Vier mini-sprookjes van Grimm met andere woorden

De sprookjes van Grimm. Wie leest ze nog? Zijn ze alleen nog maar nostalgisch of soms nog steeds aktueel? Voor de gelegenheid heb ik ze hier en daar verluchtigd met mooie woorden uit het heden zowel als het verleden. En tot slot voorzien van kort commentaar.

Daar was ereis een schone jongeling die dolgaarne in de echt verbonden wilde worden. Daartoe nam hij kennis aan drie zusters. Wat je noemt spetters. De een was nog bevalliger dan de ander. De keus was moeilijk en hij kon de knoop maar niet doorhakken.

Daarom ging hij om advies bij moederlief. Die zei: ‘Inviteer ze als de wiede weerga, zet ze een stuk kaas voor en sla ze geboeid gade als ze dat nuttigen.’

Dat deed de jongeling.

De eerste nuttigde de kaas met korst en al. De tweede sneed de korst er voortvarend af maar liet daar nog heel wat kaas aan zitten, dat ze samen met korst wegwierp. De derde echter sneed de korstjes soigneus weg. Niet te veel en niet te weinig.

De jongeling deed van wat hij gezien had verslag aan zijn moeder. Die zei: ‘Neem de derde tot vrouw’.

Dat deed hij en ze leefden samen nog duurzaam en happy.

Zoete paddestoelenstamppot
Daar was ereis een behoeftig, godvrezend meisje. Ze leefde alleen met haar moeder en Schraalhans als keukenmeester. Toen ze echt helemaal niets meer te eten hadden ging het kind naar het bos.

Daar ontmoette ze een oude vrouw die direct aanvoelde wat haar nood was. Ze gaf het kind een pannetje waar ze tegen moest zeggen: ‘Pannetje, kook!’ en dan bereidde dat pannetje zo maar uit zichzelf heerlijke, zoete paddestoelenstamppot. En als ze zei: ‘Pannetje, sta!’, dan hield het weer op met kokkerellen.

Het meisje bracht het pannetje naar haar moeder en nu was ’t uit met de ontbering. Ze nuttigden zoveel stamppot als ze maar konden.

Op een keer was het meisje naar de disco. De moeder was dus alleen en zei: ‘Pannetje, kook!’ en het kookte. Ze at tot ze voldaan was. Maar toen ze wilde dat het pannetje weer uitschee wist ze het woord niet meer. Dus kookte het pannetje door. De paddestoelenstamppot kwam over de rand en het kookte maar door. Eerst stond de keuken vol stamppot. Toen het huis. Daarna het huis ernaast en toen de straat. Alsof het pannetje de hele wereld wilde verzadigen.

Er ontstond grote nood en niemand, zelfs de regering niet, wist er wat aan te doen.

Eindelijk kwam het meisje uit de disco. Er waren in de hele stad nog maar een paar huizen over. Ze zei: ‘Pannetje sta!’ en het pannetje hield op met koken.

En wie naderhand de stad in wilde, moest zich een weg door de stamppot heen eten.

De schol
De vissen waren chagrijnig omdat de regering almaar mooie dingen beloofde waar nooit iets van terecht kwam. Niemand bekommerde zich meer om de vissen. Die zwommen maar rechts en links door elkaar zo het hen inviel. Ze glipten tussen de anderen door die samen wilden blijven. Of ze versperden elkander de weg. Sterkere vissen gaven de zwakkeren een oplawaai met hun staart. Of ze slokten ze gewoon zonder pardon op.

‘Wat zou het goed zijn als wij een regering hadden die recht en gerechtigheid uitoefende over ons’, zeiden ze. En ze verenigden zich in partijen om díe vis tot hun heer te kiezen, die de wateren het vlugst kon doorschieten en de zwakkeren tot steun zou zijn.

Ze stelden zich in gelid op langs de oever en de snoek gaf een teken met zijn staart, waarna ze er allemaal tegelijk op los gingen.

Als een pijl schoot de snoek voort en met hem de haring, de grondel, de baars, de karper en hoe ze ook allemaal nog meer mogen heten.

Ook de schol zwom mee en hoopte het eerst aan te komen.

‘Wie is vooraan?’Wie is vooraan?’, riep de platte, jaloerse schol na een tijdje, want hij lag inmiddels ver achter.

‘De haring! De haring!’, klonk het.
‘Die naakte haring?’, riep de schol. ‘Die naakte haring?’.

En sedertdien staat voor straf z’n bek scheef.

Lief en leed
Daar was ereis een couturier. Een twistziek mens. Z’n echtgenote, een werkzame, vrome ziel, kon het hem nooit naar de zin maken.

Wat ze ook deed, altijd was hij korzelig en balorig. Hij berispte en kapittelde haar waar en wanneer hij maar kon. Ook duwde en sloeg hij haar als het zo uitkwam.

Toen de overheid daarvan hoorde lieten ze hem voorkomen en zette hem gevangen.

Een tijdlang zat hij op water en brood. Daarna werd hij vrijgelaten maar hij moest eerst beloven dat hij zijn vrouw nooit meer zou slaan. En dat hij met haar in vrede zou leven en lief en leed zou delen zoals dat normale, gehuwde echtparen betaamt.

Een poos bleef het goed gaan maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Hij verviel weer in z’n ouwe trant en werd opnieuw kriegel en kittelorig. En omdat hij z’n vrouw geen slaag meer mocht geven, trok hij haar aan heur haar en schudde hij haar af en toe eens flink door elkaar. De vrouw ontweek hem en vluchtte naar de achtertuin. Maar dan zette hij haar na en gooide zijn ellestok en schaar en alles wat hij verder nog bij zich had, om haar oren. Als hij raak gooide, begon hij te lachen en als hij mis gooide, raasde en tierde hij. Het kwam zover, dat de buren de vrouw te hulp kwamen en de couturier opnieuw voor moest komen waar hij werd herinnerd aan zijn belofte.

‘Lieve mensen’, zei hij. ‘Ik heb me aan mijn belofte gehouden. Ik heb haar niet geslagen en heb lief en leed met haar willen delen. Maar zíj vluchtte weg en verliet me kwaadwillig. Toen heb ik haar nagerend en haar, als herinnering en vol goeie bedoelingen, nagagooid wat ik net bij de hand had. Lief en leed heb ik dus met haar gedeeld. Want zodra ik raak gooide was het mìj lief en háár leed. En als ik mis gooide was het háár lief en mìj leed’.

Maar de rechters waren niet tevreden met dit antwoord en de couturier moest z’n verdiende loon in z’n geheel offreren aan zijn vrouw.

Nostalgisch of actueel?
Vier mini-sprookjes uit vervlogen tijden. Nostalgisch of actueel? Het eerste sprookje beveelt een zuinige en vlijtige wederhelft aan. En dus niet iemand die alleen maar beantwoordt aan maatschappelijk voorgeschreven uiterlijke idealen. In het tweede sprookje deed vooral de laatste zin me denken aan een koopzondag in Den Haag.

En echt, ik kan er niks aan doen, maar bij het lezen van het derde sprookje drong het beeld van de heer Wilders zich steeds duidelijker aan me op.

Het vierde sprookje is natuurlijk, mede dank zij de #MeToo-hype, actueler dan ooit.

Of denkt u daar anders over? Mail het: julius.pasgeld@deoud-hagenaar.email.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterPin on PinterestPrint this pageEmail this to someone

Reageren

WP-Backgrounds by InoPlugs Web Design and Juwelier Schönmann