Kilometerslange waterleidingnet in 26 maanden gereed

Toen in 1874 de waterkraan openging in vele Haagse woningen en openbare gebouwen, hadden ze niet bepaald de primeur van het land. Immers: in Amsterdam genoten vele inwoners al bijna 25 jaar van ‘water uit de kraan’. Toch was de vreugde groot toen het water niet langer gehaald hoefde te worden aan de pomp.

Besmettelijke ziekten als cholera en tyfus verspreidden zich gemakkelijk via de smerige grachten, die een open riool waren voor de stad. Toen de relatie tussen deze vervuilde grachten en de cholera werd aangetoond, werd alles in het werk gesteld om zowel de kwaliteit van het drinkwater als het riool grondig aan te pakken. Feit is dat dergelijke ingrijpende maatregelen de gemeente ontzettend veel geld zouden kosten.

Concessie
Terwijl de Haagse bevolking explosief groeide van 72.000 inwoners in 1850 naar 90.000 in 1874, groeide ook de armoede en de misère. De huizen in de overvolle sloppen puilden uit en gezinnen met vijftien kinderen waren geen uitzonderingen. Goede hygiëne was alleen weggelegd voor de bevoorrechte bovenlaag. De Haagse bestuurders hadden geld nodig voor de aanleg van het noodzakelijke waterleidingnet. De Amsterdamse ondernemer T.C. Watson rook geld en schreef de Haagse gemeente om hem een concessie te verstrekken om het waterleidingnet aan te leggen en te exploiteren. Een bijzonder liberale gedachte, die paste bij die tijd. Watson had een bedrag van 1,7 miljoen gulden begroot en hoopte dat winstgevend terug te halen door leverantie à 0,66 cent per kuub. In de gemeenteraad werd langdurig overlegd en uiteindelijk werd de concessie weggestemd met 18 tegen 11. Het gemeentebestuur werd duidelijk gemaakt door de raad, dat privatisering geen optie was en dat waterleverantie een taak voor de overheid was.

Waldorp
Op 5 december 1871 werd besloten aan ir Jan A.A. Waldorp (1824-1893) de eer te gunnen om de duinwaterleiding aan te leggen. Hij had deze opdracht vooral te danken aan zijn vriend en gemeenteraadslid Fijnje. Waldorp ging voortvarend aan de slag. Bouwtekeningen, straatdoorsneden, plattegronden werden in rap tempo gemaakt. Buizen werden bij diverse leveranciers in zowel binnen- als buitenland besteld.

De Haagse fabriek “Prins van Oranje” vaarde ook wel bij de opdracht door levering van ijzeren kolken. De pijpen kwamen bij R.S. Stokvis vandaan uit Rotterdam. Verder nog materiaal uit Verviers. Allemaal van ijzer, dus de arbeiders die de leidingen legden hadden een loodzware last te sjouwen.

Alles ging naar wens. Al had het nog kleine Den Haag wel veel last van opgebroken straten. In een periode van 26 maanden werd maar liefst 64.372 meter buis gelegd met een totaalgewicht van 3.762.000 kg.

Brandkranen
De Hagenaars zagen de komst van de eigen waterkraan met veel vreugde komen. Eind 1875 waren reeds 5.549 percelen op het net aangesloten. Dat was 30 procent van de beoogde aansluitingen. Arm en rijk merkten de vruchten van de technische vooruitgang. Veel arme bewoners in huurwoningen waren dolenthousiast met deze woonverbetering. Naast de particulieren was ook de brandweer tevreden. Het oude systeem van brandputten werd geleidelijk afgebouwd en vervangen door brandkranen, die om de 100 meter werden geplaatst. In 1874 waren er 320. Ook de vele urinoirs werden voorzien van stromend water, terwijl, toen de riolering sterk verbeterde, er ook ruimte kwam voor het watercloset: de wc.

Op 1 oktober 1874 werd het waternet inclusief watertoren in gebruik genomen. De aanleg had om en nabij de 1,898 mln gulden gekost.

Frans van der Helm
helmhuis@ziggo.nl

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann