De eerste bewoners van de Aardbeistraat

In de Haagse Beeldbank vond ik een foto, genomen in 1925, die een zanderige woestenij toonde met hier en daar wat tuinbouw. Op die plek ontvingen vijf jaar later de eerste bewoners de sleutel van hun huis in de Aardbeistraat. Dat plaatje en verdere foto’s van de straat in aanbouw brachten een stroom van herinneringen naar boven, sommige heel vaag en anderen zo helder als de dag van gisteren.

Vier aannemers waren betrokken bij de bouw en namen ieder een kwart van de straat voor hun rekening. Het waren vooral ambtenaren, die hier kwamen wonen en in het bijzonder mensen betrokken bij het onderwijs. Daar profiteerde ik later van, toen ik op de middelbare school met enkele vakken problemen had.

Het is te begrijpen dat mijn duidelijkste herinneringen betrekking hebben op het stuk waar mijn ouderlijk huis, nummer 6, in ligt. Dus ik zal beginnen met dat gedeelte. Op nummer 2 woonde gedurende enkele jaren een hoeden-modiste, van wie ik de naam vergeten ben. Ze was echter een kennis van een tante van me en wanneer mijn tante een winterjasje voor me had genaaid, mocht ik met een overgebleven lapje bij nummer 2 naar binnen. Stel je voor, een peuter van drie, vier jaar in een atelier vol hoeden in allerlei vormen en kleuren en een selectie veren, lint en kant en wat je verder nodig hebt om hoofddeksels op te sieren. Al voor de oorlog kwam de familie Goote daar echter te wonen met zoon Hans en dochter Thea.

Er waren slechts drie huizen die een garage hadden in de Aardbeistraat en nummer 4 was er een van. Daar woonde de familie Schagen, een echtpaar met twee volwassen kinderen, een dochter en een zoon. Ik was nauwelijks twee dagen oud toen de zoon (was z’n naam Henk?) een rol in mijn leven speelde. Vergezeld van z’n vader en schoonvader ging mijn vader naar het stadhuis om mijn geboorte aan te geven. Er was een usance ontstaan om kinderen niet meer te vernoemen naar familieleden, maar de aller vreemdste namen te geven. Om dat tegen te gaan was er een regel ingesteld, dat alleen namen die al voorkwamen in het register aanvaard zouden worden. M’n vader verwachte moeilijkheden en had voor de zekerheid nog een paar extra namen bij de hand. Maar wie stond achter het loket, toen m’n vader aan de beurt was… onze buurman! Mijn ongebruikelijke naam was geen probleem en daar luister ik nu al ruim tachtig jaar naar. Het gezegde “de ene dienst is de andere waard” werd tien jaar later waar gemaakt, toen er, tijdens de oorlog, een razzia werd gehouden in de Vruchtenbuurt en onze buurman zich bij ons achter de haard heeft verstopt. Hij klom over de schutting in de achtertuin om bij ons te komen, want het risico was te groot om over straat te gaan. Zowel in de Tomatenstraat als in de Meloenstraat woonden NSB’ers, die onze hele straat konden overzien. Toen het gevaar voorbij was bakte hij ’s avonds op ’t potkacheltje pannenkoeken van bloembollen voor ons. Verrukkelijk!

Mijn ouders kwamen pas in het voorjaar van 1931 op nummer 6 wonen. De aannemer die dit stuk van de Aardbeistraat voor zijn rekening had genomen, verbleef zelf een jaar in het huis voordat hij het verkocht en ruim vijftig jaar was het ons ouderlijk huis.

Op nummer 8 woonden de dames Enserinck, twee ongehuwde zusters, waarvan de een bij de Posterijen werkte, terwijl de ander het huishouden deed. Ik herinner me ze als heel vriendelijk, maar ook een beetje deftig met prachtig zilverig geonduleerd haar. Halverwege de oorlog werden zij gedwongen hun huisje te verlaten, omdat de werkende zuster nu met pensioen was en dan had je geen recht meer in de stad te blijven wonen. Ze kregen een kamer aangewezen in Culemborg waarin ze alles moesten doen, eten, koken, wassen, slapen, enzovoorts. M’n moeder hield nog even contact met ze, maar we hebben ze nooit meer teruggezien. Het echtpaar Van Heyningen, die vanwege het bouwen van de Atlantikwall hun huis in de Kiggelaerstraat moest verlaten, werden onze buren tot het einde van de oorlog. Het was de familie Van Alderwegen die onze nieuwe buren werden, met twee zoons en een dochter.

De familie Briedee, een jong gezin met een paar kindertjes woonde slechts kort op nummer 10, want de vader kwam plotseling te overlijden en toen moesten ze het huis verkopen. De familie Filius werden de nieuwe bewoners met vijf kinderen, waarvan de een na jongste, Kees, ongeveer van mijn leeftijd was en een speelmakkertje. Vader Filius was wiskunde leraar en daar bofte ik mee, want hij wist in vrij korte tijd een dikke onvoldoende voor mij op te halen tot een 7! Wanneer de familie op zondagmorgen na de kerkdienst thuis kwam, werd er uitgebreid koffie gedronken, terwijl de kinderen warme chocolademelk kregen. Soms mocht ik er ook bij zijn en dan stond ik gefascineerd, als peuter van een jaar of drie, in de keuken te kijken hoe mevrouw Filius de kokende melk flink opklopte, zodat er een heleboel schuim ontstond. Dan werd voorzichtig de melk ingeschonken en aan het eind in iedere kop en beker wat van dat prachtige schuim.

Op nummer 12 woonden de Van Velzens, dat waren vader en moeder met acht kinderen. De jongste was Jet, een week ouder dan ik en wij speelden altijd samen. Ook dit was een onderwijzersgezin, want vader Van Velzen was hoofd van een lagere school. Het was dankzij De Oud-Hagenaar dat ik contact heb gekregen met Els, een oudere zus van Jet. Ze had m’n naam gezien onder een stukje in De Oud-Hagenaar dat ik had ingestuurd en aan een neef gevraagd per mail contact met me op te nemen. Zo hebben we een paar jaar gecorrespondeerd. Hoeveel contacten zullen er wel niet gelegd zijn dankzij de nu bijna tien jaar oude De Oud-Hagenaar, tussen familieleden vrienden, klasgenoten en collega’s. De krant verdient een oorkonde! De deur van nummer 12 stond altijd voor me open, eentje meer in huis viel waarschijnlijk niet op in het grote gezin. Tijdens de eerste oorlogsdagen maakten we kennis met het luchtalarm. Moeder Van Velzen had gauw de kelderkast onder de trap leeg gemaakt en er kleine stoeltjes en krukjes in gezet. Een geweldig leuk spelletje was dat voor de jongsten onder ons, vooral als er dan nog een koekjestrommel bij kwam. De familie Gerretsen woonde op nummer 14 met twee dochters en zoon Theo en op nummer 16 een ouder echtpaar, die een poos een kleinzoon, genaamd Kees, in huis hadden. Mijn kleuterwereld werd begrensd door de lantaarnpaal bij nummer 16 in het westen en bij nummer 2 in het oosten. Zo worden de herinneringen – nu ik verder van huis raak – vager en zal ik de huisnummers weglaten. Er was een familie met een dochter, Geusje, die kort na de oorlog haar eindexamen haalde op het gymnasium Haganum. Het bijzondere was dat zij dat zonder een keer te blijven zitten had gedaan. In die tijd lukte dat slechts vijf procent van de scholieren op Haganum. Ze ging rechten studeren en ik stel me zo voor dat ze zich heeft ontwikkeld tot een zeer wijze jurist.

Even verder in de straat klonk regelmatig piano muziek uit het huis van de familie Orthel. Leon Orthel, de componist, pianist en hoofd afdeling piano aan het Haagse Conservatorium, woonde daar met z’n vrouw en twee zoons, Frans en Rolf. Stond er een fiets voor het huis, dan wist je dat een leerling bezig was, zo niet, dan was de maestro zelf aan het werk. Toen Orthel in de zestiger jaren van mijn ouders hoorde dat ik in Schotland woonde, kwam er een heel verhaal los hoe hij in 1947 werd uitgenodigd het eerste Edinburgh International Festival als gast bij te wonen, omdat werk van hem werd uitgevoerd. Hij raakte niet uitgepraat over de gastvrijheid van de Schotten en de prachtige stad Edinburgh. Het gebeurde dat, als m’n ouders ons kwamen opzoeken, hij een pakje Haagse hopjes voor ons mee gaf en dan een doosje shortbread, het bekende Schotse koekje, retour kreeg.

Van de family Vriend weet ik nog de namen van de twee jongsten, Kees en Lien, maar er was ook nog een oudere broer. Bij de familie van Mourik werden in de oorlog zware rolluiken geïnstalleerd, een goede manier om er zeker van te zijn dat je ‘verduistering’ in orde was. Ook weer een schoolmeestersgezin, want vader van Mourik was hoofd van een lagere school. Ze hadden een dochter, Eva, die in het ouderlijk huis is blijven wonen. Heel lang heb ik nog hun naambordje boven de brievenbus zien staan. Verder de familie Hindriks met twee dochters, Katrien en Riet. Het gezin Krens had twee dochters en een zoon. De oudste dochter Elze was van mijn leeftijd en in 1946 moesten we beiden toelatingsexamen doen. Een bof dat vader Krens ook weer een onderwijs man was en copieus van een grote voorraad oude toelatingsexamens in bezit had. We hadden zoveel school gemist tijdens de oorlog, dat we maanden lang hebben moeten oefenen met behulp van die oude examens. In het een na laatste huis woonde de familie Thomassen en misschien nu al een derde generatie, want ik heb heel lang de naam boven de brievenbus zien staan.

Natuurlijk zijn er dingen veranderd, de meest ingrijpende wel het feit dat de straat niet meer het speelterrein van de kinderen is en de moeders dus niet meer roepen, wanneer de kinderen naar buiten gaan ‘doe ’t touwtje uit de deur’. Ja, dat kleine raampje in de deur had een praktische functie. Aan de binnenkant van de deur hing altijd een touwtje aan de deurknop en als je naar buiten ging deed je ’t raampje open en ’t touwtje naar buiten, zodat je jezelf weer binnen kon laten. Nog een kleine twee jaar en de straat bereikt z’n negende Kroonjaar. Ik wens ‘de Aardbei’ nog vele jaren toe.

Drude Connelly-Minderman
drudeconnelly@btinternet.com

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann