De wereld begint in Den Haag

In deze krant hebben al enkele artikelen gestaan die over Jan Ligthart gaan. Hoewel hij in 1859 in de Jordaan in Amsterdam geboren is, heeft hij het grootste deel van zijn werkzame leven in onze stad gewoond en dat is de reden dat hij volgens mij in een krant als De Oud-Hagenaar thuishoort. Op 19 mei 1885 werd hij door de gemeenteraad benoemd als bovenmeester van de school in de Tullinghstraat. Omdat hij nog niet getrouwd was is hij op 2 oktober 1885 op het adres Koningstraat 321 gaan wonen en na zijn huwelijk met Marie woonde hij vanaf 1 januari 1887 tot aan zijn dood in 1916 in de onderwijzerswoning naast de school.

Hoewel Jan Ligthart op het gebied van het onderwijs geschiedenis geschreven heeft, is hij vooral bekend gebleven door het leesplankje aap, noot, mies… en de boekjes van Ot en Sien. Maar daarnaast heeft hij nog veel meer gedaan. Hij was de eindredacteur van een wekelijks verschijnend tijdschrift, heeft aan meer dan 70 schoolboekjes meegewerkt, schreef een kinderboek en ontwikkelde op zijn school een veelomvattende leermethode, Het Volle Leven genaamd. Ik denk dat je kunt stellen dat het huidige basisonderwijs er anders uitgezien zou hebben als hij er zo’n honderd jaar geleden zijn stempel niet op gedrukt had. Zowel met de illustrator Cornelis Jetses, die van 1919 tot 1938 in de Gentsestraat in Scheveningen gewoond heeft, als met Hindericus Scheepstra (1859 tot 1913), een leraar van de kweekschool in Groningen, heeft hij samengewerkt. In dit artikel wil ik het echter hebben over een viertal boekjes die Jan alleen geschreven heeft.

Firma Ligthart en Scheepstra
Het niveau van de schoolboekjes die zo rond 1900 op de lagere school gebruikt werden, is ronduit slecht te noemen. De teksten waren veel te moeilijk en als er al illustraties in stonden dan waren die verre van aantrekkelijk voor kinderen. De toenmalige directeur van de uitgeverij J. B. Wolters in Groningen, wilde hier iets aan gaan doen. Hij benaderde Scheepstra met de vraag of hij met een voorstel kon komen zodat de uitgeverij betere boekjes kon gaan uitgeven. Scheepstra kende Jan Ligthart en hij schreef hem een brief waarin hij voorstelde om hier samen over na te gaan denken. Jan stuurde een brief terug waarin hij aangaf dat hem dit een goed idee leek. Via de uitgeverij Wolters kreeg hij een pak met Engelse, Franse en Duitse boeken die hij als voorbeeld zou kunnen gebruiken. Jan vond die boeken echter zo kinderachtig dat hij ze terugstuurde. Hij stelde voor dat hij zelf enige boekjes zou gaan schrijven.

Hij maakte een afspraak met Scheepstra en op een zondagmorgen pakte hij de trein naar Groningen, een aardige onderneming in die tijd, en vanaf dat moment waren ze vrienden en zouden ze samen talloze schoolboekjes gaan schrijven. In één van de vele brieven die heen en weer gingen, noemde Jan hun samenwerking de firma Ligthart en Scheepstra.

Van het begin af aan wilde Jan zich niet beperken tot het schrijven van een paar schoolboekjes. Hij wilde het hele onderwijssysteem omvergooien, de manier van lesgeven veranderen evenals de manier van omgaan met kinderen en ouders en dat is hem aardig gelukt. Op die zondag besloten ze te beginnen met het schrijven van een achttal leesboekjes voor de hogere klassen. Jan bedacht de naam De wereld in en nam de eerste vier deeltjes voor zijn rekening. De naam van deze acht deeltjes was niet toevallig gekozen. Hij vond dat het onderwijs dicht bij huis moest beginnen en dan gaandeweg de wijde wereld in moest trekken. Vandaar de titels: Nog bij moeder, Dicht bij huis, Buurkinderen, De wereld in. Die eerste vier deeltjes spelen zich af in Den Haag en de laatste vier in Groningen. De gezinnen van Jan en Hindericus staan min of meer centraal.

Het eerste deeltje verscheen in 1898 en de illustraties werden gemaakt door een Haagse tekenonderwijzer, W.K. de Bruin. Overigens ging het hier niet alleen om het lezen van de tekst, er moest ook nog het een en ander geleerd worden. Zo wordt in het derde deeltje een bezoek gebracht aan de watertoren in Scheveningen zoals uit de bijgevoegde illustratie blijkt.

De bekende pedagoog professor Casimir schrijft over deze boekjes: “Het was al natuurlijk kinderleven, want het was gegrepen uit het kinderleven zelf. Het waren Bep en Zus en Jantje, maar het was ook Ligthart, met zijn blijde opgewektheid, zijn zin voor humor, en natuur, zijn ongekunstelde tact, zijn poëzie, die werkelijkheidsverheerlijking was. Was het ook niet mevrouw Ligthart. Was niet de diepe, rustige genegenheid, de stille, opvoedkundige kracht, die alles doordrong, haar werk.” Bep, Zus en Jantje waren de kinderen van Jan en inderdaad, zijn vrouw, Marie, zelf onderwijzeres, heeft ook meegewerkt aan de boekjes.

Vele brieven
De beide auteurs communiceerden voornamelijk via brieven met elkaar. Ik heb deze brieven kunnen inzien en kreeg allen hierdoor al bewondering voor de manier waarop de boekjes tot stand gekomen zijn. Zo’n brief deed er in die tijd al gauw een week over, dus na een dag of veertien kreeg je pas antwoord.

Deze acht deeltjes vormden het begin van een groot aantal boekjes door Ligthart en Scheepstra geschreven. Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw werden ze in het onderwijs gebruikt, al is het wel zo dat ze in de jaren dertig gemoderniseerd zijn.

Carl Doeke Eisma
carleisma@planet.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann