De bejaarde Oelewapper en het tochtige mokkel

Met hulp van enkele trouwe fans spaar ik al jaren mooie, oude woorden die in het vergeetboek dreigen te raken. En dan is het natuurlijk een uitdaging om met zoveel mogelijk van die woorden een verhaaltje te schrijven. Dat viel niet mee. Het resultaat dat u hieronder aantreft moet u dan ook slechts zien als een kapstok om al die mooie woorden aan op te hangen.

‘Ik ben het beu’, mummelde de bejaarde Oelewapper. ‘Al die vrijpostigheid van de contemporaine jeugd lijkt aan te tonen, dat het hen tegenwoordig niet meer interesseert om tot volle wasdom te komen.’

Tersluiks trachtte hij z’n woorden kracht bij te zetten door halstarrig in toorn te ontsteken. Maar intussen saffelde er een stoot van jewelste in een wade van niemendalletjes voorbij.

‘Deksels’, bracht hij amechtig uit. ‘Nou dat weer. Ondanks mijn zorgen over een almaar ontaardere wereld, lijken mijn vleselijke lusten thans om de voorrang te vragen.’

Een jonge oomzegger, die de tirade van de bejaarde Oelewapper tot nog toe met nauwlijks verholen desinteresse had aangehoord, begon zich, nadat dat mokkel voorbij was gestuikt, eveneens te vermeien in de smelige baltslust van zijn oom.

‘Sakkerloot!’, bracht hij uit. ‘Ootmoedig laat gij u uit over de tekortkomingen van de huidige generatie. Maar ontijdig en nogal boud geeft gij aan te willen ravotten met de deerne die zojuist met heur blonde haardos de revue passeerde. Het valt me nog van u mee, dat u zich niet verloor in een opsomming van de details van haar flamoes!’

Meewarig stelde de Oelewapper zijn oomzegger gerust. ‘Mitsgaders gij mij aanziet voor een kniesoor, moet ik u nu toch logenstraffen. Als ik zachtjes voor mij uit mijn private gehoteldebotel uitmompel, wil dat nog niet zeggen dat mijn oprispingen zomaar door jou verguisd kunnen worden!’

Stront aan de knikker
Het begon te spannen. Zowel de Oelewapper als de oomzegger talmden om elkaar onderuit te halen. Maar desondanks achtten zij het beiden niet meer dan billijk elkaar met blaam te overladen.

‘Albedil! Kniesoor! Onnozelaar!’, riep de oomzegger.

‘Druiloor!’ Oen! Flapdrol!’, wierp de Oelewapper tegen.

‘Onbenul! Sloeber!’ Zot!’, bracht de oomzegger daar weer tegenin.

De gemoederen raakten niet bedaard. Iemand met verstand van zaken zou zeggen dat er stront aan de knikker was.

Maar waar ging het nou eigenlijk over?

We resumeren: de oude Oelewapper betoonde zich bepaald schrander aangaande het beperkte taalgebruik van het thans opgroeiende mensengeslacht. Maar anderzijds bracht hij zelf eigenlijk alleen klisjee-beelden te berde als het ging om het rollenpatroon waar het de voortplanting betrof.

Appetijtelijke leeftocht
We laten het maar even rusten. Want al dat getalm leidde slechts tot schier vrijpostige mijmeringen.

Ondertussen was het montere mokkel van zojuist op haar schreden wedergekeerd. Kennelijk had ze wat leeftocht ingeslagen. Appetijtelijke ulevellen, gevulde kweeën,puike pastinaaksalade, welriekende schorseneren, hemelse kapoen met kappertjes, emmese falafel, zure bommen en andere delicieuze labbekak.

De paarlust van de oude Oelewapper begon weer op te spelen en hij floot haar na.

‘Wat doe je nu?’, kreet de oomzegger ontzet uit. ‘Zoiets kan je tegenwoordig écht niet meer maken! Fluiten naar een passerende Bimbo is iets van vroeger! Wat moet de opgroeiende jeugd wel van je denken?’

Ook het mokkel kweet zich van haar contemporaine plichten. Ze draaide zich om, liep driftig op de Oelewapper toe, zette haar valies vol proviand met een plof neer en gaf hem onverwijld een oorvijg van heb-ik-jou-daar.

Verbluft zeeg de oude Oelewapper ineen.

‘Krijg nou het rambam’, bracht hij verschrikt uit. ‘Het ene moment zie je een tochtig mokkel in een luchtig niemendalletje voorbij struinen en het volgende moment lig je voor apegapen in het gras. Is dat tegenwoordig het lot van een hitsig heethoofd op leeftijd?’

‘Jazeker’, beet het mokkel hem toe. ‘Ik ben je evenknie niet. En als je me dat nafluiten nog eens flikt, raak ik zo gebelgd dat ik niet alleen hommeles maak, maar mijn opvattingen ook nog eens in de aanwezigheid van de Hermandad kracht bij zal zetten. Wat denk jij wel? Ongeluksaanzegger! Miesch mirakel! Meurend scharminkel! Oelewapper!’

Hitsig uitgestoten gefluit
Ze had het nog niet gezegd of daar verscheen een vrolijk fluitende koddebeier van achter het Boerenwegeltje uit het nabije gewas om poolshoogte te nemen van het voorliggende geval.

‘Bent u verminkt door deze deerne?’, vroeg de veldwachter terwijl hij zich trachtte te ontfermen over de neergezegen Oelewapper.

Maar voordat de Oelwapper kon reageren, stormde het mokkel naar voren, vatte de klabak bij zijn bretels en krijtte: ‘Ik dien een grief in. Deze vunzige geilaard wenste zojuist zijn bronstige aandriften op mij bot te vieren in de vorm van hitsig uitgestoten, hoog gefluit!’

‘Kom, kom mevrouwtje’, trachtte de klabak de gemoederen wat tot bedaren te brengen. ‘In feite is u geheel niets aangedaan. Indien u zich als een gerijpt, handelingsbekwaam persoon had betoond, had u gewoon u weg kunnen vervolgen en hadden we hier nu niet staan te kijven.’

Gepermitteerd of onbillijk
De oomzegger kon de behoefte niet weerstaan om ook een duit in het zakje te doen. ‘Misschien ben ik wel debet aan dit geschil’, bracht hij hortend uit. ‘Ik was degene die de zaak op de spits dreef door de vulgariteiten van de Oelewapper in een kwaad daglicht te stellen. Dat veroorzaakte in dit geschil wellicht onnodig onbegrip.’

Het was even stil.

De smeris had zijn quotum voor wat betreft zijn maandelijks vereiste prenten reeds behaald, zodat hij geen enkel nut meer zag in een inbreng van nieuwe convicties.

De oomzegger was nog steeds zo ontdaan van zijn zojuist gedane belijdenis, dat het nog wel even zou duren voordat hij de portee van zijn huidige belangen weer met verve zou kunnen uitdragen.

De bejaarde Oelewapper krabbelde net op tijd weer op uit de goot, kalefaterde zich weer enigszins op en borg zijn geborneerde rol zou snel hij kon in de vergetelheid.

Rest ons de gezindheid van het tochtige mokkel weer te geven. En dan dienen ons onvermijdbaar te vermeien in de huidige geschillen omtrent de vraag over wat er in de huidige maatschappij nog is gepermitteerd en wat onbillijk is waar het gaat om het openlijk te kennen geven van paarlust.

Laat ons daar, in de reeds nakende toekomst, ieder voor zich en God voor ons allen een wijle bij stilstaan alvorens weer over te gaan tot de orde van de dag.

En vraag uw kleinkinderen dit epistel met een pen door te nemen. En de woorden te onderstrepen die zij niet begrijpen. Met meer dan vijftig streepjes kunnen zij zich verheugen tot een kloeke, ongerepte generatie te behoren. Die met nieuwe, nóg onbegrijpelijker woorden net zoveel furore zal gaan maken als het voorleden geslacht deed met de rijkdom van de taal van weleer. En hoe ze dat zonder al die prachtige nuances en die mooie, oude woorden uit de vorige taal zullen bolwerken, moeten ze zelf maar uitzoeken.

Eens? Mail julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann