De Houtrusthallen: plek voor topsport, muziek, cultuur én demonstraties (deel 2)

Misschien was Jaap Visscher in de handbalsport wel de evenknie van Gerard Bos in de korfbalsport: die korfbalde en handbalde tegelijk, het een op zaterdag en het andere op zondag. Als het uit kwam tenminste. Jaap Visscher, die mij gaat vertellen over de ‘roemruchte’ jaren van Operatie’55 in de Houtrusthallen, was ook zo’n sportieve veelvraat.

“Ik kwam in 1957 bij Operatie’55 in het juniorenteam, dat net van start was gegaan. Ik voetbalde bij Westerkwartier en dat speelde op zaterdag, handballen kon je op zondag. Operatie’55 is ontstaan vanuit leden afkomstig van twee andere verenigingen, DOS en Strijd Ridderlijk. Ja, inderdaad zo’n naam als Strijd Ridderlijk zou je je vandaag niet meer voor kunnen stellen. De naam Operatie’55 is voortgekomen uit E55, de wereldtentoonstelling in Brussel en het woord ‘operatie’. Er werd immers een nieuwe club uit twee bestaande verenigingen ‘geopereerd’. De oprichters waren mensen, die voor een groot deel afkomstig van de Populier Scholengemeenschap en die de ambitie hadden om op een hoger sportief niveau te spelen. Het meest bijzondere is misschien wel, dat in de statuten meteen was vastgelegd, dat de vereniging zou ophouden te bestaan, wanneer de ambitie zou stoppen of afvlakken, waardoor spelen op het hoogste niveau niet meer mogelijk zou zijn. Ik groeide al snel door naar het eerste team, ook op m’n zeventiende mocht ik al mee naar een toernooi. En later maakte ik ook deel uit van het Nederlands team.”

Over het enorme succes van deze handbalploeg: “We kregen toeloop van buitenaf, er waren er meer, die van het succes wilden meegenieten en eraan bijdragen. Ik denk aan namen als de broers Rinus en Helmert Botterman, Jan Penselie (de latere voorzitter), Peter Korver en Frank van West. Maar zeker ook Daan Kaakebeen en niet te vergeten Thijs de Haan, de zoon van onze trainer Lodewijk de Haan, die over kwam van Hellas. Het succes ontstond niet zomaar, met Lodewijk dachten we na over een ander spelconcept in plaats van het min of meer traditionele handbalspel. We waren de eersten met enorm veel loop- en bewegingsacties in ons spel. Voor de wedstrijd namen we dan altijd nog even alle mogelijke patroontjes door. Het was allemaal nieuw wat we brachten en tja, heel toevallig hadden we ook nog eens de technische- en fysieke kwaliteiten om het zo te kunnen spelen. En daarbij kwam nog die enorme teamgeest, we kenden elkaar natuurlijk vrijwel allemaal vanuit de buurt of van school”, aldus Jaap Visscher. School? Hij studeerde op het Dalton-Lyceum, waar hij onder meer ook Hans Pouw (die later daar sportleraar en conrector werd) leerde kennen.

Overigens bleef Visscher zich ook na zijn sportieve carrière met het onderwerp school bezighouden. Want niet alleen studeerde hij in Leiden, werkte hij als docent bij het toenmalige 2e VCL en werkte hij een tijd als docent Cultuurwetenschappen bij de Rotterdamse Hogeschool, maar hij is ook de bedenker van het LOOT-concept, dat nog steeds op heel veel scholen in ere wordt gehouden. LOOT betekent Landelijk Overleg Onderwijs Topsport en probeert de belangen van talentvolle sporters en de studieverplichtingen in harmonie te brengen door het talent zoveel mogelijk extra faciliteiten te bieden.

Maar liever praat hij verder over de hoogtijdagen in Operatie’55 in de Houtrusthallen: “Die teamgeest, hè, die was toch wel heel bijzonder. Oh ja, we werden ook wel als arrogante stadsjongens weggezet. In een artikel in het Parool werd dat eens gesuggereerd na een wedstrijd van ons tegen Niloc. Vergeet overigens niet, dat we twee keer per week trainden (in die tijd was dat veel), voor de Europa Cup-wedstrijden zelfs drie keer. Trainen deden we dan in de veilinghal in Kwintsheul. Voor die Europa Cup-wedstrijden waren we zelfs al om ’s morgens zes uur op de vroegere ijsbaan (het huidige HBS-veld) te vinden. Spelen deden we dus altijd op Houtrust. Op niet al te ideale vloeren overigens. En douchen na afloop kon niet, er waren toen alleen maar van die ijzeren bakken met ijskoud water. Tegenstanders? Dat waren ploegen als Sittardia, Niloc, ESCA (Arnhem). Nee, Hellas zat toen niet altijd in de top, dat was niet onze directe concurrent. Overigens waren wij niet de enige topsportploeg, die van Houtrust gebruik maakte. Ook Blokkeer/Starlift (volleybal-red) speelde er z’n wedstrijden. En er werd ook gekorfbald, maar zaalkorfbal was toen meer een tijdverdrijf in de winter. Zaalhandbal is trouwens nu ook veel belangrijker geworden, veldhandbal wordt niet meer gespeeld. Het was een mooie tijd alles bij elkaar, we speelden de eerste interland (ja, ik zat ook in de nationale selectie met nog vier ploeggenoten van Operatie’55) overigens ook op Houtrust. Tegen België. Was voor mij een soort thuiswedstrijd. Alles bij elkaar genomen, kwamen we heel vaak in de krant, mijn vrouw heeft vrijwel alles uit die hoogtijdagen bewaard, ook van onze wedstrijden om de Europa Cups. Wat die interlands betreft: ik vond dan toch wel het allerfijnste, dat dan ook mijn ouders op de tribune zaten. Overigens hadden wij bij het nationale handbalteam bijna altijd Duitse trainers.”

Einde
In 1970 kwam het onvermijdelijke einde, zoals al voorzien in de statuten. Jaap Visscher daarover: “Spelers gingen verhuizen, volgden hun maatschappelijke carrière. Weliswaar speelde onze jeugd nog wel in de top, maar handhaving was niet echt haalbaar. Heel veel leden gingen, toen de opheffing er aan zat te komen, weg naar Hellas of Hermes. We deden toen al aan een soort outplacement, leden werden naar de andere clubs gestimuleerd en begeleid. We maakten de overgang ook makkelijker door bijvoorbeeld het eerste jaar contributie nog voor onze rekening te nemen.”

Operatie’55 hield dus op te bestaan in 1970, de Houtrusthallen “gingen” nog even door. Maar de sfeer van die tijd wordt nog steeds geproefd. Bijvoorbeeld als de “mannen van weleer” jaarlijks samen komen in het Franse huis van Jaap Visscher: “Dan zijn we net zo fel, dan willen we toch weer winnen. Of het nou met tafelvoetballen of jeu de boules is, altijd wordt er begin september in Frankrijk op het scherpst van de snede gespeeld.”

Overigens bleef Visscher niet stilzitten. Een jaar of 7 geleden nam hij afscheid als voorzitter van HBS, de voetbalclub.

De HOKIJ
Het was Nico Groen, de vader van Jan Groen, die heel veel, zo niet alles weet van de geschiedenis van het Haagse IJshockey, die verliefd werd op het ijshockeyspel. Dat eigenlijk al langer bestond, sinds 1933 was er immers de Haagse Hockey & IJshockeyclub (HH&YC), waarvan de IJshockeyploeg vanaf 1937 (toen de Houtrusthallen geopend werden) gebruik ging maken van de HOKIJ. De oorlog betekende echter stilstand, de Houtrusthallen werden in beslag genomen door de Duitsers, die het als opslagplaats gebruikten als onderdeel van de Atlantikwal. Amerikanen en Canadezen namen de “opslagplaats” na de bevrijding over. Al snel ontdekten de Canadezen, dat er defecte ijsmachines onder de tribunes zaten. En aangezien ijshockey een echte Canadese sport is (heet daar gewoon hockey overigens), zagen onze bevrijders snel hun kans schoon: er werd een nieuw buizensysteem aangelegd, de ijsbaan werd weer in orde gebracht, de boarding en de radiokamer werden en passant ook opgeknapt en er begonnen Canadese legerteams te spelen. “Dit is gaaf”, zei Nico Groen, die eens was gaan kijken “op Houtrust” en helemaal enthousiast terugkwam. De Canadezen vertrokken na verloop van tijd en de HH&YC werd weer actief. Overigens kwam er later, in 1955, een afsplitsing van het hockeydeel van de club. Deze afsplitsing was de basis voor het latere KZ (Klein Zwitserland).

Intussen hield de IJshockeyclub (die inmiddels YHC heette) het niet lang vol, in het seizoen 1958/1959 dreigde er een royement na een meningsverschil met de Nederlandse IJshockeybond. Dat was niet naar de zin van Francien van Honstede, op dat moment directeur van de HOKIJ (en zeer toevallig ook de belangrijkste oprichtster van korfbalvereniging die Haghe in 1921). Zij trok de Canadezen aan, die overigens op de loonlijst van de HOKIJ kwamen en betrok Edu Hopman bij haar project om het ijshockey nieuw leven in te blazen en zo ontstond HIJS HOKIJ in datzelfde jaar. Dat was overigens geen succesvol jaar, want de aangetrokken Canadezen moesten weer ontslagen worden bij gebrek aan prestaties. “Ze konden soms nauwelijks schaatsen”, aldus Jan Groen, die nog steeds bezig is een veelheid aan informatie over ijshockey op te bouwen op zijn website (janwgroen.nl).

Hopman wilde absoluut doorgaan, maar wilde dan wel zelf de Canadezen selecteren en inhuren. En zo kwamen onder meer Pat Adair, Ron Naud, Carl Foster en Millman op het Haagse ijs. Waar overigens eind jaren 50/begin 60 nog geen echte competitie werd gespeeld, want teams uit bijvoorbeeld Amsterdam en Tilburg waren er nog niet, omdat er elders in Nederland geen ijsbanen waren. HIJS HOKIJ speelde altijd vriendschappelijk tegen onder meer ploegen uit het Ruhrgebied, waar het nog steeds vol zat met Amerikaanse en Canadese militairen. Jan Groen: “Ook andere Nederlandse namen werden in die tijd bekend: Arie Klein natuurlijk, maar Wil Ooms, Wil van Dommelen en Rudy Bakker. Er was ook een Canadese keeper Millman, die wel een goede keeper was, maar zich niet altijd kon beheersen”. Jan over die tijd: “Zo vriendschappelijk waren die wedstrijden overigens niet hoor, het ging er hard aan toe, dat was inherent aan de ijshockeysport in die jaren.”

Vanaf 1963 ontstond er een Nederlandse competitie toen er onder meer ook in Amsterdam en Tilburg ijsbanen kwamen. En later in meer plaatsen: den Bosch, Geleen, Deventer, Amsterdam. Maar de Nederlandse competitie was in de jaren zestig helemaal niet spannend. In 1966 en 1967 bijvoorbeeld werd HIJS HOKIJ met 5 punten voorsprong na 8 wedstrijden kampioen, waarbij Den Bosch, Tilburg Trappers, Amstel Tijgers en IJHC Rotterdam royaal het nakijken hadden. De publieke belangstelling was dan ook op de woensdagavonden veel groter, wanneer HIJS HOKIJ “vriendschappelijk” tegen de ook met Canadezen gevulde buitenlandse ploegen speelde. Jan Groen: “Dan werd buiten nog wel eens echt gevochten om aan een kaartje te kunnen komen, dan zat de HOKIJ helemaal vol.”

Na het jaar 1971/1972 ging het mis. Jan Groen: “De Uithof was net gebouwd, RAAK ontstond op basis van de licentie van YHC Rotterdam, Hopman kreeg ruzie met een paar sponsoren en ging met zijn ploeg HIJS HOKIJ naar de Uithof over. RAAK werd na twee jaar weer opgeheven in afwachting van de mogelijke oprichting van een ander profteam, dat nooit echt van de grond kwam. Duijvestein Wintersport heeft het nog eens geprobeerd op Houtrust met IJHC Den Haag, maar dat werd geen succes: op de HOKIJ was geen toekomst meer (uiteindelijk werd de ijsbaan in 1982 gesloten) en de club had als “oudste” de meeste aanspraken op de nieuwe accommodatie. Een redelijk “ingewikkelde” periode dus, maar het publiek haakte nooit compleet af. Nog steeds speelt HIJS Den Haag in de Nederlandse competitie. Zonder Canadezen overigens. Maar volgens Jan Groen is de sfeer weer als vanouds: “Ga maar eens op vrijdagavond kijken in de Uithof, je zult er versteld van staan.” We zullen het zeker eens doen.

Ton van Rijswijk
avanrijswijk@kpnmail.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann