In dienst van het vaderland (1959-1960)

Tegenwoordig is de keuze om in het leger te gaan werken geheel vrijwillig. Een goede zaak. In mijn tijd was er geen keuze. Iedere jongeman van 18 jaar werd toen opgeroepen voor de dienstplichtkeuring. Want de militaire dienst was verplicht voor alle Nederlandse heren der schepping. De broederdienst was net voor mijn aantreden helaas afgeschaft. De derde broer kreeg voordien vrijstelling van dienstplicht. Ik had namelijk twee broers boven mij, dus had ik pech gehad en moest ook ik het land gaan dienen.

En zo bracht ik, toen ik de leeftijd van 18 jaar had bereikt, op een dag, gekleed in slechts een onderbroek, uren met leeftijdgenoten bibberend door op het keuringsbureau. De lichamelijke doorlichting was behoorlijk zwaar. Ik herinner mij de pijnlijke greep in mijn slipje om te voelen of ik een lies breuk had. Ik zag bomen van kerels tegen de vlakte gaan bij het afnemen van hun bloed. Er waren ook intelligentie testen, zoals een Morse test, die ik glansrijk heb doorstaan. Wat dat voor gevolg had, bleek na mijn recrutentijd, die ik als ‘filler’ doorbracht in en om de Frederik Hendrik kazerne te Vught. Daar werd ik klaargestoomd tot geoefend soldaat. Hoger dan die rang ben ik nooit gekomen, want aan afgestudeerde onderwijzers en studenten, die vanwege hun studie-uitstel ouder waren dan de gemiddelde soldaat, had het leger de pest. Deze hogere opgeleide jongemannen durfden te protesteren tegen de sadistische vernederingen die we moesten ondergaan. Onze instructeurs hadden in het burgerleven een lagere opleiding en compenseerden dat door afblaffen, afstraffen en veel geschreeuw. Ik heb studenten, die daar niet tegen konden en in opstand kwamen of door het lint gingen, afgevoerd zien worden naar de strafgevangenis Hellevoetsluis.

Dus hield ik mij gedeisd en volgde de onzinnige bevelen gehoorzaam op. Dat viel niet mee voor iemand die net was klaargestoomd om zelf de leiding van een klas op zich te nemen… Bovendien kon ik niet tegen het dragen van de legerkistjes, want mijn voeten hadden veel te lijden. In de verlofweekends moest mijn moeder alle zeilen bij zetten, om met voetenbaden, zalfjes en pleisters het lopen op die rotlaarzen weer enigszins mogelijk te maken. Bij de schietoefeningen schoot ik altijd mis en mijn geweer kon ik niet schoon krijgen. De bajonet oefeningen vond ik walgelijk, evenals de vele langdurige inspecties van mijn uitrusting, mijn kleding en zelfs mijn brits. Want o wee als dat niet volgens het Handboek van de soldaat was opgemaakt of je spullen niet volgens die regels in orde waren. Dan kon je fluiten naar je weekendverlof. Uren lang voor je brits staan wachten op de inspectie. Of je hele hebben en houden buiten op het gras moeten uitstallen voor de buiteninspectie, die altijd op vrijdagen gehouden werd. Klopte er iets niet aan je kleding of uitrusting, dan werd je weekendverlof ingetrokken…

Als een knoop op je kleding los zat, werd die er met alle andere knopen van je uniform afgerukt en moest je die in je vrije tijd weer aannaaien. Dan was je nachtenlang bezig. Zo waren er veel meer van die kinderachtige pesterijen.

En dan die rangen van sterren en strepen. Die moest je uit het hoofd leren. Dat lukte mij maar niet en dus salueerde ik maar voor de zekerheid voor elk uniform dat mij voorbij kwam. Mijn maten hadden dan de grootste lol!

Drie maanden lang moest ik die vernederingen verduren, voordat ik werd overgeplaatst naar… de Infanterieschool te Harderwijk. Dus niet naar de parate hap, waarheen de meeste lotgenoten werden gestuurd. Maar aan mijn geslaagde Morsetest had ik te danken een vervolgopleiding te mogen doen voor telegrafist. Helaas was geen rekening gehouden met de technische aanleg, die voor deze opleiding noodzakelijk was. Die had ik dus totaal niet en ik begreep niets van al die technische apparaten, waarmee ik moest leren omgaan. Ik was en ben zo technisch als een koe, zeg ik altijd. Maar het leven buiten die lessen op de kazerne was hemelsbreed verschillend van Vught. Het was een opleidingsinstituut met normale lesuren. Hier werd ik weer als mens gezien en behandeld. Mijn medestudenten hadden een beter niveau. We konden het goed met elkaar vinden. En… ik sliep in een echt bed zonder bovenburen!

Maar na een ongeval met een radioantenne en mijn slechte resultaten in de technische vakken, werd ik vroegtijdig als telefonist naar de parate troepen gestuurd. Het voordeel was, dat ik nu niet drie maanden langer hoefde te dienen, omdat ik geen volleerd specialist was: dus geen radiotelegrafist, maar telefonist. Wel jammer dat ik deze kazerne dus vroegtijdig moest verlaten.

Na zes verlofdagen meldde ik mij met mijn plunjezak bij de Adolf van Nassau kazerne te Zuidlaren om er de rest van mijn diensttijd als telefonist vol te maken. Ik had het gevoel dat het leger mij expres zo ver mogelijk van mijn woonadres parkeerde, terwijl ik had gehoopt op een administratieve baan in of om Den Haag. Enfin, het parate soldatenleven was een terugval, zoals in de rekrutentijd. Weer die kadaverdiscipline, de pesterige inspecties en de stromatrassen. Na het weekend verlof kwamen vele maatjes dronken terug op de grote slaapzalen en hielden de braveriken danig uit hun slaap met hun gelal en gepoch over hoeveel mokkels ze dat weekend wel hadden versierd… Door de week werden de kroegen in het dorp goed bezocht. Zelf ging ik in de avonduren heel braaf naar het Protestants Militair Tehuis om er rustig de krant te lezen, t.v. te kijken en uit te rusten. Ik zag er o.a. nog in zwart-wit de Olympische Winterspelen met Sjoukje Dijkstra en Joan Haanappel, de eeuwige tweede .Maar ook de Matthäus Passion. En speelde ik er op de piano en zelfs quatre-mains met een hospik. Heerlijk! Even geen bevelen, maar een beetje cultuur en een normale behandeling van het tehuis.

Als telefonist moest ik tijdens de oefeningen een loodzwaar zend- en ontvangtoestel op mijn ‘tengere’ rug meesjouwen. Daardoor kon ik het marstempo niet bijhouden en zat de leidinggevende luitenant zonder communicatie, zodat de oefening in het honderd liep. Vanaf toen mocht ik met mijn spullen meerijden in zijn jeep. Wat keken mijn maatjes jaloers! Als verbindingsman hielp ik in de ‘store’ het materiaal onderhouden en liep zodoende nog wel eens tot mijn genoegen een oefening mis, omdat het repareren van het materiaal de voorrang had. Natuurlijk wisten mijn maten en ik dat wel eens uit te buiten…

Op bivak moest ik mijn halve tentje aan dat van mijn maat knopen voor we kont aan kont gingen maffen, of dat probeerden…

Op 5 juli 1960 vertrokken we met de hele compagnie in een lange colonne naar het oefenterrein in het hoogland van Auvergne, om daar een maand lang oorlogje te gaan spelen in het prachtige landschap. In open wagens deden we er vier dagen over. Onderweg sliepen we in onze halve tentjes op kazerne terreinen, zoals o.a. in Oorschot. Toen we na een maand weer naar Holland vertrokken, was dat landschap niet zo prachtig meer… De zware tanks hadden hun verwoestende werk grondig gedaan. De kazerne in La Courtine was nog armzaliger dan in Holland: verwaarloosd, vies en een gat in de vloer als toilet. De oefeningen vond ik volstrekt zinloos. De rooien tegen de blauwen. Vaak stond ik uren lang met mijn radio werkeloos te wachten in de bush-bush. Dan knapte ik wel eens een uiltje, heerlijk op het zachte mos en tussen de struiken. Gelukkig waren daar de lekkere zomervruchtjes: frambozen, bosbessen, pruimen en appeltjes, die er er op mijn komst hingen te wachten. Evenals het glaasje wijn in een van de kroegen buiten de poort in de avonduren. Op zaterdagavond waren er in de grote tent optredens van ingevlogen artiesten, die toen populair waren. Namen weet ik niet meer. Maar wel de vrijwillige culturele auto tochtjes op de vrije zondag naar omliggende Franse steden, als Clermont- Ferrand en Aubusson. Heel interessant, want ik wilde graag zien in wat voor omgeving ik bivakkeerde. Wel in uniform om herkenbaar te zijn.

Na de terugreis ben ik gaan solliciteren naar een baan. Ik wist, dat de behoefte aan onderwijzers heel groot was, en dat ik de militaire dienst na de basistijd van een jaar kon verlaten, als ik een betrekking kon vinden. Nou, ik had de keuze uit zes scholen. Ik nam de baan in Amsterdam. Ik verliet de kazerne in Zuidlaren op vrijdag 7 oktober 1960 en stond drie dagen later voor de 4e klas met 34 kinderen in Amsterdam-Zuid. Eindelijk eigen baas en op eigen benen. Mijn onderwijsleven begon. Ik had een jaar verloren en kon lange tijd geen groen meer zien…

Barend Jan Donker
lindenf@planet.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann