Ypenburg, pret en verdriet

In mijn vorige artikel “De wederopbouw van Ypenburg” dat verscheen in De Oud-Hagenaar van 17 oktober jongstleden eindigde ik met de vermelding dat door de grote bedrijvigheid op het vliegveld Ypenburg een attractie van de eerste orde werd met in mooie weekenden duizenden bezoekers. Wat een grote aantrekkingskracht had waren de vele vliegfeesten die al vóór de oorlog op het in 1936 geopende vliegveld werden gehouden.

Vliegfeesten en een bijzondere prestatie
Het eerste vliegfeest vond plaats bij de officiële opening van het vliegveld op 29 augustus 1936. Dit feest dat drie dagen zou duren en waaraan ook militaire toestellen van de Luchtvaartafdeeling (LVA) deelnamen evenals ruim veertig vliegtuigen uit binnen – en buitenland trok duizenden bezoekers uit de Haagse regio. Zij kregen een zeer gevarieerd programma voorgeschoteld wat volgens de dagbladen tot vele geestdriftige reacties leidde. Ook de KLM nam aan dit festijn deel en verzorgde rondvluchten boven de Hofstad en omgeving. De Algemeene Luchtvaart Vereeniging voor Nederland, de luchtvaartorganisatie voor de “rijpere” jeugd zoals dat destijds werd genoemd, verzorgde tegelijkertijd een luchtvaarttentoonstelling in de grote zaal van het hotel-restaurant ‘Leeuwendaal’ te Rijswijk die eveneens druk werd bezocht. Een maand later volgde nog een Jeugd Luchtvaartfeest. Overigens was het met de door de KLM verzorgde rondvluchten enige tijd gedaan. Begin 1937 besloot de gemeenteraad van Rijswijk namelijk dat deze rondvluchten voortaan onder de vermakelijkheidsbelasting gingen vallen. Dat leidde tot protesten van de KLM die stelde dat de rondvluchten geen enkel commercieel doel hadden maar uitsluitend een ‘propagandistische strekking’. Bovendien, zo stelde de KLM, leverde de opgelegde belastingaanslag van 600 gulden een verlies voor de luchtvaartmaatschappij op en dus werd besloten om dan maar met de rondvluchten te stoppen. Deze werden hervat toen de Hoge Raad in maart 1938 de gemeente Rijswijk in het ongelijk stelde en de belastingaanslag ongedaan werd gemaakt.

Wat de sportvliegers betreft, die lieten zich ook niet onbetuigd. Zo werd op maandag 17 mei 1937, Tweede Pinksterdag, op Ypenburg een nationale zweefvliegdag georganiseerd. Deze door het bestuur van Ypenburg, in overleg met de Bond van Nederlandsche Zweefvliegclubs, georganiseerde dag trok veel bezoekers die door de demonstraties in het lucht en op het veld waar de “machines” waren opgesteld een goede indruk kregen van wat de zweefvliegerij inhield .

Kort daarvoor, op zaterdagmorgen 6 maart 1937, had een kleiner gezelschap, zo’n 100 man, zich op Ypenburg verzameld om de terugkeer van twee sportvliegers uit Nederlands-Indië luister bij te zetten. Dat er niet meer mensen kwamen opdagen had ongetwijfeld te maken met het slechte weer. Volgens de krant “joegen de sneeuwvlokken op de open landwegen door den fellen noordooster horizontaal door de lucht”. Desondanks slaagden de vliegers ir. J.E.F. de Kok en H. Schmidt Crans om “precies op het verwachte uur op het Haagsche vliegveld neer te strijken. Delft was onder hen doorgeflitst evenals de groote nieuwe autoweg (nu de A13), het kon niet meer missen en even voor twaalf brulden de twee motoren over het clubgebouw als waarschuwing voor allen dat ze er waren”. Ir. De Kok die destijds niet alleen directeur was van de in de Hofstad gevestigde Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij (Koninklijke Olie, later Shell) maar ook voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart (KNVvL, toen gevestigd in het pand Anna Paulownaplein 3 in Den Haag) bezat namelijk een eigen vliegtuig, een De Havilland DH-90 Dragon Fly met de registratie PH-KOK. Met dit toestel, met een maximumsnelheid van circa 230 km per uur, had hij samen met Schmidt Crans, chef-instructeur van de Nationale Luchtvaart School (NLS), kans gezien om na een heenreis van 9 dagen, in 7,5 dag van Nederlands-Indië naar Ypenburg terug te vliegen. Na de landing werden de beide vliegers, nadat het Wilhelmus staande was aangehoord, toegesproken door diverse hoogwaardigheidsbekleders waarna Schmidt Crans aan de verzamelde pers vertelde dat het een reis vol hindernissen en slechte weersomstandigheden was geweest. Bovendien, zo vertelde hij, had het vliegtuig geen radio aan boord zodat grote stukken van de reis door het volgen van onder meer rivieren en spoorlijnen dus puur op het zicht waren afgelegd. Volgens de pers was het alleen al om die reden een “prachtige prestatie”.

Een jaar later, op 2 september 1938, vonden op Ypenburg zeer druk bezochte vliegdemonstraties plaats. Deze werden gehouden ter gelegenheid van het veertigjarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina die zelf ook aanwezig was. Aan deze demonstraties namen ook militaire toestellen van de Luchtvaartafdeeling (LVA) deel die onder meer in een W-formatie een rondvlucht boven de Residentie maakten wat een spectaculair gezicht moet zijn geweest..

Diepe rouw
In de namiddag van donderdag 3 december 1936 keerde één van de destijds bekendste Nederlandse sportvliegers M.A.G. van der Leeuw met zijn Waco sportvliegtuig terug uit Londen. Van der Leeuw die kort daarvoor was afgetreden als directeur maar lid van de Raad van Beheer van de N.V. de Erven de Wed. J.van Nelle fabriek in Rotterdam was gebleven kwam boven het vliegveld Waalhaven in een mistbank terecht waarna zijn toestel, na een mislukte landingspoging, in de Waalhaven neerstortte waarbij hij om het leven kwam. Voor zijn overlijden had Van der Leeuw een vliegtuig van hetzelfde type waarmee hij verongelukte cadeau gedaan aan de op Ypenburg gevestigde Nationale Luchtvaartschool (NLS). Daar rustte blijkbaar een vloek op want op 19 januari 1937 stortte dit toestel met de registratie PH-MAG (de voorletters van Van der Leeuw), na te zijn opgestegen van het bij Parijs gelegen vliegveld Le Bourget, en op weg was naar Ypenburg ongeveer 40 kilometer ten noorden van de Franse hoofdstad bij Senlis neer. De bemanning ,bestaande uit de in die tijd zeer bekende instructeur-vlieger A.R. Somer, de chef-mecanicien van de NLS A. Hoeven, de leerling-vlieger J.B.A. Tissot en de mecanicien J. Maltha, overleefde dit ongeval dat te wijten was aan een vleugelbreuk niet. In de pers werd uitgebreid aandacht besteed aan deze crash en de sfeer op Ypenburg als volgt beschreven: “De vlaggen hingen er halfstok in den killen wind. Flarden zonlicht dreven door de glazen serre van het clubhuis waar wij verscheidene sportvliegers bijeen vonden, met slechts weinig woorden uiting gevend aan wat hen bezielde, een fijne kerel was Somer en Tissot altijd even joviaal, Hoeven is niet te vervangen en Matha, dat was die lange mecano, weet je wel? Met het Baskische mutsje op, een aardige jongen….” Kortom, de verslagenheid op Ypenburg was groot. Nadat de stoffelijke overschotten, elk in een kist gedekt met de Nederlandse vlag, uit Parijs per trein naar Nederland waren overgebracht volgden de begrafenissen van Somer in Stadskanaal, Hoeven in Crooswijk, Maltha in Schiedam terwijl Tissot zijn laatste rustplaats vond op de Algemene Begraafplaats aan de Kerkhoflaan in de Hofstad. Bij elke plechtigheid was een grote delegatie van toen bekende personen uit de luchtvaartwereld aanwezig.

Dit ongeval overschaduwde een crash van een paar dagen daarvoor. In 1935 was in Amsterdam het Nederlandsch Instituut voor Zweefvliegen opgericht. Dit instituut verzorgde aanvankelijk zweefvlieglessen op Schiphol maar moest door het op dat vliegveld alsmaar toenemende luchtverkeer ondermeer uitwijken naar Ypenburg. Vanaf 1 september 1936 werden daar dagelijks, met uitzondering van de maandag, door instructeurs van het instituut les gegeven. Het instituut beschikte ook over een motorvliegtuig, geproduceerd door de Haagse firma Pander, de PH-AIT. Op zaterdag 16 januari 1937 verongelukte dit toestel, met aan boord twee instructeurs van het instituut J.K. Hoekstra en P. Bosch, door een motorstoring, bij Stompwijk. Toegesnelde boeren haalden beide slachtoffers uit het wrak die vervolgens met spoed naar het ziekenhuis Antoniushove in Voorburg werden gebracht. Bosch was echter zodanig gewond dat hij na aankomst in het ziekenhuis overleed. Hoekstra daarentegen overleefde deze crash met een been- en bekkenbreuk wel.

Opnieuw vliegfeesten
Wat de vliegfeesten betreft werd de draad pas na de oorlog weer opgepakt. Al in september 1945 vond op Ypenburg het door de Britse luchtmacht, de Royal Air Force, georganiseerde luchtvaarttoernooi plaats dat door ruim 150.000 mensen uit Den Haag en omgeving werd bezocht. Nadat de wederopbouw van het door het oorlogsgeweld zwaar getroffen vliegveld nagenoeg voltooid was, kon het vliegveld in 1947 feestelijk worden heropend. Ik heb over deze beide festiviteiten in mijn vorige artikelen reeds uitvoerig geschreven. Het jaar daarop, in 1948, vonden er zelfs twee luchtvaartevenementen op Ypenburg plaats. Als eerste werd er van 19 juni tot en met 4 juli, ter gelegenheid van het 35-jarig bestaan van het luchtwapen, een jubileumtentoonstelling gehouden. Deze druk bezochte militaire luchtvaarttentoonstelling, de Lustrijka, bestond enerzijds uit een static show waar vrijwel alle op dat moment bij de Nederlandse luchtstrijdkrachten in gebruik zijnde vliegtuigtypen door het publiek konden worden bezichtigd en anderzijds uit een vliegfeest waar voor het eerst Nederlandse straaljagers van het type Gloster Meteor aan deelnamen. Twee maanden later, op 12 september, vond een internationale escadrillewedstijd plaats met als inzet de Ypenburg Coupe. Aan deze wedstrijd in formatievliegen die jaarlijks gehouden zou worden namen escadrilles van drie of meer gelijke vliegtuigen deel. De groep die de wedstrijd driemaal achtereen dan wel vijf keer in totaal won mocht zich eigenaar noemen van de Ypenburg beker. Ik vraag mij trouwens af waar deze fraaie beker ooit gebleven is. Hoe dan ook, dit evenement werd gehouden als onderdeel van de feestelijkheden in de Hofstad ter gelegenheid van het 50-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina en het 700-jarig bestaan van Den Haag. In ieder geval pakte de gemeente Den Haag groots uit met een officiële ontvangst door het gemeentebestuur die de deelnemers vervolgens uitgebreid fêteerde.

De hiervoor genoemde vliegfeesten vormden de opmaat tot een serie van luchtvaart-evenementen die vanaf 1949 door de KNVvL werden georganiseerd. Onder de naam Internationale Luchtvaart Shows Ypenburg (ILSY’S) zouden deze vliegshows grote bekendheid verkrijgen en altijd veel belangstelling trekken. Zo duurde de eerste ILSY maar liefst 8 dagen namelijk van 23 tot en met 31 juli 1949 waarbij ook de modelbouwers niet werden vergeten. Voor hen werd zelfs op 25 juli 1949 een aparte Dag van de Modelvliegtuigsport georganiseerd. Deze reeks van luchtshows bereikte in 1957 een hoogtepunt toen, ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de KNVvL, de zesde zogenaamde ‘Gouden’ ILSY werd gehouden die door ruim 200.000 mensen werd bezocht. Omdat het vliegveld een dergelijk groot aantal bezoekers niet kon herbergen stonden toeschouwers tot voorbij de Hoornbrug of zochten hun heil elders in de wijde omgeving van het vliegveld. Dit spektakel werd niet alleen bijgewoond door de Koninklijke familie maar zelfs rechtstreeks op de tv uitgezonden. Helaas kwam er in datzelfde jaar 1957, mede als gevolg van het feit dat Ypenburg steeds meer ingeklemd raakte in bewoonde gebieden en moest voldoen aan steeds strengere veiligheidseisen, een einde aan deze altijd groots opgezette evenementen.

Wim Lutgert
wlutgert@planet.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann