Haagse Rijtuigenfabriek M.L. Hermans & Co aan de Fluwelen Burgwal verdween in 1927

Het straatbeeld werd vanaf het begin van de twintigste eeuw meer bepaald door automobielen. De wagens, die aangedreven werden door een veel kabaalmakende motor, waren aanvankelijk nog een luxe middel. Maar dat bleef niet lang zo. Spoedig moesten de koetsen het afleggen tegen dit nieuwe vervoermiddel. Benzinepompen en showrooms kwamen, paardenvijgen en koetsen verdwenen. Zo ook de rijtuigenfabriek die ooit was begonnen door Mattheus Leonard Hermans (1812-1876).

Lezers met een geboortejaar voor WO II zullen zich het straatbeeld nog kunnen herinneren, waarbij handkarren, paard-en-wagens en bakfietsen nog beeldbepalend waren in het verkeer. Koetsen met een koetsier op de bok, zullen weinig lezers zich nog kunnen heugen. De dokter had zijn koets allang vervangen voor een automobiel evenals de notaris. En het vrachtverkeer was ook al voor een belangrijk deel gemotoriseerd. Eigenlijk kennen we de koets alleen nog maar bij bijzondere gelegenheden en evenementen. En toch moeten er nog Hagenaars zijn die de ouderwetse fabriek van Hermans hebben gekend. Al is het maar via overlevering.

Opening
De in 1812 te Rotterdam geboren Mattheus Leonard. Hermans zag een eigen rijtuigenfabriek wel zitten. Aanvankelijk werkte hij aan de smalle Korte Poten in een klein bedrijfje, maar toen hij er lucht van kreeg dat de knopenfabriek aan de Fluwelen Burgwal zijn boeken moest sluiten, was hij er in 1858 als de kippen bij om het pand over te nemen. Het pand stond op nummer 13-17 nabij de Korte Koediefstraat.

Halverwege de negentiende eeuw liep er nog een gracht door de Burgwal die in verbinding stond met het Spui. De rijtuigenfabriek kon dan ook alleen via een bruggetje worden bereikt. Gelukkig werd kort na de aankoop van het pand het water aan de Burgwal overkluisd, waardoor het geheel niet alleen veel fraaier oogde, maar ook beter toegankelijk werd. Hermans breidde zijn gebied met enkele percelen uit zodat hij voldoende plaats had om zowel een werkplaats als een voorraad- en toonkamer te ontwerpen.

De zaak ging hem voor de wind en in 1860 telde zijn fabriek al 69 arbeiders, daaronder waren eerste klas schilders, timmerlieden en wagenmakers, die vaak hun hele leven in dienst bleven bij het bedrijf. De werknemers hadden het er goed. In de 19e eeuw was er een groeiende vraag naar koetsen, waarbij ook heel exclusieve werden besteld door fortuinlijke mensen van naam en goede stand.

Prijzen
De verhuizing van de Korte Poten naar de Fluwelen Burgwal zorgde voor een grotere omzet. Bovendien kreeg Hermans er steeds meer zin in om gebruikte carossen in te nemen wanneer de klant een nieuwe kocht. Hij werd op deze wijze een echte handelaar. Kwaliteit bleef op de eerste plaats staan. Ook de gebruikte koetsen werden grondig herzien alvorens ze weer in de verkoop gingen. Diverse keren gingen de allermooiste koetsen naar de Wereldtentoonstelling in Parijs om mee te dingen naar de eerste plaats. Reeds in 1855 wist Hermans hiervoor triomfantelijk een bronzen medaille in ontvangst te nemen. Er zouden nog meer prijzen volgen en die wierpen spoedig royale vruchten af. Spoedig kwam de Koninklijke Familie voertuigen laten maken. In 1860 werd er aan de Prins van Oranje, destijds Prins Willem (1840-1879) een staatsiekoets geleverd, die volgens deskundigen “glansrijk kon wedijveren met de schoonste buitenlandse fabricaten”. Eerder had prins Hendrik al een bezoek gebracht aan de verschillende werkplaatsen en en passant een schitterend rijtuig besteld. Het ging goed met de fabriek aan de Fluwelen Burgwal. Uiteindelijk werd besloten om een vergunning bij de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland aan te vragen voor een verplaatsbaar en later een vast stoomwerktuig. Protesten kwamen er van de buren, waaronder ’s lands drukkerij, zoals de Staatsdrukkerij toen heette en brandstofhandelaar Van Kempen. De heer Hermans mocht de bezwaren allemaal weerleggen bij de Raad van State, maar kreeg maar gedeeltelijk gelijk. Hij werd verplicht gesteld de schoorstenen binnen zes maanden met plaatijzer te bedekken anders zou zijn vergunning weer worden ingetrokken. Ook in die tijd was alles niet vanzelfsprekend en konden verschillende belanghebbenden in actie komen.

Stoommachine
De stoommachine was een succes. De productie kon worden opgevoerd zonder dat dit overigens ten koste ging van het aantal personeelsleden. Het tegendeel bleek waar. In tien jaar tijd verdubbelde het aantal werknemers bijna van 69 in 1860 naar 155 in 1870! De vaart zat er goed in. In 1865 kwam er een opdracht voor maar liefst 33 koetsen bestemd voor Brits-Indië. Enkele jaren later ging een pronkstuk naar Nederlands-Indië dat bestemd was voor de Sultan van Djokjakarta. De vraag naar deze smaakvolle Haagse rijtuigen moet duidelijk niet worden onderschat. Ook al heeft de fabriek in de huidige geschiedenis weinig bekendheid meer, zij verdient die wel! De rijtuigenfabriek werd als toonaangevend beschouwd en een waar voorbeeld voor de Nederlandse industrie van die tijd.

Brand
In 1869 was er middernacht een kort brandje in de smederij, dat gelukkig snel kon worden geblust. In de herfst van 1877 was er wederom brand rond middernacht, doch hierbij was het complete kleine Den Haag in rep en roer. De lucht was oranje van vuur. Bijna beangstigend zo tegen die donkere lucht. De brand was groots en werd met man en macht bestreden. Diverse hoge autoriteiten, waaronder de minister van Binnenlandse Zaken en een hofambtenaar, kwamen kijken. Niet zo verwonderlijk want iedere Hagenaar zag of rook de brand. Om half twee werd geconstateerd dat de hele fabriek was afgebrand! Een angstaanjagend vlammenzee werd door de brandweer nat gehouden om het overslaan naar andere panden te beletten. Om half drie was de brand onder controle. De nabij gelegen magazijn was wel zwart geblakerd en aangetast doch de voorraad bleek voor 2/3e deel nog bruikbaar te zijn. Er hadden zich geen persoonlijke ongelukken voorgedaan. Onmiddellijk werd met de herstelwerkzaamheden begonnen. Achter het Militair Ziekenhuis was een loods die door arbeiders van de getroffen fabriek gebruikt kon worden om verder te gaan met hun werkzaamheden. De zetters en het drukpersoneel van de drukkerij haalde een som geld op. Andere buren gaven gereedschappen en werkbanken. Iedereen was betrokken bij deze grote stadsramp. De zes hoge schoorstenen moesten uiteindelijk worden gesloopt, omdat ze bij storm dreigden om te vallen.

Continuïteit
Het bestuur van de Koninklijke Rijtuigfabriek was inmiddels overgegaan in andere handen. Eén jaar voor het uitbreken van de grote brand was Hermans overleden. Deze ondernemer, die in 1840 was getrouwd met Dina Hols, had geen bekwame opvolgers uit dit huwelijk. Dat betekende in zijn geval ook geen erfgenaam in de fabriek. De nieuwe leider had de fabriek zelf voortgebracht: de heer Johannes Wilhelmus Paesie (1843-1911), die vanaf zijn pubertijd al werkzaam was in de fabriek. Hij woonde tot aan zijn dood naast (of moeten we schrijven in) de fabriek op nummer 15. Op 22 mei 1911 overleed hij daar en werd opgevolgd door een kleinzoon van de oude heer Hermans: Mathieu Zuur. Uiteindelijk zou deze man het bedrijf in 1927 moeten sluiten, eenvoudigweg omdat er geen enkele belangstelling meer bestond voor koetsen. Nog geruime tijd heeft Zuur carrosserieën voor auto’s gemaakt, maar kwam in Pennock een geducht concurrent tegen. De rijtuigfabricage was voor goed verleden tijd.

Ivoren of crème calèche
Een van de bijzondere scheppingen van de Koninklijke Rijtuigfabriek M.L. Hermans & Co. wordt af en toe nog gebruikt door de Koninklijke Familie. Het betreft de Ivoren Calèche, zoals hij in 1898 werd genoemd, die door Emma aan haar dochter Wilhelmina werd geschonken bij haar inhuldiging. De koninginnen bezochten daartoe regelmatig de fabriek. De schitterende galacalèche is een geheel Nederlands fabricaat op de lantaarns na, die in Parijs zijn vervaardigd. Zeer fraai zijn de twee beeldengroepen aan voor- en achterzijde. Aan de voorkant staat de kroon op de plaats van de koetsiersbok en wordt door drie vergulden nimfenfiguren omhoog geheven. Het eikenbladmotief komt overal terug. Zowel in de chique zware kussens aan de binnenkant als aan de achterkant waar op de plaats van de palfrenierzetel, twee vrouwenbeelden een krans van eikenbladeren omhoog heffen. De calèche heeft een zwart lederen kap voor het geval het mocht gaan regenen. De lederen hangriemen zijn rood gelakt en biedt een mooie afwisseling. Vanzelfsprekend is op de deuren het koninklijk wapen te vinden.

De twee beeldengroepen zijn vervaardigd door houtsnijwerker en beeldhouwer Jean Guillaume Louis Elsen (1852-1832). Aan dit koninklijk rijtuig is dertien maanden gewerkt door de Haagse fabriek.

Heeft u gewerkt bij een bekend Haags bedrijf? Dan neem ik graag met u een kijkje achter de schermen!

F.J.A.M. van der Helm
helmhuis@ziggo.nl

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann