg te zijn.

Ger van Pelt
gervanpelt@gmail.com

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann