Kleine potjes hebben grote oren

Als kind luister je natuurlijk zo onopvallend mogelijk naar de gesprekken tussen je ouders en je grootouders. Want zo steek je nog eens wat op. Ook al begrijp je de helft (nog) niet. Hieronder zomaar wat, al dan niet verwerkte, indrukken die ik in de loop der tijd rond mijn opa en oma van moeders kant opdeed.

Opa (1875-1963) was vooral deftig. Hij bekleedde de functie van hoofd ener lagere school te Amsterdam in een tijd dat dat beroep nog in aanzien stond. Oma (1890-1971) had als leerling bij opa in de klas gezeten en ze hadden allebei netjes gewacht op het moment, dat ze fatsoenlijk in de echt konden treden. In de tussentijd gaf opa les aan de lagere school nummer 69 in Amsterdam voor een jaarsalaris van 600 gulden, terwijl oma haar onderwijsakte haalde op de Kweekschool in Leeuwarden en enige jaren lesgaf in Oldemarkt ‘op eene jaarwedde van 500 gulden’.

De hele familie van oma emigreerde naar Amerika. Maar oma werd ondergebracht bij een nicht, die een tabakswinkeltje runde in Amsterdam totdat haar tijd rijp was voor opa. Ze trouwden in 1912.

Hoe het precies in elkaar stak zullen we wel nooit weten. Maar oma was vooral naïef. Dat bleek wel uit de gesprekken die ik opving toen ik klein was. In de familie deed de mare de ronde dat mijn moeder en haar zus verwekt werden tijdens een diepe slaap van oma. Ook hadden wij ergens een oom die zijdelings familie van opa was. Opnieuw een familiegerucht: die oom was – zoals dat toen heette – homoseksueel. Mijn vader wist nog te vertellen dat dat tijdens een dinertje ter sprake kwam. Oma was op dat moment circa 40 jaar oud. Hardop vroeg ze: ‘Wat is dat? Homoseksueel?’ Waarop opa onmiddellijk antwoordde: ‘Johanna, het is echt veel beter voor je als je dat niet weet.’ Waarop oma verder geen nieuwsgierigheid meer aan de dag legde.

Theo Thijssen
Wat moet je als klein jongetje met zo’n opa en zo’n oma? Afstand houden leek me het beste. Ik kan me trouwens geen enkel moment herinneren dat opa of oma ooit maar enige moeite hebben gedaan die afstand te beslechten met interesse in mijn welbevinden.

Evengoed waren er de verhalen. Zo ging opa, in de tijd dat hij onderwijzer was veel om met de later befaamd geworden pedagoog, Theo Thijssen, die toen ook onderwijzer was op een school in de buurt. Opa had ook een andere vriend: Hans van Strien. Die schreef in die tijd een boek met de titel: ‘Van spreken tot schrijven. Methodisch gerangschikte oefeningen voor het zuiver schrijver op de lagere school’, met elkaar 760 bladzijden druk.

Toen het boek uitkwam had Theo Thijssen daar geen goed woord voor over. In een vaktijdschrift schreef hij onder meer: ‘De handleiding is niet dóór te komen. De schrijver schrijft duister en muf. Hij stuurt je van de ene paragraaf naar de andere voor allerlei bagatellen gruwelijk taai. Benepen gemier’. En tot slot: ‘Deze handleiding moet zeker weer bestudeerd kunnen worden door stomme examen-strevers. Zo moeten de half-gare taal-jochies onder de schoolmeesters weer vernuftig leren lezen. En zo helpen ze mee om van de volks-school een nog mallere inrichting te maken. Maar dat is allemaal niet eens zo erg. De hoofdzaak blijft, dat de methode Van Strien van het kind te veel eist.’ (Zie blz. 73-85 in ‘De Engelbewaarder’ uit 1976).

Prachtig! Als Thijssen het niet tóen al had geschreven, had ik het nú wel gedaan.

Maar opa koos partij voor zijn vriend Van Strien. En lag derhalve de rest van zijn onderwijskundige loopbaan met Theo Thijssen overhoop.

Jammer, jammer. Want ik ben een groot fan van Thijssen. Zijn inzichten zijn vooral ook van toepassing op het huidige onderwijs, dat door tussenbaasjes en andere, zich belangrijk voordoende minkukels gedomineerd lijkt te worden. Zonder die ruzie had ik op deze plek misschien nog meer anekdotes over Thijssen kwijt gekund.

In die tijd had je in Amsterdam drie soorten lagere scholen. Scholen voor armen hadden een cijfer. Daar hoefde je niks te betalen. Scholen met een letter waren zogenoemde tweede klas scholen. Daar moest je 30 cent per week per leerling betalen. De derde klas scholen hadden een naam. Daar was je trouwens heel wat meer geld kwijt. Opa eindige zijn loopbaan in 1936 als hoofd van de Frans Halsschool. Een derdeklas school met een naam dus. Zijn jaarwedde was toen 3.600 gulden. Vandaar zijn deftigheid.

Sciopticonvertoningen
Maar tussen de bedrijven door fungeerde hij (naast zijn baan) ook nog een paar jaar als ‘explicateur bij sciopticon-voorstellingen’. Een sciopticon was een soort Laterna Magica. Een toverlantaarn dus. Tegenwoordig zouden we zeggen: diaprojector. Of nog beter: overhead-projector. Daarmee reisde hij reeds in 1923 de scholen af om kinderen ontroerende verhalen te vertellen bij een reeks van plaatjes.

Iedere keer als hij daarvan thuis kwam zou hij (alweer volgens de familie-legenden) bij zijn vrouw het aantal kinderen hebben vermeld, dat hij met zijn verhalen aan het snikken had gebracht. Hoe meer huilende kinderen, hoe geslaagder de bijeenkomst was geweest.

Opa zowel als oma bezaten uitstekende papieren voor wat betreft hun loopbaan in het onderwijs.

‘Uitstekende leerkracht’
In 1913 schreef de schoolopziener in het arrondissement Steenwijk bij haar vertrek naar Amsterdam het volgende over oma: ‘Zij was een uitstekende leerkracht met veel geduld, opgewektheid en tact. Ze wist orde en tucht gemakkelijk te handhaven en de kinderen hielden veel van haar.’

Het hoofd der school voegde daar aan toe: ‘Ze heeft zich al die tijd doen kennen als een ijverige onderwijzeres die ook bij de ouders, de leerlingen, bij het schooltoezicht en bij ondergeteekende zeer hoog staat aangeschreven.’

Alsjeblieft! Kom daar tegenwoordig eens om. Bestaan er eigenlijk nog wel getuigschriften in het huidige onderwijs? Of hebben ‘die stomme examenstrevers’ het tegenwoordig te druk met vertellen hoe het steeds maar weer anders moet met hun plusjes en minnetjes?

‘Veilige vlucht?’
Eenmaal bezocht oma haar familie in de Verenigde Staten van Amerika. Ze was toen al 75. Alle kinderen en kleinkinderen begeleidden haar naar Schiphol. Ik ook natuurlijk.

Maar tijdens het wachten op het vliegtuig was ze ineens verdwenen. We gingen allemaal als een gek lopen zoeken en vragen. Totdat iemand meldde dat er zojuist een oude dame de verkeerstoren had beklommen. Wij erachteraan. In de verkeerstoren bleek oma het heft eindelijk eens in eigen handen te hebben genomen. Geheel eigenstandig vroeg ze aldaar bij de zittende verkeersleiding of ‘haar vlucht’ wel veilig was en of het verantwoord was om in te stappen. Iemand van de verkeersleiding had haar gerustgesteld en zo stapte ze even later in haar eentje in het vliegtuig. Twee weken later kwam ze vol herinneringen aan haar reis terug. Vol verhalen over haar familie, die ze maar liefst zestig jaar niet meer gezien had. Was dat in ruil voor die onderdanige relatie met haar onderwijzer?

Had u vroeger ook grote oren als het om uw grootouders ging? Mail het naar julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann