De verkiezingen waren toen anders: de tijd van de billboards en de raambiljetten

Op 21 maart zijn er weer gemeenteraadsverkiezingen in Den Haag. En in alle andere gemeenten. Kandidaten maakten zich op in de afgelopen weken in de “eindsprint” om de sympathie te winnen van de kiezers. Lijsttrekkers kiezen hun woorden zorgvuldig in interviews in de krant of bij Omroep West. En op sociale media natuurlijk, want dat is nu natuurlijk het communicatiemiddel bij uitstek. Geen lange discussiebijeenkomsten in rokerige zaaltjes meer. Dat is over en bovendien “not done”, want het rookverbod is al vele jaren heel gewoon. Maar het is nu wel een uitgelezen moment om eens terug te kijken naar toen. Toen? We kiezen een ruim tijdvak: de jaren 70 en 80, want helaas blijken er weinig politici meer actief of zelfs nog in leven, die met enige verve over de verkiezingsavonturen van toen kunnen verhalen. Maar ik heb er wel vijf gevonden die bereid zijn om geheel spontaan terug te kijken naar toen.

Ik probeer eerst mijn eigen beelden terug te halen: ik herinner mij de competitie op de Zuiderparklaan wie als eerste het verkiezingsbiljet van de partij van zijn keuze op het raam had geplakt. Het waren de biljetten van de grote landelijke partijen toen: PvdA (meestal lijst 1 in Den Haag), KVP (een van de drie partijen die later het CDA zouden vormen: KVP, CHU en AR), CPN (toen meestal lijst 6) en onder meer GPV. Vanaf 1966 kwam D’66 daarbij. Echte lokale partijen bestonden niet, de politieke verhoudingen waren een-op-een doorgetrokken van de landelijke politiek naar de Haagse situatie. Met andere woorden: als je landelijk PvdA stemde, deed je dat in je stad ook. Bij mij thuis (op nr. 421) was dat in elk geval geen twijfelpunt en bij de “rode” buren op nr. 415 al helemaal niet, want de familie Mioch had altijd het grootste lijst 1-biljet van de hele Zuiderparklaan. Maar verder was de buurt redelijk gemixt qua politieke voorkeur. En kwam daar ook openlijk voor uit.

Jack Verduyn Lunel was al in de zestiger jaren politiek uiterst actief. Zegt hij althans zelf: daadwerkelijk actief bij wat toen het Haagse provotariaat heette, met acties op Prinsjesdag en het huwelijk van Margriet en Pieter en vooral een verboden publicatie over Prins Bernhard. Op 21-jarige leeftijd werd hij lid van de toenmalige PPR (landelijk bekend door de naam Bas de Gaay Fortman), dat veel later opging in GroenLinks. Hij maakte deel uit van discussies ‘of we wel zouden deelnemen aan het jongerenparlement’. Maar hij werd uiteindelijk lijsttrekker van zijn partij in 1974.

“Negentig procent van de partijpolitiek op landelijk niveau, dus ook het stemgedrag van mensen werd veel meer daardoor beïnvloed en niet zozeer door specifieke op de lokale situatie gerichte programma’s”, aldus Verduyn Lunel, die ook nog aangeeft, dat de aanhang van zijn partij vooral te vinden was in het Zeeheldenkwartier, Valkenboskwartier en de Archipelbuurt. “We waren altijd erg ondergeschikt aan de landelijke politieke verhoudingen al stelden we in de verkiezingsstrijd natuurlijk wel degelijk lokale thema’s aan de orde. En beschuldigden we de PvdA’ers toen al van “links lullen en rechts vullen. Ons grootste gelijk haalden we misschien wel met onze bezwaren tegen de ontwikkeling van het Gevers Deynootplein, niet voor niets winnaar van de prijs het lelijkste plein van Nederland.” Wat de verkiezingsstrijd zelf betreft onderstreep Verduyn Lunel de verschillen met nu: “We hadden wel degelijk een soort kieswijzer, we maakten veel gebruik van lokale kranten, en dat waren er toen veel meer dan nu, er werd heel veel geflyerd en geplakt (ik ben zelf ook nog opgepakt wegens illegaal plakken). En natuurlijk hadden we onze kramen staan in de winkelstraten.” Hij maakte de verkiezingen vier keer mee. “We stapten uit het overleg voor de vorming van een college, omdat alles teveel in beslotenheid begon te verlopen.” Verduyn Lunel was overigens ook nog wethouder JSR, cultuur en media (na Piet Vink), die bestuurlijke carrière duurde nog 3,5 jaar, tot het moment dat het college viel op de stadhuis-discussie.

Ook Pieter den Dulk (van 1986 tot 1998 actief in de lokale politiek) van het CDA refereert naar de andere communicatie met het stempubliek, dat gemotiveerd moest worden om op zijn partij te gaan stemmen. “Het rechtstreekse contact met de mensen op straat, dat vond ik eigenlijk het leukste. Naast het flyeren, de kraampjes bemannen, het canvassen in de wijken (biljetten ophangen) en het neerzetten van billboards. Natuurlijk kreeg je wel eens het een en ander naar je hoofd geslingerd. Ja, bij bezoeken aan winkelcentra zoals de Fahrenheitstraat of bij het bezoek aan specifieke stadsdelen.” Daarbij was het voor Den Dulk bepaald geen nadeel, dat hij los van zijn politieke rol een grote bekendheid genoot, want hij was zo’n tien jaar voorzitter van ADO Den Haag (toen nog FC Den Haag geheten). Een functie, die hem overigens er niet van weerhield verkiezingsfolders uit te delen in het Zuiderpark na een wedstrijd van zijn club in het stadion. Ook Den Dulk refereert naar de landelijke politieke trend als vertrekpunt voor het stemgedrag van mensen. “En dat is eigenlijk achteraf jammer, dat we geen kans zagen om specifieke lokale problematiek, zoals de ontwikkeling van de Binckhorst of de speciale ontwikkeling van Scheveningen zwaar voor het voetlicht te brengen”. Den Dulk schat de betrokkenheid van kiezers bij de gemeenteraadsverkiezingen toen groter in dan nu. De discussieavonden trokken volle zalen, er was echt discussie, nu wordt veel meer gedachtegoed via sociale media uitgewisseld, waarbij het veel meer om het uitingen van meningen en minder om echte discussie gaat. En dat vindt Den Dulk gewoon jammer.

Jan Heemskerk was gemeenteraadslid voor de PvdA van 1978 tot 1994 en was van 1986 tot 1990 wethouder van onderwijs, migranten en welzijn. In zijn wethouderstijd was hij o.a. verantwoordelijk voor de oprichting en nieuwbouw van de Haagse Hogeschool, de totstandkoming van het Johan de Witt College en de nieuwbouw van de Centrale Bibliotheek.

Ook Heemskerk onderstreept meteen het feit, dat de verkiezingscampagne toen een rechtstreeks en geen digitaal karakter had. “De campagne vond op straat plaats, we werkten met aanplakbiljetten en gingen van deur tot deur. We hingen een rode haan aan de deurknoppen. Tja, en dan kwam het wel eens voor, dat je aanbelde en bij het open doen de vraag werd gesteld: ‘U wilt zeker weten welke partij ik ga stemmen? Nou, dan heb je pech gehad, ik stem zeker niet op de Partij van de Arbeid, want ik hou helemaal niet van werken’.” Zo maar een anekdote uit die tijd. Ook Jan Heemskerk onderstreept het analoge karakter van toen: geen sociale media, geen radio of TV West, maar wel veel, heel veel lokale kranten met uiterst actieve redacties. Die de verkiezingsbijeenkomsten in allerlei zaaltjes bezochten en erover verhaalden in de tenminste vier lokale kranten: Haagsche Courant, het Vaderland, het Binnenhof en de Nieuwe Haagsche Courant. “Je zat in panels in volle zalen, vaak in wijk- en dienstencentra en we spraken over thema’s, die in de wijk speelden. Het mag dan zo zijn, dat de landelijke politieke verhoudingen de lokale kleur bepaalden, de mensen waren wel degelijk betrokken bij wat er in de wijk speelde en wat de lokale politiek daaraan dacht te doen. Een thema als stadsvernieuwing stond centraal, maar ook over onderwijs en welzijn werd gepraat. Vergeet niet, dat we in de begin jaren tachtig een hoge jeugdwerkloosheid hadden, de betrokkenheid bij de discussies was groot”, vertelt Jan Heemskerk. “Het was de tijd van de stadsvernieuwing, van de totale hervorming van de Schilderswijk. Mensen reageerden soms heel erg boos en argwanend en zeiden: ‘Onze huizen worden gesloopt, kunnen we hier straks nog terug?’ Er was soms gezonde argwaan, maar misschien was er wel een groot verschil met nu: wij probeerden ook uit te leggen waarom we bepaalde beslissingen wilden nemen of genomen hadden. Niet alleen mensen naar de mond praten, maar ook laten merken hoe je ook anders naar dingen kunt kijken. Er werd veel over geschreven in de kranten en vergeet niet dat de meeste raadsleden die campagne voerden, meestal geboren en getogen waren in de stad. En ze wisten waar ze het over hadden en ze bleven toch overeind in de felle discussies, ook als die ondersteund werden met spandoeken in de zaal. Het blijft het leukste voor een politicus: de rechtstreekse confrontatie met de kiezer. En het beste, je kijkt elkaar recht in de ogen en heel vaak krijg je meer begrip over en weer. Meer respect ook. Je moet niet altijd de mensen naar de mond praten.”

Hij geeft nog eens scherp de verschillen aan tussen toen en nu, al zal menig huidig gemeenteraadslid of kandidaat het daar wellicht niet mee eens zijn: “Veel politici hadden uitgesproken en helder geformuleerde idealen. Wat mij betreft wordt nu teveel de waan van de dag geaccentueerd, er wordt te veel beloofd wat bij mensen of wijken wel in de smaak zal vallen zonder een vleugje visie. Iets verder kijken dan je neus lang is, het zou een verademing zijn bij al die hypes van vandaag aan de dag.”

Rob van de Laar (VVD) zat in de periode 1981-2014 in de lokale (gemeente)politiek. Hij was wethouder van economische zaken en personeelsbeleid, met o.a. de verantwoordelijkheid voor bedrijfsterreinen incl. Scheveningen Haven. Hij trad af, daar de raad hem niet kon volgen bij binnenstedelijke bedrijfsterreinen. Later ging de raad toch over naar de combinatie van wonen en werken, zoals hij dat voorstond.

Ook hij was betrokken bij de verkiezingsstrijd. Ook hij refereert naar de volle zalen en naar de betrokkenheid van de burgers. Er waren ook meer partijleden. Veel meer. Rob vertelt, dat hij ook voorzitter van een onderafdeling van de VVD in Den Haag was: 1.200 leden had die afdeling, terwijl heel Den Haag 5.500 leden had. 1.200 is nu het ledental in heel Den Haag. Ook verwijst hij naar het destijds uiterst populaire ‘flyeren’, het de bemannen van de kraampjes, het rechtstreekse contact met de mensen op straat. “Ach”, zegt hij, “er was rivaliteit tussen de partijen, maar ook collegialiteit tussen de vertegenwoordigers van die partijen”. Wel wil hij nog kwijt, ook al valt het een beetje buiten het onderwerp, ‘dat dossierkennis voor gemeenteraadsleden ontzettend belangrijk is’. “Daar maakte ik mij in mijn tijd al druk om. Ik kon mij ergeren als mensen mee discussieerden over een onderwerp binnen de sfeer van de ruimtelijke ordening en volstrekt geen dossierkennis bleken te hebben en zich gewoon niet goed in het onderwerp hadden verdiept.”

Constant Martini (ex-PvdA) werd in 1974 voor de eerste keer gekozen in de Haagse gemeenteraad, werd in 1987 fractievoorzitter en was van 1986 tot 1994 wethouder. Aanvankelijk met de portefeuille werkgelegenheid, economie en gezondheidszorg, in de tweede periode werd de gezondheidszorg vervangen door het aandachtsgebied personeel en organisatie. “Kijk, 1974 was nog de tijd van het actievoeren, ik was oprichter van de Haagse Wetswinkel en betrokken bij de kraakbeweging, die zich vooral inzette voor de sociale huurders. Je betrokkenheid ging vanuit je maatschappelijke activiteiten een-op-een over naar de politieke activiteiten. De dynamiek van de stad was herkenbaar in de aanpak van de partij”, legt Martini de andere positie van het aanstaande gemeenteraadslid uit. Ook hij stelt vast, dat de betrokkenheid van de kiezers toen anders was dan nu. Gemeenteraadsleden en kiezers maakten veelal deel uit van dezelfde beweging. Of van dezelfde politieke partij. “Daar kwam wel verandering in vanaf 1966, toen we voor de laatste keer de contributie nog ophaalden bij de leden en zo de directe contacten nog hadden. Daarna werd alles giraal of per bank gedaan en werden de contacten minder. En inderdaad werd de keuze door kiezers in hoge mate bepaald door de politieke lijn van de landelijke partij. Ik maakte het mee, dat er opzeggingen kwamen voor de PvdA, omdat wij Oost-Duitsland wilden erkennen. Dat had niets met plaatselijke politiek te maken”.

Ook Martini voerde campagne. Met sandwichborden ging hij de Schilderswijk in. Hij herinnert zich de massale sneeuwbalaanval van jongeren, die dus juist niet van plan waren om PvdA te stemmen. Maar de betrokkenheid van kiezers is naar zijn overtuiging ook om andere reden drastisch veranderd. Lokale belangen en/of projecten bepaalden in de loop der jaren meer de keuze van kiezers, de landelijke partijlijn werd minder relevant. “Maar ook de stijgende welvaart vanaf de jaren zestig, de ontdekking van de eigen mogelijkheden, de individualisering beweging en tenslotte het neoliberalisme in de jaren negentig (de markt kan alles beter) heeft de afstand tussen kiezer en politiek vergroot. Ik zie dat trouwens vandaag de dag weer enigszins veranderen, er is weer meer neiging om bij elkaar te kruipen, de coöperatieve gedachte keert weer terug.”

De in 1994 gestopte wethouder kan het niet laten nog één ding te zeggen: “Politieke vertegenwoordigers van de jaren zeventig waren minder bang om te zeggen hoe ze over dingen dachten, gingen de confrontatie niet uit de weg. Nu zijn wethouders meer politieke ambtenaren geworden.” Overigens heeft Constant Martini zich inmiddels uit de PvdA teruggetrokken. En was hij best verrast om te horen, dat zijn zoon zich kandidaat had gesteld voor de gemeenteraad bij zijn oude partij.

Ton van Rijswijk
avanrijswijk@kpnmail.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann