De Haagse afdeling van de Humanistische Jeugdbeweging (HJB)

Zoals iedere geestelijke stroming hield ook het Humanistisch Verbond er in de jaren zestig van de vorige eeuw een jeugdbeweging op na. De begrippen ‘tolerantie’ en ‘respect voor elkaars opvattingen’ dienden immers doorgegeven te worden aan de volgende generatie.

De HJB was de eerste jongerenclub in Nederland waar volwassenen de dienst níet uitmaakten. De leden (jongeren van 15-18 jaar) mochten zelf weten wat ze leuk vonden. Maar vanachter een hoekje werden ze toch in de gaten gehouden door speciaal daarvoor aangestelde mentor-leden van de HJG (18-25 jaar) die daarvoor op hun beurt weer instructies kregen van het hoofdbestuur van het Humanistisch Verbond (HV).

Omdat mijn vader een fervent humanist was werd ik al op 15-jarige leeftijd gewezen op de mogelijkheid van een eventueel lidmaatschap. Ik moest het natuurlijk zelf weten, zoals kinderen van humanisten altijd alles zelf mochten weten, maar als ik het niet deed zou een belangrijk onderdeel van mijn opvoeding aan me voorbijgaan, aldus mijn vader. Nu, zestig jaar later, geloof ik inderdaad, dat hij gelijk had. En zo trad ik rond 1960 toe tot de Haagse afdeling van de HJB. Het hoofdkwartier van deze club was gelegen in een keldertje aan het Oranjeplein 81, midden in de Haagse Schilderswijk.

Iedere zondagavond organiseerden we daar zelf een bijeenkomst met een ludiek of geestesrijk onderwerp. Het HJB-bestuur althans. Want zo jong en zo vrij als we waren, de HJB diende natuurlijk wel een bestuur te hebben om richting te geven, te vertellen hoe het moest en om via speciale commissies van alles te regelen. Zo was er een programma-commissie die voor inleiders op de zondagavonden zorgde, een convocatiecommissie die iedere week de uitnodigingen (convo’s) schreef en verstuurde en een tijdschriftencommissie die het maandelijkse HJB-tijdschrift ‘Trefpunt’ volschreef .

Maatschappelijke kringen
We hadden het er maar druk mee. Bovendien was er een jaarlijks congres in Utrecht waar alle tien landelijke afdelingen vertegenwoordigd werden door bestuursleden van de plaatselijke afdelingen. Den Haag werd daar doorgaans vertegenwoordigd door de toen 16-jarige Haagse HJB-ers Joke Schwiebel en Marietje van Rossen. Zij verdiepten zich, uiteraard namens ons, in de juiste formuleringen van de juiste moties die ze uiteraard op de juiste momenten op het congres wisten in te dienen. Daar hebben ze het ver mee geschopt. Marietje werd burgemeester van Hellevoetsluis en later van Alkmaar. Joke vertegenwoordigde de PvdA in het Europees Parlement en was daarnaast lid van het hoofdbestuur van de COC. Maar zelfs toen al achtte ik hun onverzadigbare behoefte om deel uit te maken van de de hoogste maatschappelijke kringen tamelijk verdacht en hield me derhalve uitsluitend bezig met het stencilen van het clubblad Trefpunt op de zolder van Liesbeth van der Noordaa in de Tweede Sweelinckstraat. Wier ouders, net zoals de mijne, doorgewinterde humanisten waren.

Als het stencilen was gedaan, trakteerden Liesbeth en ik elkaar op die zolder wel eens spontaan op een verkenning van elkaars vorderingen op het terrein van de seksualiteit. Dat heeft zich tussen ons echter nooit verder ontwikkeld. Wel mailen we elkaar nu, na zestig jaar, nog steeds op elkaars verjaardag. Dat neemt allemaal niet weg, dat er heel wat wél geslaagde relaties in de HJB ontstonden. Feestjes, en vooral de zogeheten HJB-kampen droegen daar flink aan bij.

Een zitplee
Naast een aantal zeilkampen in Friesland en een logeerpartij in het clubhuis van de Amsterdamse Hell’s Angels (waar de Amsterdamse HJB haar onderkomen had) herinner ik me vooral het kamp op Maaldrift nog goed. Maaldrift was, en is nog steeds een camping in Wassenaar. We fietsten daar naar toe met een tentje achterop. Of we gingen op de brommer en belden dan van te voren een meisje met het aanbod dat ze opgehaald zou worden en achterop mee kon rijden. Ik belde Liesbeth natuurlijk. Maar die bedankte. Niet omdat ze me niet aardig vond, zei ze. Maar omdat ze niet achterop mijn brommer wilde. Dat was een Monarch. Een Zweedse brommer met beenkappen en een windscherm. Een zitplee, zeiden we vroeger. Als ik een Puch had gehad was ze graag mijn passagier geweest, zei ze nog.

Ook op Maaldrift werd er flink wat ondernomen op het gebied van relatievorming. Het zogenaamde ‘buiken’ vormde daarbij een onmisbaar ritueel. Daarbij ging men zodanig op de rug in het gras voor de tenten liggen dat iedereen met zijn hoofd op de buik van een ander lag. De eerste en de laatste droegen er zorg voor dat het geheel in een kring kwam te liggen. Het lag voor de hand, dat men streefde naar een zodanige ligging dat zijn/haar hoofd op de buik van een (toekomstige) vriend/vriendin lag. Hetgeen lang niet altijd lukte.

En als iedereen tenslotte lag werden er liederen gezongen. Het gezang: ‘Drei Japanesen mit ein contra-bas, standen auf die Straße und sie spielten was. Kam der Polizei! Was ist das? Drei Japanesen mit ein contra-bas!’, staat me nog levendig bij. Vooral omdat dat lied de eerste keer ten gehore diende te worden gebracht met alleen maar ‘i’s in plaats van andere klinkers. ‘Drie Jipinizen mit ien cintri-bis’ enzoverder. En dan met een ‘o’. ‘Dro Joponozen mot on contro-bos…’en dan weer met een a, een ij, een oe. Totdat we er genoeg van hadden en al dan niet in paren een wandeling begonnen. Of ons, al dan niet in paren, terug trokken in onze tenten teneinde de humanistische beginselen op het gebied van lichamelijke affectie aan een nader onderzoek te onderwerpen. Dat kon allemaal. Want zoals hiervoor gemeld ontbrak ieder ouderlijk toezicht. Dankzij het humanistisch adagium ‘vrijheid, blijheid’.

Terug naar de wekelijkse bijeenkomsten in het keldertje aan het Oranjeplein. Want daar ging het om. Althans, onze ouders verkeerden in de veronderstelling dat het daarom ging. Vaak waren er vertegenwoordigers van godsdiensten zoals boeddhisme, hindoeisme, voodoo, reformatie, katholicisme van de partij om ons in te lichten over hun beweegredenen. Maar ook kwamen functionarissen van interessante instellingen, zoals de directeur van het gekkenhuis (dat mocht je toen nog gewoon zeggen) Rosenburg aan de Loosduinsekade, om ons op de hoogte te brengen van maatschappelijke aspecten die anders voor ons verborgen zouden blijven. Levendig staat me bij dat een vertegenwoordiger van de Mormonen na afloop van zijn lezing vroeg of er iemand nog wat te vragen had. En dat Eckart Dissen (toen 17 en later directeur van de Amsterdamse Kosmos) vroeg waarom Mormonen altijd ‘magisch’ ondergoed met heilige symbolen droegen. Dat was Eckart namelijk op de een of andere manier te weten gekomen. Waarschijnlijk van zijn ouders die een reformhuis op de Laan van Meerdervoort hadden. En dat die Mormoon toen antwoordde dat dat geheim was. En dat alleen de Mormonengoeroe’s in Salt Lake City het antwoord wisten. Ziedaar de bron van mijn latere afkeer voor alles wat maar enigszins naar sektes ruikt.

Maar mijn vader had gelijk: mijn interesse in geestelijke stromingen, van welke aard dan ook, moet worden gezocht in mijn avonturen in de HJB. Want daar kregen wij, vrijblijvend, vrijwel onmerkbaar en vrij van welke indoctrinatie dan ook, mee, dat er meer is dan je eigen ik, meer is dan je eigen wensen en meer dan je eigen hang naar maatschappelijke identiteit. Geestelijk voedsel dus. En neem me niet kwalijk. Maar daar zoek je vandaag de dag op je i-pod toch tevergeefs naar?

Wie weet er eigenlijk nog meer over de HJB? Mail naar julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann