Korte loopbaan als besteller bij de PTT

De verhalen van Guus van Charante in De Oud-Hagenaar brengen mij ook mijn korte loopbaan als besteller bij de PTT in herinnering. In een periode, waarin ik nog steeds niet wist, wat ik de rest van mijn leven zou moeten gaan doen om de benodigde centjes binnen te slepen, werd ik bij Posterijen in de drukke kersttijd van 1969 met alle egards binnen gehaald als hulpbesteller met een 14-daags contract. Mijn plek werd het kantoor Wolweversgaarde van waaruit ik mijn wijk ging lopen. Vroeg beginnen, wat niet meeviel voor een gast van 24 jaar, die volgens mijn vader, het dagritme omgekeerd leefde.

Om 6.00 uur achter de sorteertafel, post in bundeltjes in de fietstassen en je wijk in. De eerste dagen was het even zoeken, maar ik kreeg een vaste, eigen route, die ik binnen een week in twee uurtjes had uitgelopen. Een groot deel van de Melis Stokelaan en de daaromheen liggende straten. Twee schoonzussen in de buurt voor de koffie. Rond 10.00 uur terug op de basis vroeg de hoofdbesteller regelmatig of ik nog een wijkje wilde lopen. De beloning ging per gewerkt uur en viel absoluut niet tegen. Met dollartekens in mijn ogen weer naar buiten met een nieuwe lading. Viel niet altijd mee, omdat dit vaak een onbekende route betrof. Maar met een nieuw huis in aanbouw en de huwelijksdatum in augustus 1970 reeds vastgelegd in het achterhoofd, gaf me vleugels en zorgde voor een conditie, die ik in jaren niet had gehad. Met dagen erbij van twaalf uren post bezorgen, was rond etenstijd de trap naar boven in de Ockenburghstraat bijna geen haalbare kaart meer.

Even vóór de kerstdagen kwam de hoofdbesteller in de kantine vertellen, dat in een zijkamer een paar duizend ‘Wehkampjes’ lagen te wachten om op tijd voor de feestdagen bij de cliënten bezorgd te worden. Ik denk, dat de man nu nog die ochtend kan herinneren. In goed Haags werd hem door de aanwezige bestellers te verstaan gegeven, dat hij ze dan zelf maar moest gaan brengen. Niet zo vreemd natuurlijk, met die enorme stapel kerstkaarten elke dag om ook nog een stapel boekwerken van Wehkamp mee te moeten zeulen. Met 43 van die dingen achterop je bagagedrager ging je fiets steigeren.

De volgende ochtend kwam er echter een aanbod: iedereen die tien Wehkamps mee nam zijn wijk in, kreeg één uur overwerk uitbetaald. Een aantal collega’s ging akkoord, maar het gros liet ze lekker staan. Ik nam, als ‘per uur betaalde kracht’ mijn 43 boekwerken mee de route in en was precies 20 minuten later dan normaal klaar met mijn wijk. Dat was dus 4,3 uur uitbetalen voor 20 minuten extra. Daar kwamen de dollars weer in mijn visioen.

Naar de hoofdbesteller met de vraag: hoeveel Wehkamps staan er nog? Hij: “Hoezo?” “Ik neem ze allemaal aan en zorg voor bestelling vóór de kerst”, was mijn antwoord. Daar moest even over worden nagedacht. Inmiddels had ik van mijn a.s. schoonvader de Daf 33 gecharterd, die al een paar maanden voor de deur stond, omdat hij niet kon slagen voor zijn rijbewijs. Pa, dat is goed voor die auto, anders roest ie weg. Er waren inmiddels ook bestellers, die eieren voor hun geld kozen en het aanbod van de overuren accepteerden. Ik weet niet meer hoeveel honderden Wehkamps ik heb bezorgd, maar de boekhouding heeft tot het einde van mijn telkens met twee weken verlengde contract tot half mei 1970 de overuren moeten bijschrijven. Er werd ook regelmatig de vraag gesteld of die vent (ik) wel eens thuis kwam.

Nou, dat zat wel goed, want door dat half jaar als postbode hadden we een leuke start in ons nieuwe onderkomen in Nieuwerkerk aan den IJssel. Maar De Oud-Hagenaar blijven we trouw lezen.

Cok van der Spek
robanvdspek@casema.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann