Belevenissen van jongste bediende bij de Borsumij

Na drie jaar dagschool lukte het mij in 1953 om het U.L.O. A-diploma te halen. Ik was 15 jaar. Hoe nu verder? Eigenlijk wilde ik gaan werken want dat had mijn oudere broer een paar jaar eerder ook gedaan. Ook mijn ouders voelden hier wel voor. De opzet was om maar gauw aan de slag te gaan en dan ’s avonds verder te studeren voor het één of andere praktijkdiploma.

Meneer Scherpenzeel, de directeur van de Chr. ULO school aan de Busken Huëtstraat, wist dat er mogelijkheden waren om bij de N.V. Borneo Sumatra Handel Maatschappij (kortweg: Borsumij) als jongste bediende aan de slag te gaan. Deze handelmaatschappij was toen nog in één van de grote villa’s langs de Scheveningseweg gevestigd. Het pand stond schuin tegenover het Promenadehotel en is later afgebroken.

Bij de Borsumij werd destijds internationaal in een brede range van producten gehandeld, d.w.z. niet alleen in Indische producten als koffie, thee, peper, rotan en rubber e.d. maar ook in textiel, gereedschappen, papier, hout, prikkeldraad, dranken, enz. Ik denk dat er in de hoogtijdagen honderden mensen in Nederland en op de vele kantoren van de Borsumij in de Oost (vooral in Indonesië, Japan en Hong Kong) werkten.

Met diploma en cijferlijst in de hand togen mijn schoolvriend Jan van Velzen en ik naar het kantoor van de Borsumij aan de Scheveningseweg. Daar moesten we een tekstje schrijven en een paar sommetjes maken en warempel: we werden allebei aangenomen als “jongste bediende” voor het riante salaris van bruto 60 gulden per maand. Overigens was een werkweek toen nog 44 uur want ook op zaterdagmorgen moest er nog worden gewerkt.

Jan kwam op de afdeling L (van Lijnwaad) terecht en ik op de afdeling Documenten Indische Producten. Voordat ik naar kantoor ging, had ik nog nooit een lange broek gedragen, want jongens zoals ik droegen in die tijd nog een korte broek of een plusfour. Nu moest ik ineens een overhemd aan, een jasje aan en een stropdas dragen. Allemaal dingen die ik niet zo geweldig vond. Op de Documenten-afdeling kwam ik aan een enorm rechthoekig bureau dat wel vijftien meter of meer lang was, te zitten. Een stuk of tien medewerkers zaten langs de lange zijden van dit bureau. Zij waren de hele dag druk met type- en mechanische rekenmachines bezig om brieven, import-instructies, schades, facturen enz. over de import en leverantie van Indische producten op te stellen. Dat werk was knap ingewikkeld want alles ging nog in Engelse gewichten en in Engels geld. Aan het hoofd van het bureau zat de grote baas van de Documentenafdeling: meneer Becker!

Met nog een andere jongste bediende zat ik aan het andere uiteinde van het bureau. Onze voornaamste taak was om de stroom van kopieën van documenten, brieven en facturen die door de andere medewerkers de vorige dag behandeld waren, op te bergen in ordners. Dit moest staande aan de balie met een perforator als enig belangrijk instrument gebeuren. Tussendoor riep Meneer Becker bij tijd en wijle met luide stem: “Schenk: contractenboek tachtigduizend-vijf-honderd!” Ik moest dat contractenboek dan als de bliksem bij één van de facturisten zien te vinden en op zijn bureau leggen. Becker was een gedreven man met een nogal opgeblazen gezicht. Hij werd al gauw nijdig als ik het bewuste boek niet zo één-twee-drie wist op te sporen. Ik zat nog niet op mijn plaats of Becker riep dat hij weer een ander contractenboek moest hebben. Dit ging de hele dag zo door. Ik was soms erg blij als hij een poosje afwezig was.

De jongens op de afdeling waren onder elkaar best aardig. Er werd natuurlijk wel over en weer een beetje geplaagd maar nooit op een vervelende manier. Zolang Meneer Becker op zijn plaats zat werd er op de afdeling flink doorgewerkt maar als hij even zijn hielen lichtte, dan ging het dak eraf… Dan werd er door de veelal jonge medewerkers gekletst en geplaagd en werden er geintjes uitgehaald. Maar als de deurkruk maar even bewoog dan was iedereen weer even druk bezig als voorheen.

Een hoogtepunt van de dag was als Toos van der Putten (de enige vrouw van de afdeling) langsliep. Zij was een alleraardigste typiste/telexiste van de afdeling. Iedereen sloofde zich dan natuurlijk uit om dan iets vriendelijks tegen haar te zeggen.

Vanaf half vier ’s middags moesten de stapels uitgaande post door ons in enveloppen worden gestopt en naar de postkamer worden gebracht. Om vijf minuten vóór vijf ging alle medewerkers naar het toilet om te plassen en hun haar te kammen en om klokslag vijf uur was iedereen weg. De jongste bedienden moesten dan nog even blijven om op te ruimen en de contractenboeken in een brandkast te stoppen en af te sluiten.

Na een klein jaartje kreeg ik een beetje genoeg van dit eentonige werk. Meneer Becker vond dat ik er niet pittig en vrolijk genoeg bijliep. Hij zei dat ik niet genoeg “Borsumij-minded” was. Bovendien betrapte hij mij er een keer op dat ik een contractenboek aan het eind van de dag een beetje geforceerd in een brandkast probeerde te proppen. Ik werd toen bijna ontslagen en kreeg dat jaar geen opslag. Dit prikte behoorlijk!

Gelukkig veranderde de situatie compleet toen we na ongeveer een jaar naar een ander gebouw aan de Wassenaarseweg 40 vertrokken. Dit pand staat nog steeds op de hoek van de Wassenaarse-weg en de Oostduinlaan. Momenteel zit de Zuid-Afrikaanse ambassade er in.

Op de bijgevoegde foto die in 1954 kort na het betrekken van het nieuwe gebouw, werd gemaakt, staat een deel van het toen bij Borsumij werkzame personeel. Op twee dames na zijn het allemaal heren. En let op: iedereen draagt een kostuum of ander keurig jasje met een stropdas. De enige die zonder stropdas midden op de foto staat, ben ik!

In het nieuwe gebouw vroeg meneer Lans van de commerciële koffie-afdeling of ik op zijn afdeling van drie man wilde komen werken. Daar had ik wel oren naar, want dan was ik van dat saaie archiefwerk op de Documenten-afdeling verlost. De werkzaamheden op de afdeling Koffie waren veel zelfstandiger en meer gevarieerd. Ik moest leveringscontracten voor de importen van ruwe koffie, huiden, rotan en schelpen typen; invoervergunningen aanvragen; brieven typen; koffiemonsters ontvangen en versturen en soms zelfs koffie branden. Ik had daarvoor ergens in de catacomben van het gebouw een eigen koffiebrandertje. Soms kwamen om een uur of vier enkele chefs bij mij langs om “koffie-tubruk” (gemalen koffie opgeschonken met heet water) te drinken. Een heel enkele keer werden er koffiemonsters geproefd en beoordeeld waarbij dan allerlei quasi vaktermen werden gebezigd. Meneer Lans kwam meestal wat later op kantoor. Hij belde de hele dag met allerlei makelaars en koffiehandelaren in binnen- en buitenland en schreef de brieven die ik dan moest typen. Ook werd vaak van de telex als nieuw fenomeen voor de internationale contacten gebruik gemaakt. De contacten met de kantoren van Borsumij in Singapore en Indonesië gingen meestal nog per telegram.

Hoewel meneer Lans er nors uitzag (hij was in zijn jonge jaren bokskampioen van West Java geweest) was hij niet onaardig. Om half vier ’s middags kwam een collega, meneer Chandon van de Peper-afdeling, vaak bij hem op bezoek. “Hi Bill” zei Lans dan altijd. Er werd dan over van alles en nog wat gepraat, koffie gedronken en gerookt want Meneer Lans rookte stevig. Elke dag moest ik een paar pakjes “Caballero”- of “Cocktail”-sigaretten voor hem halen. Wat later ging hij een sigarettenpijpje met filter gebruiken. Hij had een zwarte “Citroen” met “traction avant” (zo ’n ouderwetse gangsterauto met brede spatborden en losstaande koplampen).

In 1961 werd door Borsumij een ander bedrijf, Geo Wehry & Co, overgenomen. De naam werd toen gewijzigd in N.V. Borsumij Wehry. Ik ben nog een paar jaar bij Borsumij Wehry blijven hangen. Goeie collega’s uit die tijd waren o.m.: Rolf Ruebsamen, Fred v.d. Zalm en Wim v.d. Horst.

Inmiddels studeerde ik in de avonduren voor de M.O. akte “Economie & Statistiek”. Met die akte hoopte ik om een paar vrijstellingen voor het eerste jaar van een verdere avondstudie aan de Nederlandse Economische Hogeschool in Rotterdam te kunnen krijgen. Voor deze plannen toonde Borsumij nauwelijks interesse. Daarom stapte ik in 1964 over als “aankomend statisticus” bij het Rijk (Ministerie van Landbouw).

De N.V. Borsumij Wehry bleef nog enkele decennia voortbestaan. In de negentiger jaren van de vorige eeuw werd door de firma zelfs nog even het predicaat “Koninklijk” verkregen. Helaas volgden er toen wat malversaties aan de top. Het eind van het liedje was dat de N.V. Koninklijke Borsumij Wehry in 1996 door concurrent Hagemeier werd overgenomen en Hagemeier werd een tiental jaren later weer door een groot Frans bedrijf opgeslokt. Zo verdween een grote handelsonderneming uit Den Haag waar ik mijn eerste praktische leerschool en vele onmisbare kantoorervaringen had opgedaan!

Daan Schenk
dgschenk@hetnet.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann