De Gemeentelijke Haagsche Schoolbioscoop

Als er één museum in onze stad is dat aantrekkelijk is voor kinderen is het wel het Museon, vooral ook omdat ze er zoveel zelf kunnen doen. De naam Museon komt dan ook van de woorden Museum en Onderwijs. Oorspronkelijk heette dit museum Het Museum ten bate van het Onderwijs. In 1909 was het gevestigd in een gebouw aan de Wijnhaven, in 1922 is het verhuisd naar de Hekkelaan en in 1929 naar de Hemsterhuisstraat. Vanaf 1986 kreeg het een plaatsje naast het Gemeentemuseum op de Stadhouderslaan. In een boekje uit 1913 dat betrekking heeft op dit museum wordt het begrip bioscoop genoemd en daar wil ik u in deze bijdrage iets meer over vertellen.

Rond 1900 vond men het belangrijk dat leerlingen van de lagere school voorwerpen te zien kregen die ze moesten bestuderen en eventueel konden natekenen. Ook de schoolplaten die aan de wand hingen, pasten binnen die gedachte. De bekende schoolmeester Jan Ligthart had hier oog voor en samen met een leerkracht uit het middelbaar onderwijs, A.W. Akkerman, schreef hij op 25 oktober 1904 een artikel in De Avondpost waarin ze aangaven dat veel scholen over een verzameling voorwerpen beschikten en dat die eigenlijk in een museum zouden moeten worden samengebracht. Dit museum moest zowel voor kinderen als voor hun ouders gratis toegankelijk zijn. Later is dit museum Het Schoolmuseum genoemd. In voornoemd boekje wordt beschreven hoe zo’n museum ingericht zou moeten worden. Laat ik een deel hiervan overnemen. “Het gebouw zal tevens moeten bevatten een ruime gehoor- tevens demonstratiezaal, met minstens 200 zitplaatsen, waarin onderwijs met staande beelden en met den bioscoop kan worden gegeven.” Tijdens een vergadering van de gemeenteraad in 1911 werd al duidelijk dat zo’n bioscoop voor het onderwijs er moest komen. Vanaf 1916 werden er dan ook in een klein zaaltje bioscoopvoorstellingen voor scholieren gegeven. In 1917 werd J.W. Albarda wethouder van onderwijs. Hij was lid van de SDAP en ging op zoek naar een partijgenoot die eventueel directeur van de Schoolbioscoop zou kunnen worden. In datzelfde jaar werd een bestaand bioscoopgebouw op het adres Hoefkade 602 gekocht en in 1918 werd David van Staveren directeur van deze bioscoop. Al snel werd besloten dat het vervoer van leerlingen met de tram van en naar de bioscoop gratis moest zijn, in eerste instantie alleen voor de openbare scholen en later voor alle scholen.

David van Staveren is op 16 januari 1881 in Utrecht geboren. Zijn vader was koopman. In 1899 haalde David de onderwijzersakte en twee jaar later de hoofdakte en hij ging in een volkswijk in Utrecht werken. De spoorwegstaking van 1903 maakte diepe indruk op hem en hij werd dan ook lid van de SDAP. Binnen deze partij heeft hij diverse functies bekleed, zoals voorzitter van de afdeling Utrecht en omdat hij zeer muzikaal was, werd hij dirigent van het koor De Stem des Volks.

In 1913 kwam hij op een lagere school in onze stad werken. Hoewel hij geen enkele ervaring op het gebied van film had, ontwikkelde hij zich tot dé expert op het terrein van de educatieve film. Zo ontwikkelde hij samen met W. Mullens een hele reeks onderwijsfilms. Willy Mullens was een filmproducent die onder de naam Haghe Film sinds 1914 educatieve films maakte. Haghe Films was gehuisvest op het adres Joan Maetsuyckerstraat 21.

In 1928 werd David benoemd als voorzitter van de Centrale Commissie van de Filmkeuring en zo kon hij zowel nationaal als internationaal de onderwijsfilm propageren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde hij in het Bezuidenhout en tijdens het bombardement ging zijn hele archief verloren. Op 20 oktober 1966 is hij overleden.

Hoefkade 602
In hetzelfde gebouw waar Meester de Bruin in 1926 het Clubhuis de Mussen van start heeft laten gaan, is de Schoolbioscoop in 1918 begonnen. Uit diverse publicaties, veelal door David zelf geschreven, blijkt dat de bioscoop een succes was.

Zo las ik: “Tijdens de voorstelling waren honderden kinderen tegelijk, ook de woeligste en achterlijkste, in ademlooze aandacht gevangen.” Er konden 175 leerlingen in de zaal en in het begin was er nog duidelijk behoefte aan echte onderwijsfilms. Het was geen uitzondering wanneer een leerling acht maal per jaar naar deze bioscoop ging. Tijdens en na de film werd er het een en ander uitgelegd en werden er toepasselijke voorwerpen getoond. Het ging vaak om korte films zonder geluid, waarbij de schoolvakken aardrijkskunde, geschiedenis en biologie aan bod kwamen. Ook werden er wel ontspanningsfilms vertoond. Een voorstelling duurde meestal anderhalf uur en er werd uiteraard een pauze ingelast. Ook de leerlingen van middelbare scholen maakten gebruik van de Schoolbioscoop en wat de lagere school betreft ging het vrijwel altijd om de zesde klas. De leerkrachten kregen van te voren uitgebreide informatie over de te vertonen films zodat ze de leerlingen alvast konden voorbereiden op de te behandelen leerstof. Overigens was niet iedereen enthousiast over dit leermiddel, want dat was het. Het ging niet om de film zelf maar om de les die eruit geleerd kon worden. Zo vroeg de bekende pedagoog, Ph. A. Kohnstamm, zich af of dit leermiddel wel zo nuttig was.

In De Gooi- en Eemlander van 4 februari 1921 krant trof ik een uitermate lovend stukje aan over deze schoolbioscoop.

“Men denke in de allereerste plaats aan de Gemeentelijke Haagsche Schoolbioscoop, een inrichting met een vermaardheid ver buiten de grenzen van Nederland, vereerd met bezoeken van ministers en kamerleden en de hoogste autoriteiten op onderwijsgebied, niet alleen uit ons land, maar ook uit andere landen, zelfs uit N.O. Indië.”

In 1937 werd deze bioscoop in verband met bezuinigingsmaatregelen gesloten.

Carl Doeke Eisma
carleisma@planet.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann